VIJFDE HOOFDSTUK

V UITBREIDING VAN HET GRONDGEBIED
DE POLDERS



DE STRIENE
Ende Godt seijde: “Dat de wateren van onder
den hemel in eene plaats vergadert worden,
ende dat het drooge gesien worde”;
ende het was alsoo.
Ende Godt noemde het drooge: Aerde; ende
de vergaderinge der wateren noemde hij: Zeen.
Ende Godt sagh dat het goet was.
Genesis, 1, 9, 10



Als de Zeeuwen het bijbelverhaal over de schepping van de aarde en de zee lezen of horen, bekruipt hun de stille gedachte, dat zij God een behoorlijk handje geholpen hebben. Hardop zullen zij dit niet uitspreken, omdat zij van nature twijfelen of bij zulke serieuze zaken als Bijbel en Religie wel een ironische bijgedachte past. Dit weerhoudt hen echter niet van een monkelend binnenpretje, voor de buitenwereld nauwelijks zichtbaar, zoals alleen Zeeuwen dat hebben.
De heren van Vossemeer hebben hun heerlijkheid met succes bestuurd. Vanzelfsprekend zal de mens van vandaag het niet in alle opzichten eens zijn met hun beleid. Doch er mag ongetwijfeld gesteld worden dat zij, hun middelen, mogelijkheden en hun tijd in aanmerking genomen, een goed bestuur hebben gevormd. Tegenover het land en de provincie betrachtten zij een loyale houding. De dikwijls zware belastingen hebben zij met pijn in het hart betaald. Geen zinnig mens zal hen hierom laken; voor velen van ons zijn de bedrijfs- en verwervingskosten ook een halszaak. Ofschoon hun heerlijkheid in zekere zin een geldbelegging was en het dividend hun zeer ter harte ging, hebben de heren van Vossemeer dit over het algemeen niet vooropgesteld, doch was hun eerste zorg het welzijn en het geluk van hun onderzaten.
Hun grootste verdienste is wellicht te vinden in de uitgebreide landaanwinningen, die zij vanaf 1410 tot laat in de vorige eeuw tot stand hebben gebracht. Het epos van hun heerlijkheid is niet geschreven met het zwaard van sommige roemruchte heren. Ten onrechte menen velen, dat de grote feiten der geschiedenis gevormd worden door de oorlogen, de expansies van vorsten of rijken, en de daarmede gepaard gaande “heldendaden”. Anderen hechten misschien meer waarde aan de gunstige financiële balans, de hoogte van het dividend. In onze tijd van overwaardering van het materiële bestaat het gevaar, dat de economie beschouwd wordt als de spiegel der geschiedenis.
De heerlijkheid van Vossemeer is in feite verdwenen, ondergegaan in een ontwikkeling, die nét nog plaats laat voor enige zakelijke rechten van de vroegere ambachtsheerlijkheid. Het blijvend ereteken, dat de heren van Vossemeer zichzelf hebben opgericht (niet aldus bedoeld en juist daarom te aanvaarden), is het door hen geschapen land, dat er zwaar van Zeeuwse klei ligt. Elk jaar laat het zijn gouden tarwe, zijn zeegroen vlas opgolven, terwijl de fijne spot met het vroegere zwartgrijze zoutwater ook hier niet uitgesproken wordt. Op dit land woont, al tientallen generaties lang, het arbeidzame volk van Vossemeer.

Het heeft dan ook alle zin, wat langer bij de landaanwinning stil te staan. Zo wordt duidelijk, hoe in etappes is gerealiseerd wat in 1410 was voorzien en bedoeld. Het onderstaande overzicht is in de geschiedenis van de heerlijkheid een onontbeerlijk onderdeel, al vormt het geen boeiende lectuur. Elke polder is afzonderlijk behandeld; van de eerste bedijking is het jaartal gegeven. Af en toe zou de uitvoerigheid de indruk kunnen wekken, dat de geschiedenis van een polder hiermede is uitgeput. Het is nodig enige voorbehouden vooraf te laten gaan.
Dit verhaal over de landaanwinning mag niet als een volledige geschiedenis van de onderscheiden polders beschouwd worden; evenmin mag er een absolute waarde gehecht worden aan het jaartal van de bedijking. Meerdere malen was het gebied al langer in gebruik als wei- of cultuurgrond, vóórdat er van een bedijking sprake was; waarschijnlijk is het dan wel enigszins beschermd geweest. Veel details der dijkages zijn niet meer te achterhalen. Zouden zij na eindeloos gepeuter in de archieven opgediept kunnen worden - wat zeer goed mogelijk is - dan zou de grote lijn waarschijnlijk niet ingrijpend worden gewijzigd, nog er van afgezien dat het op die wijze nagaan van alle grote en kleine details het geheel totaal onleesbaar zou maken. Het eerste voorbehoud wil er attent op maken, dat het in de bedoeling heeft gelegen de grote lijn van de landaanwinsten te geven.
Het beleid van de heren van Vossemeer is er altijd op gericht geweest, met anderen samen nieuwe dijkages te ondernemen, voornamelijk met de ingelanden, die reeds grond bezaten in een ontworpen polder of die kochten als met de dijkage werd begonnen. Meestal ging een inpoldering hand in hand met de verkoop van gronden. De heren van Vossemeer sprongen financieel wel bij, doch bekostigden nooit het gehele werk. Het directe gevolg hiervan is, dat in hun archief slechts zelden alle gegevens van een dijkage terecht gekomen zijn. Nadat de bedijkingswerken voltooid waren, werd een polderbestuur door de heren benoemd en geïnstalleerd (althans vóór 1795), dat zich enerzijds wel te voegen had naar de wensen en voorschriften van de heren van Vossemeer, doch zich overigens richtte naar de bevelen van de landsregering en de provinciale besturen inzake het beheer en het bestuur van het waterschap.
De heren reserveerden voor zichzelf de heerlijke rechten en een zeker aantal gemeten in het nieuwe land. Doch veel verder reikte hun bemoeienis niet met de polders; hoogstens kwamen zij tussenbeide, indien er op het stuk van het bestuur iets misliep. Hun opzet was, dat de polders zichzelf konden handhaven. Bij de latere inpolderingen is van deze opzet afgeweken en hebben de heren sommige bedijkingen zelf gefinancierd en de nieuwe polders een tijdlang in eigen
Voorstelling van de doorbraak van een zeedijk. Naar een gravure uit de collectie: De Atlas van Stolk te Rotterdam.

Voorstelling van de doorbraak van een zeedijk. Naar een gravure uit de collectie: De Atlas van Stolk te Rotterdam.

beheer gehouden. Dit is in de behandeling van de stof een richtlijn geweest. Het kon niet in de bedoeling liggen een volledige geschiedenis van de polders te geven. Over het algemeen eindigen in het archief de gegevens over een bedijking op het tijdstip, dat de heren de polders aan de ingelanden overlieten.
Op één aspect moet enigszins nadrukkelijk gewezen worden. De heren hebben in 1410 en 1415 een gebied verkregen, waarvan de opeenvolgende bedijkingen over een tijd van meer dan 5 eeuwen liggen. In breder verband heeft dit een bijzondere betekenis. Het grondgebied van Vossemeer is gewonnen in een zeer lange periode, terwijl de heren het al van 1410 en 1415 in hun bezit hadden, al lag het toen nog voor het merendeel onder water. Desondanks hadden zij het als een grondgebied gekregen. Dit verschijnsel, dat in Vossemeer helder aan de dag treedt, is in tal van historisch-geografische studies niet opgemerkt. In veel oudere literatuur, die zich bezighoudt met de reconstructie van heerlijkheden en hun territoria in vroeger eeuwen, heeft men zich niet gerealiseerd, dat in een waterland de uiterste reserve noodzakelijk is. Een uitspraak over wat water en wat land was, kan slechts op exacte gegevens steunen. In tal van gevallen is de omschrijving van zulk een grondgebied als een algehele verlanding opgevat, terwijl het problematisch is, of en in hoeverre de winning van het land al resultaat had gehad. De kaart van Vossemeer met de polders en de dijken lijkt met enige uitleg duidelijk. Als men de chronologie van de onderscheiden dijkages op de kaart nagaat, blijkt dat er logisch is bedijkt. Toch is het vrijwel zeker, dat tussen de ons bekende dijkages andere plannen gelopen hebben, die misschien geheel of ten dele zijn uitgevoerd, misschien mislukten, misschien geheel veranderd moesten worden na een calamiteit. Als treffend voorbeeld kan het land ten westen en zuidwesten van het dorp Halsteren worden aangehaald, waar betrekkelijk vroeg dijkages tot stand zijn gekomen, het dorp en parochie Polder ontstond, doch waar alles weer verloren ging tot het tussen de 15e en 18e eeuw in stukken kon worden herwonnen. Zoals overal elders zullen ook in Vossemeer tussentijdse werken hebben plaats gevonden, die eigenlijk zeer nauwkeurig bekend moesten zijn om de in stand gebleven werken geheel te begrijpen. In 1592 verzocht de rentmeester de indiening van de rekening der ambachtsheerlijkheid uit te stellen tot october, daar hij als dijkgraaf te druk bezet was met de dijkage van Bonaventura. 1 De “hemelraden” (heemraden) van deze nieuwe polder gaven het volgend jaar een penning aan de armen van Vossemeer. 2 Bonaventura moet wel een polder onder Vossemeer zijn geweest, waarvan men later evenwel niets meer verneemt. Dit zou erop kunnen wijzen, dat de polder kort na zijn bedijking weer verloren is gegaan. In 1664 vroeg iemand een stuk dijk in erfpacht in de buurt van de “Vriendeloose Polder”. 3 Deze naam vindt men in Vossemeer of in de directe omgeving niet meer terug. In dit geval kan men denken aan de verbastering van een naam of aan een naam uit de volksmond. Het archief bevat echter meer sporen over uitgevoerde werken, die in de bronnen niet zó exact omschreven zijn, dat zij ons in details een inzicht zouden kunnen geven in alles wat gedaan is, wat eventueel is mislukt of om andere redenen niet gehandhaafd bleef.
Kaart van de polders van Oud Vossemeer door K. Bestebroer, 1761. Archief Ambachtsheerlijkheid.

Kaart van de polders van Oud Vossemeer door K. Bestebroer, 1761 . Archief Ambachtsheerlijkheid.

De periodieke overstromingen hebben het oorspronkelijke beeld van de dijkages niet onaangetast gelaten. Ook hier zijn de grotere en kleinere veranderingen niet altijd nauwkeurig aan te wijzen. Evenals de gehele streek heeft Vossemeer van zware overstromingen te lijden gehad. De grootste rampen zijn veroorzaakt door de watervloeden van: 1421, 1511, 1530, 1532, 1570, 1583, 1682, 1720, 1808, 1906 en 1944. De meeste ervan komen bij de onderscheiden polders nog ter sprake. De stormramp van 1953 ging aan Oud Vossemeer voorbij, doch stortte zich met des te groter geweld op Nieuw Vossemeer. Door deze overstromingen zal de circumscriptie, die de polders bij hun eerste bedijking hadden, niet ingrijpend zijn gewijzigd. Dat er toch veranderingen zijn voorgevallen, bewijzen trouwens wel de afwijkende oppervlakten, die in de loop van de jaren opgegeven worden. Met deze voorbehouden dient het onderstaande overzicht van de polders gelezen te worden.
Met het bestuur van de polders hebben de heren zich niet intensief bezig gehouden. In de eerste eeuw van het bestaan der heerlijkheid bemerkt men daar al zeer weinig van. In 1503 bepaalden de heren, dat elke polder “zoals vanouds” zijn landmeesters moest hebben. 4 Zoals vanouds duidt wel aan, dat deze functie al langer bestond. De landmeesters hadden tot taak de landerijen en de kunstwerken na te gaan en voor hun instandhouding te zorgen. De kosten hiervan sloegen zij om over de ingelanden. Zij legden aan de heren rekening af. Hierdoor en omdat zij door de heren werden benoemd, hadden deze voldoende toezicht op de polders. De rentmeester of de baljuw fungeerde als dijkgraaf van alle polders en de heerlijkheid. Het instituut van de landmeesters is uiteindelijk verdwenen en op gegaan in dat van de gezworenen; dan was een zuiver polderbestuur gevormd.
De ingelanden van de polders waren in zoverre autonoom, dat zij onafhankelijk van de heren besluiten konden nemen en werken doen uitvoeren. Financieel moesten zij zichzelf zien te bedruipen; slechts zelden deelden zij in algemene dijklasten of in de lasten van andere polders. Na de watersnood van 1570 heeft koning Philips II bevolen, dat alle zeepolders moesten bijdragen in de herdijking van de polders van Zeeland. Daarom zouden zij een bepaald deel opbrengen van wat zij zelf aan hun zeedijk ten koste legden. 5 Nadien, zo merkte de rentmeester op, hebben sommige polders geen cent meer aan hun dijken besteed; zo hoefden zij ook niets meer af te dragen. 6 Aanvankelijk fungeerde de rentmeester van de heren als penningmeester van alle polders. 7 Later is deze functie gecombineerd met die van secretaris. Wel heeft de rentmeester altijd gediend als schakel tussen de heren en de polderbesturen. In 1669 geboden de heren, dat de dijkgraaf en de gezworenen hem in kennis moesten stellen van alle aan te besteden werken; 8 dit voorschrift herhaalden zij in 1717. 9 Door dit toezicht en het afhoren van de rekening hadden de heren van Vossemeer toch een sterke zeggenschap in het beheer van de polders.
Met het toekennen van subsidie voor het uitvoeren van werken waren de heren niet vlot. In 1724 vroegen de ingelanden van Nieuw Vossemeer een bijdrage voor een nieuwe sluis. De heren wezen dit verzoek af, omdat de bestaande sluis pas 30 jaren geleden was gelegd; zij was altijd door de ingelanden onderhouden. 10 Met andere woorden: als jullie niet tevreden zijn met de bestaande, bouw dan zelf maar een nieuwe. Toen de ingelanden er in 1727 weer op terugkwamen, droegen de heren de dijkgraaf op dit werk door de ingelandenvergadering te laten begroten en te doen uitvoeren, doch zonder subsidie van hun kant. 11 Het is slechts een symptoom van het beleid van de heren, dat de polders zich financieel konden en moesten redden.
Na 1795 hebben de polderbesturen zich veel vrijer tegenover de heren gedragen; toen had de supervisie in de praktijk niet veel meer te betekenen. Na het herstel van sommige rechten der ambachtsheerlijkheid behielden de heren het recht van voordracht voor de benoeming van een dijkgraaf, penningmeester en gezworenen, doch omstreeks 1850 is ook dit afgeschaft.


33. DE STRIENE
EEN MYTHOLOGISCHE RIVIER
Vóór de eerste inpoldering vormde het latere grondgebied een waterland, waarin zich hier en daar al opgewassen gronden aftekenden. De juiste toestand van dit gebied kan men zich slechts bij benadering voorstellen; exacte gegevens zijn in de geschreven bronnen nauwelijks aanwezig. Waarschijnlijk bieden de bodemkarteringen meer houvast. De daarna gevormde polders liggen er nu als zó vanzelfsprekend, dat de barre watervlakte van weleer maar heel moeilijk terug te projecteren is. Er dringt zich echter één punt naar voren, dat nodig opgehelderd dient te worden, namelijk de bewering, door sommige historici tot ontwijfelbare zekerheid verheven, dat in dit gebied de rivier De Striene gelopen zou hebben.
Aan deze rivier wordt gewoonlijk een belangrijk deel van de vroegste geschiedenis van West-Brabant en Tholen opgehangen. Ofschoon zich over haar bestaan en haar loop van lieverlede een algemene mening heeft gevormd, waaraan Van Rheineck Leyssius en Beekman de wetenschappelijke afronding gaven, 1 gaat de rivier achter dichte sluiers van historische en geografische raadsels schuil. Volgens hen heeft de Striene oorspronkelijk door het eiland Tholen gestroomd, en bepaald over een groot gedeelte van het gebied, dat later het land van Vossemeer werd. De behandeling van de wording van dit grondgebied is derhalve een gerede aanleiding, om de juistheid of de valsheid van die bewering te onderzoeken. Het al dan niet bestaan van deze rivier op de aangenomen plaats is op zich al een interessant historisch-geografisch vraagstuk. De kwestie is van nog meer gewicht, omdat met de rivier meerdere zaken verbonden zijn, wier historiciteit staat of valt met haar werkelijkheid. Zou het als niet passend beschouwd worden, een kritisch onderzoek in te stellen naar deze zogenaamde zekerheid, dan kan verwezen worden naar de onlangs voltooide bodemkartering van het eiland Tholen, waarbij geen enkele indicatie te voorschijn is gekomen, dat het eiland van zuid naar noord door een rivier doorsneden is geweest. Een historisch onderzoek behoeft overigens geen rechtvaardiging.
De gangbare reconstructie is voor het grootste deel voortgekomen uit een niet geheel juist inzicht in de aardrijkskundige en waterstaatkundige ontwikkeling van Zeeland en West Brabant. De historici, die met een bepaalde materie werkten, naar de schijn ter plaatse thuisbehorend, hebben zich niet of veel te weinig verdiept in het onderzoek naar de oude gesteldheid van de wateren en gronden. Vooropstellend, dat de rivier de Striene hier ergens heeft gelopen – dit scheen immers uit de bronnen te moeten worden gelezen - hebben zij haar loop, voornamelijk aan de hand van enkele toponiemen, zeer nauwkeurig beschreven; ál te mooi, mag men wel zeggen. Zonder het minste bezwaar laten zij de Striene op enkele plaatsen door andere wateren kruisen, wier bestaan en loop wel bekend zijn. Voornamelijk hierdoor wordt hun reconstructie absoluut onhoudbaar. Als er inderdaad een zodanige “kruising” van wateren had bestaan, zouden de middeleeuwers zeker niet tot de simplificerende naamgeving gekomen zijn als de historici achteraf hebben vastgesteld. Hoe kan het mogelijk zijn geweest, dat de zogenaamde Striene zich in die warreling van wateren zó duidelijk aftekende, dat haar loop én haar naam van het begin tot aan de uitmonding vast lagen? In waterstaatkundig opzicht is de Striene een onaanvaardbaar product van kamergeleerdheid; zij is een papieren rivier.
Een beeld van het landschap langs de Eendracht. Foto: Ad Vermeeren, 1968.

Een beeld van het landschap langs de Eendracht. Foto: Ad Vermeeren, 1968.

Tholen en West-Brabant moet men zich in de 10e eeuw, toen er volgens de gevestigde mening de Striene stroomde, als een waddengebied voorstellen, waar geen plaats is voor een zo mooi aangeduide en zo nauwkeurig afgebakende rivier. Verschillende delen van de buitenwateren, van de monden van Maas en Schelde, hebben wellicht al lang een naam gehad, misschien al enige tijd voordat de hoogwaterlijn (bij normale vloeden) een zekere stabiliteit verkregen had. Toen door de verdergaande verlanding het land en het water zich duidelijker begonnen af te tekenen, spreekt het vanzelf, dat de dan ontstane stromen, geulen en kreken een naam kregen. Waarschijnlijk werden eerst de geheel of ten dele drooggevallen gronden van een naam voorzien; die naam kon op het water overgaan. Ook het omgekeerde heeft zich voorgedaan, namelijk dat de naam van een water overging op het gevormde land. Vossemeer is hiervan een duidelijk voorbeeld. Er moet rekening gehouden worden met de voortdurende stroming, waardoor enerzijds een betere aftekening van gronden en wateren zichtbaar werd, anderzijds een vrij lange tijd gevergd werd vóórdat een verlanding tot rust kwam. Zover behoefde het niet altijd te zijn; een gebied kon om de nabijheid van reeds bewoonde plaatsen om een naamgeving vragen, zelfs als het nog niet bewoond en nog minder gecultiveerd was. Door enkele valse teksten en uit hun chronologie getrokken gegevens is de verlanding van deze streek, het begin van bewoning en cultivatie, meerdere eeuwen te vroeg geplaatst. Het behoeft geen betoog, dat dit het historisch beeld zeer vertroebeld, zelfs een geheel vals fundament gegeven heeft. De exacte gegevens, die beschikbaar zijn, wijzen vrij nauwkeurig de tijd aan, wanneer het nieuwe land van West Brabant en Tholen door de mens in bezit is genomen. In dit verband behoeven wij niet te discussiëren over een jaar vroeger of later; de historische gegevens tonen helder aan, dat Tholen, Bergen op Zoom, Steenbergen en andere plaatsen in deze streek pas in de 13e eeuw hun intrede in de geschiedenis doen. De volgende plaatsen worden voor het eerst genoemd: de tol van Schakerlo (Tholen) in 1218; Bergen op Zoom en Wouw in 1232 of 1235; Halsteren in 1263; Steenbergen in 1267; Gastel in 1275; Zevenbergen in 1283. Opmerkelijk is, dat de plaatsen op de hoge zandgronden van West-Brabant geruime tijd eerder verschijnen: Breda, Zundert, Rijsbergen, Etten, Nispen tegen het midden van de 12e eeuw. Men zou een bepaalde veiligheidsmarge kunnen aannemen in deze zin, dat in de streek al bewoning was voordat de plaatsen in de geschreven bronnen verschijnen. Daar is geen enkel bezwaar tegen, mits die marge niet tot in het oneindige wordt doorgetrokken. Ook zonder een termijn daarvoor te willen of te durven stellen, moet het uiterste maximum toch wel op een eeuw worden gehouden. Die vrij late intrede is enkel te wijten aan het feit, dat dit gebied van Brabant en Zeeland een nieuwland was, pas in de 11e of 12e eeuw van het water vrijgekomen. Dat het misschien een nieuw oudeland was, volgens een onderscheiding van de middeleeuwers, als zij wilden aanduiden dat een gebied voorheen had bestaan en opnieuw op de zee gewonnen was, is wel mogelijk, doch in dit geval zeer onwaarschijnlijk. In West-Brabant en Tholen, in tegenstelling tot sommige streken van Zeeland, zijn geen archeologische relicten gevonden uit de tijd van of vóór de transgressies. Deze transgressies (blijvende overstromingen van langere duur) hebben tussen de 3e en 10e eeuw, uiteraard in op- en neergangen, het gehele laagland van West-Europa overspoeld.
Het heeft geen zin de reconstructie van de rivier de Striene door Van Rheineck Leyssius en Beekman in details te volgen, daar deze punten niet van belang zijn naast de principiële vraag, waar en hoe de rivier heeft bestaan. Waar deze schrijvers water aanwijzen, was dit ongetwijfeld aanwezig. Er waren zelfs meer wateren dan zij verondersteld hebben. Een rivier tekent zich namelijk pas af, als zij door oevers is afgebakend. Wordt zij gereconstrueerd in een enorm complex van buitenwateren, dan mag terecht worden gevraagd naar duidelijke gegevens, waarop zulke vreemde reconstructie steunt. Beekman spreekt er zich niet over uit, op welke tijdstippen precies de Striene heeft bestaan en verdwenen was; hij houdt zich op de vlakte en zegt, dat ze reeds lang verdwenen is. De chronologie der teksten en der dijkages is voor hem blijkbaar geen probleem geweest; toch is dit het enig juiste uitgangspunt voor de historische geografie van een waterland. Met een overtuiging, waar geen spoortje van twijfel doorklinkt, gaat hij er van uit, dat de Striene ter plaatse heeft bestaan.
Om zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, wat de tijdgenoten onder het woord Striene of zijn varianten begrepen, moeten wij de naam in de bronnen volgen. Bij het nagaan van de teksten zal duidelijk worden, uit welke vreemde hoek de stelling afkomstig is, dat tussen West-Brabant en Tholen een rivier Striene heeft gestroomd.
In een ongedagtekende oorkonde, vermoedelijk ca. 1198 opgemaakt, verklaart de hertog van Lotharingen, dat Godfried van Schoten het allodium van Breda van hem in leen houdt, namelijk het kasteel van Breda, de vennen tussen Vulgenhage (onder Princenhage) en Striene. 2 Deze leenverheffing werd door de graaf van Holland met lede ogen aangezien. Hij protesteerde er tegen in de overtuiging, dat door deze uitbreiding van het land van Breda aan zijn gebied was geraakt. Een en ander leidde tot een accoord tussen de graaf van Holland en de hertog van Lotharingen, in 1203 gesloten, 3 waardoor de reeds lang bestaande geschillen over de jurisdictie van het land tussen Schelde en Maas geregeld werden. De graaf van Holland gaf aan de hertog terug, doch ontving van hem terstond weer in leen: “de stad Durthreth (Dordrecht).... en het gehele land tussen Strine en Walwic (Waalwijk)”. Door deze twee acten, die nauw samenhangen, wordt aangegeven waar Striene gelocaliseerd moet worden, als het tegen het einde van de 12 e eeuw in de historische bronnen verschijnt. In deze acten is ongetwijfeld het land van Strijen bedoeld; van een rivier of een water is geen sprake. Dordrecht, Striene en Waalwijk staan als plaatsen naast elkaar genoemd om een nu Hollands gebied aan te duiden, dat als Brabants leen wordt erkend.
Opgemerkt moet worden, dat de eerste vermelding van Striene pas tegen het einde van de 12e eeuw voorvalt. Niet eens doorslaggevend is het feit, dat deze teksten het land van Strijen en geen water bedoelen. Belangrijk is wel de tekstkritische constatering, dat enige (overigens valse!) teksten uit de 10e eeuw, die de Struona vermelden, niet gesteund worden door parallelteksten.
Het oude land van Strijen is een duistere zaak, niet omdat aan zijn werkelijk bestaan getwijfeld zou mogen worden, doch omdat over zijn geschiedenis en betekenis nogal gefantaseerd is. Nóg niet uitgeroeid is de mythe, door de abdij van Thorn in het leven geroepen, door velen aangekweekt en door sommigen verder opgeschroefd tot kwasi-historie, dat het een graafschap is geweest, reeds van belang toen het graafschap Holland nog niet bestond. Zijn geschiedenis is tevens duister, omdat in de opeenvolgende heren van Strijen nog altijd geen volledige klaarheid is geschapen. Het enig vaststaande is, dat het zich vanaf de 12e, misschien vanaf de 11e eeuw, in het eilandengebied van Zuid-Holland bevond. De plaats Strijen vormde er wellicht het middelpunt van. De heerlijkheid Strijen omvatte ook een gebied in het huidige Noord-Brabant, waaruit de heerlijkheid Zevenbergen is ontstaan. 4
Wanneer kort nadien, in het jaar 1213 Hendrik I, hertog van Lotharingen, aan Godfried van Breda de helft van de tol op de Schelde en de Striene in leen geeft, 5 op voorwaarde dat hij de lieden, die er varen, in bescherming zal nemen, is er geen enkele reden om te besluiten tot een geheel andere plaats van Strena, zoals de tekst het water noemt. Zonder de minste twijfel bedoelt de acte een water, als zij over een tol te water handelt. De nevenschikking van Schelde en Striene, het feit, dat de heer van Breda in dezelfde acte Schakerlo en Ossendrecht krijgt, en niet te vergeten de gangbare reconstructie van de Striene hebben de overtuiging post doen vatten, dat hier de tol en het geleide op een rivier tussen Tholen en Brabant bedoeld waren. De acte heeft integendeel de bescherming op het oog gehad van de schippers in het westen (de Schelde) en het noorden (de Striene) van het land van Breda en van Brabant. Het water van Strijen wordt Strena genoemd; dat het Hollandsch Diep is bedoeld, staat niet alleen door de reeds gegeven teksten van de Striene vast, doch mag ook worden afgeleid uit de leengeving van het jaar 1203, waarbij de hertog van Lotharingen de heer van Breda bevoegdheden en het territorium afstond tot aan Striene. Zo gezien, was de opdracht redelijk. Door het bezit van het land tot aan Strijen was de heer van Breda in het noorden in elk geval in staat de tol te beschermen; in het westen versterkte de hertog met opzet zijn positie door hem Schakerlo en Ossendrecht in leen te geven. De reconstructie van de Striene vanaf Tholen tot Strijemond valt in feite vrijwel geheel buiten het territorium, dat de heer van Breda beheerste; ook op grond van deze acte is zij niet te houden. De hertog van Lotharingen had zich het water van Strijen voorbehouden, al had hij de graaf van Holland het land in leen gegeven. 6 Ongeveer hetzelfde accoord werd in 1223 tussen de hertog en Godfried van Schoten herhaald. 7
In het Nassau Domeinarchief komt de oorkonde van 1213 in enige afschriften voor. 8 Merkwaardigerwijs spreekt het oudste afschrift van de tol op de Schelde en de Rijn (Rhyne), terwijl een 15e eeuws afschrift Stryne in plaats van Rhyne geeft. Als het origineel inderdaad de Rijn heeft genoemd, wat niet onwaarschijnlijk is, wordt de door de locale omstandigheden beïnvloede lezing wel begrijpelijk, doch blijft zij een vervalsing. Belangrijker is echter, dat wij dan de eerste duidelijke vermelding van Striene als een water ruim een halve eeuw verder moeten plaatsen, en wel naar een acte van 1279, waar het water ten noorden van Gastel is bedoeld. Eenzelfde aanduiding van de streek vindt men in een bulle van paus Innocentius van het jaar 1486 9. Daarin geeft hij een beschikking over de tienden in het land, dat graaf Engelbrecht van Nassau wil laten bedijken (het latere Kruisland onder Steenbergen), en dat aangeduid wordt te liggen “tussen de monden van Rijn en Schelde”. Deze omschrijving zal door de pauselijke kanselarij wel letterlijk overgenomen zijn uit het voorafgaand verzoek van de graaf. Het vormt een sterke aanwijzing, dat de woorden Schelde en Rijn uit de vorige acte authentiek zijn.

Tegen het midden van de 13e eeuw beginnen de vermeldingen van de heren van Strijen. Het is van belang hun namen te geven, omdat daardoor voor een lange tijd vaststaat, dat Striene opgevat moet blijven worden als het land van Strijen. De enige maatstaf voor een juiste interpretatie is immers te weten, wat de tijdgenoten onder een bepaalde naam verstaan hebben. In 1244 zijn Willem, Hugo en Hendrik van Striene bekend; 10 in 1287 Willem van Strien; 11 in 1294 Jan van Striene; 12 in 1300, 13 1315 en 1338 Hugeman van Striene of Stryene, heer van Zevenbergen; in 1300 Hadewich, dochter van Willem van Striene; 14 in 1357 Aleidis van Putten en Strijen; 15 in 1360 en 1370 Sweder van Abcoude, heer van Gaasbeek, Putten en Strijen; 16 in 1370, 1375 en 1376 Hugeman van Strien, heer van Zevenbergen; 17 in 1380 en 1381 de heer van Gaasbeke, Putten en Stryene; 18 in 1426 Gerrit van Strijen, heer van Zevenbergen. 19 Door deze teksten wordt ten aanzien van de interpretatie van wat Striene betekent een lange tijd overbrugd door de absolute zekerheid, dat het oude land van Strijen onder de naam Striene blijft verschijnen. Bijzonder duidelijk wordt tot uitdrukking gebracht, dat Strijen en Striene volkomen identiek zijn. Er is altijd aangenomen, dat Strijen de naam van het land zou zijn en Striene de naam van de rivier.
Andere heren van Streie of Streye vindt men zeer ver naar het zuiden. In het jaar 1374 komt Gillis de Strée voor, die in een oorkonde Gielson Streye heet en zelf als “Gile de Streie” zegelt. In een oorkonde van het jaar 1377 wordt hij Gillis van Strige genoemd. 20 Zijn naam komt van de plaats en de heerlijkheid Strée, in de provincie Luik en het kanton Huy gelegen. Bij gebrek aan exacte gegevens kan de band van de Hollandse heren van Strijen met deze Luikse familie niet zonder méér worden verondersteld. Toch moet ernstig rekening worden gehouden met deze mogelijke herkomst van het Hollandse geslacht. De meeste, om niet te zeggen alle adellijke geslachten, die in Brabant en Holland heerlijkheden verwierven, blijken immers van zuidelijke afkomst te zijn. Zou deze mogelijkheid ooit nader geadstrueerd worden, dan vormt dit een reden te meer, om het legendarische graafschap Strijen ver van ons te werpen.
Tussen 1240 en 1258 komt Hendrik Buffel voor als leenman van Breda en Holland, en als heer van Schakerlo. In 1248 verkreeg hij van roomskoning Willem II het leengoed Schakerlo (ten zuidwesten van de stad Tholen gelegen) met alle toebehoren, 21 waarvan de begrenzing in de acte aldus beschreven wordt: “tussen dusdanich palen als: Vosvliet, 22 Mara, 23 Goewech (Gawech) 24 Heendrecht, Scelde, Striene ende Myddeldijc van Poortvliet”. De acte is niet geheel en al betrouwbaar, omdat er toponiemen in voorkomen, die pas geruime tijd later in andere bronnen worden genoemd. Als zij geen volledig post-factum is, dan bestaat wel de kans, dat zij ruim een eeuw later hermaakt of herschreven is, met alle mogelijkheden van interpretatie en interpolatie, want dan blijkt zij opeens weer actueel te zijn, als in Steenbergen en Tholen over haar inhoud en strekking getuigen worden gehoord. 25 Voor ons doel kunnen wij de oorkonde textueel als authentiek aanvaarden, want de limietomschrijving raakt de rivier de Striene niet. In de tekst staat de naam van Striene tussen Schelde en de middeldijk van Poortvliet. Hier duidt Striene de streek aan van Oud en Nieuw Strijen onder Poortvliet, het punt waar de gangbare mening het begin van de rivier plaatst. Ook uit deze aanduiding is geen rivier te distilleren. De limietbeschrijving uit deze acte, die het oude leen van Schakerlo rondom afpaalt, noemt haar in het noorden nergens, zij gebruikt Striene als streeknaam, in dit geval als de naam van gronden.
In het jaar 1407 wordt land onder Poortvliet verkocht, 26 oostwaarts
Een dijkdoorbraak. Naar een gravure uit de collectie De Atlas van Stolk te Rotterdam.

Een dijkdoorbraak. Naar een gravure uit de collectie De Atlas van Stolk te Rotterdam.

grenzend aan de zandweg, zuidwaarts aan de middeldijk van Striene en van Jan van Steelants polder. Méér dan een streeknaam, later opgenomen in de naam der polders, is ter plaatse niet aanwezig geweest. Het is toch wel te weinig om daar de belangrijke conclusie aan vast te knopen, dat tussen Poortvliet en Tholen het begin van de rivier de Striene lag. De middeldijk van Striene heeft sommigen tot de opvatting gedrongen, dat hier de Striene afgedamd is geworden. Het woord “middeldijk” wijst geenszins op de afdamming van een rivier; het duidt aan, dat aan weerszijden reeds andere (nieuwe?) bedijkingen lagen.
Volledig opgelost wordt het raadsel, hoe op het eiland Tholen de toponiem Striene terecht is gekomen. In 1413 oorkonden de schepenen van Tholen, dat Willem Scobbelant, bastaard van Zevenbergen, aan Guy bastaard van Bloys de eigendom overdroeg van een rente uit de gorzen van Doorlo, die door de (grafelijke!) rentmeester van Tholen aan hem moest worden betaald. 27 Nog daarna is sprake van deze rente, die lange tijd regelmatig in de rekeningen terugkeert, bijvoorbeeld in 1424, als Clara van Botlant, weduwe van Bloys, haar ontving voor het “Scobland”, dat voorheen aan de bastaard van Zevenbergen toebehoorde. 28 Er blijkt dus, dat de heren van Zevenbergen en vóór deze de heren van Strijen op het eiland Tholen al lang rechten en bezittingen hadden. Het feit, dat de graaf van Holland hun een rente verschuldigd was, kan er zelfs op wijzen, dat hun bezit al zeer vroeg gevestigd was. Bij een zo duidelijke relatie tussen Poortvlieten de heren van Strijen mag zonder bezwaar gesteld worden, dat de ter plaatse voorkomende toponiem van hen afkomstig is en niet van de veronderstelde rivier.
In 1256 bevestigde Floris, ruwaard van Holland, de schenkingen van koning Willem aan Alaerde Margrietenzoon van Duvenne van de “Vriezendijksemoeren”, waarvan deze het tweede deel bezat, terwijl het derde deel aan de heer van Breda toebehoorde. 29 Het land in kwestie lag tussen deze grenspunten: “van Quarenvliet 30 naar het zaailand, dat men Gheest Lant 31 noemt; vandaar op Striene; vandaar op Greveningen; vandaar op Vosvliet; vandaar op Bole Ee; vandaar op Bokelenberge 32 en van Bokelenberge 33 op het Gheest Lant”. Deze schenking is door graaf Floris in het jaar 1271 bevestigd. 34
Er is wel eens verondersteld, dat in deze acte hetzelfde of ongeveer hetzelfde gebied werd uitgegeven als in 1248 aan Hendrik Buffel, temeer daar ook in deze brief het ambacht van Schakerlo is genoemd. Waarschijnlijk is dit niet juist, daar de indruk wordt gewekt, dat de eerste brief op een groter gebied van het latere eiland Tholen betrekking heeft dan de tweede. Het is vrijwel zeker, dat de, uitgiften van 1248 en 1256 slaan op wateren en gronden, die nog ingepolderd moesten worden. Het is in deze streek geheel normaal, als gronden worden uitgegeven, die in feite nog geheel drijvend waren; het kon trouwens moeilijk anders. Even waarschijnlijk is het, dat van die voorgenomen inpolderingen niet veel terecht is gekomen; vrijwel het gehele gebied, in de acte van 1256 begrepen, is in 1410 en 1415 opnieuw aan de heren van Vossemeer ter bedijking uitgegeven. Men zou kunnen veronderstellen, dat dit land tegen het midden van de 13e eeuw inderdaad bedijkt is geworden en later weer verloren gegaan, doch dit kan niet meer dan een veronderstelling blijven.
Het vervolg van de oorkonde van 1256 bewijst, dat de inpoldering het doel of een integrerend onderdeel van de leengeving was. Alaerd ontving eveneens de “uitdijken” (ws. zeedijken) van Schakerlo met vergunning om die, als hij wilde en er bekwaam toe was, verder uit te dijken, van welk land hij dan ook de tienden zou hebben. En ingeval Striene omdijkt werd, zou hij ook daar alle tienden hebben van het land met de “uitdijken” tot aan de Schelde toe. Even tevoren is Striene genoemd naast Greveningen; daar moet de interpretatie van het diep van Strijen worden aanvaard. Waarschijnlijk werd een inpoldering van Coudenoord voorzien, dat blijkens andere gegevens onder Strijen gerekend werd, doch welke dijkage niet is gerealiseerd. Mogelijk doch heel onwaarschijnlijk is, dat de tweede maal Striene bij Poortvliet is bedoeld; de acte geeft geen nadere toelichting, wat in dit geval toch wel nodig was. Het “omdijken” van Striene leek er weer op te wijzen, dat de Striene afgedamd is. Afgezien van de waarschijnlijkheid, dat op de acte van 1256 geen enkele dijkage is gevolgd, is die deductie ook om waterstaatkundige redenen niet juist. Bij de bedijkingen begon men beslist niet met de grote rivieren en kreken; die werden juist vermeden, totdat zij door andere werken zoveel mogelijk aan banden waren gelegd. Hadden de historici zich gerealiseerd, wat het betekent een rivier te sluiten, dan zouden zij deze stelling niet zo lichtvaardig neergeschreven hebben.
In 1273 verklaart Willem, heer van Strijen, dat de heer van Putten en hij hun land tussen Strien en Weede 35 gescheiden hebben. 36 Hier gaat het om het oude land van Strijen, boven het huidige Hollandse Diep gelegen, en is zeker niet een rivier bedoeld.
Een oorkonde van de St. Bernardusabdij van Hemiksem geeft in 1279 een omschrijving van een grondgebied in West Brabant. 37 Dat gebied lag tussen het Dorlichtervenne 38 en de Lede 39 tot Dindelmonde 40; vandaar tot Markemonde 41 en het midden van het water, dat Striene heet; van de Markemonde tot Oversteovermere 42 en het midden van de Mark; vandaar tot Hoeghsten Holterberghe 43en het Dorlichtervenne. Het water van de Striene moet aan de hand van de andere grenspunten opgevat worden als het water van Strijen, derhalve een deel van het Hollandsch Diep. Geplaatst tussen de mond van de Mark en een punt onder Hoeven kan geen in Tholen te situeren rivier zijn bedoeld.
De oorkonde van 1279 is voorafgegaan door een acte van het jaar 1125 44, waarin dezelfde namen voorkomen. In deze brief bevestigde graaf Dirk van Holland de schenking door Fastradus, bijgenaamd Scerebart, aan de abdij van Nieuw-Bethlehem of Oostburg bij Utrecht. De geschonken goederen lagen tussen deze palen: “van de Markemonde tot Overste Overmere, vandaar tot Halreberghe en vandaar tot Thurlichtervenne”. Het blijkt hetzelfde gebied, waar de abdij van St. Bernard in 1279 rechten ontving. Opmerkelijk is, dat in de oudste acte elk raakpunt met Striene ontbreekt, dat die van 1279 wél tussen Markemonde en het Overste Overmere noemt. Zou het lichtvaardig zijn aan te nemen, dat er in 1125 nog geen heerlijkheid Strijen bestond, of op zijn minst, dat het aan Strijen toebehorende of rakende water nog niet met de naam Striene werd aangeduid? Naderhand vernemen wij niets meer van enige bemoeienis van de Utrechtse abdij met dit gebied; misschien had zij dit waterland ter bedijking en cultivatie gekregen, doch is zij in de verwezenlijking ervan niet geslaagd.
Wanneer bij de verdeling van de landen van de graaf van Nassau en de heer van Bergen op Zoom, in 1458 gedaan, 45 de noordgrens van Nassau omschreven wordt, vindt men deze term: “. . . tot int diepe van den watere van der beke van Rosendale. . . . westwairt of noordwestwairt totten halven diepen toe voer Cakeloy, 46 ende van dair alsoe voort langhs den diepen noortwert totten halven diepe van den Appeler ende van dair voort noortwestwairt langhs den diepe van der Dyndel, ende van dair voirt langhs den diepen noortoostwert totten diepen toe, geheijten Volckenracke, ter graaflicheijt toe van Hollant”. Het water van Strijen en het Volkerak blijken identiek te zijn, met dien verstande, dat het diep van Strijen méér omvat heeft.

Chronologisch gezien, lopen de vermeldingen van de twee streken, die Strijen of Strien heetten, al merkwaardig parallel; het was zaak beide plaatsen goed uit elkaar te houden. In het begin van de 14e eeuw krijgen zij gezelschap van een derde Striene. In 1320 gaven de heer en vrouw van Putten en Strijen aan hun “knaap” Willem van Duivenvoorde een goed in pacht, in de heerlijkheid van Breda gelegen: “zulk goed, dat zij hadden in Oosterhout, dat men het goed van Strijene noemt”. 47 Tot dat goed behoorden andere bezittingen in het land van Breda, te Wernhout, in Ulvenhout en op andere plaatsen. Het was afkomstig uit het versterf van de moeder van de vrouw van Putten en Strijen, vrouwe Aleidis. In het jaar 1324 gaven Gwijde van Vlaanderen en Beatrix, heer en vrouw van Putten en Striene, die burcht te Oosterhout in erfpacht aan dezelfde Willem van Duivenvoorde: “ons steenhuis en woning te Oosterhout, dat men het huis van Striene noemt”. 48 In 1326 verklaarde Willem van Wichvliet, dat hij knaap was van de heer van Striene, en dat deze hem het huis te Oosterhout liet bouwen. De beemd, waarop het huis stond, was gekocht van Coppard van Oosterhout. 49 Op 1 januari 1329 nam hertog Jan III van Brabant dit huis in bescherming, “dat men heet dat huys te Striene” 50 Nadien in 1344 en 1354 komt het huis, Striene of Strijen genoemd, nog in de bronnen voor. 51
Terecht is er tussen deze naam van Striene, onder Oosterhout voorkomend en daar om overigens begrijpelijke redenen aan een kasteel van de heer van Strijen gegeven, en de zogenaamde rivier de Striene nimmer enig verband gelegd. Wel zien wij, dat de naam Strijen, Strien of Striene nogal ruim verbreid was. Eerst duidt de naam de oude heerlijkheid aan, het oude land van Strijen; dan wordt hij gebruikt voor een deel van het gebied aan de Brabantse oever. Op het eiland Tholen verschijnt hij als streeknaam en in Oosterhout als naam van een herenhuis. Daartussendoor spelen de gevallen, waar hij een water scheen aan te duiden. Deze naam heeft de historici wél voor de voeten gelopen!

In het jaar 1337 vestigde Andries van Zeelant c.s. ten gunste van de stad Steenbergen een rente, die als bakengeld moest dienen: 52 “En deze voornoemde rente zal jaarlijks “gaan” (bestemd zijn) voor het bakengeld, om daarmede het water te bakenen, dat van Steenbergen noortwaarts gaat tot de Striene toe . . . ” Zelfs hier, waar de tekst “der Strienen” geeft, wat een rivier suggereert, is de conclusie geheel en al misplaatst, dat de veronderstelde Striene is bedoeld. Nog altijd wordt
Het huis Strijen te Oosterhout, ca. 1700. Naar een tekening in bezit van A. Hofkens te Breda.

Het huis Strijen te Oosterhout, ca. 1700. Naar een tekening in bezit van A. Hofkens te Breda.

het water van het land van Strijen aangeduid, het Hollandsch Diep, het Volkerak en in deze tekst speciaal de omgeving van Coudenoord, voorheen tot het land van Strijen behorend. In een oorkonde van 6 november 1368, 53 waarin de schepenen van Steenbergen een verklaring geven over de scheiding tussen het land van Breda en van Bergen op Zoom, spreken zij van het “zoute water, genaamd Strije” De oorkonde zelf is niet bewaard gebleven, doch in inhoud en de opmerkelijke benaming zijn vermeld in een oude inventaris van het jaar 1517. Blijkens de mededeling aldaar: “met nog drie andere certificatiën in papier, dienende op ’t selve”, is deze brief een andere dan de tezelfdertijd afgelegde getuigenverklaringen. Zeer juist is de omschrijving. Het diep van Strijen stond immers in zo nauw contact met de buitenwateren, dat het door de tijdgenoten niet eens als een rivier werd beschouwd, doch als een deel van een zeearm.
Op 5 november 1368 worden voor de schepenbank van Steenbergen getuigenverklaringen afgelegd over de grens tussen het land van heer Jan van Bloys en dat van de heren van Breda en Bergen op Zoom. 54 In feite ging het om de grens tussen het eiland Tholen en West-Brabant. De scheiding liep over de plaats waar de Quarenvliet 55 in de Striene valt, over de noordzijde van de Mynne, 56 het westeinde van Stommelmare 57 en ten westen van de oude Couveringe; 58 tevens wordt uitdrukkelijk vastgesteld, dat Stommelmare binnen de grenzen van Brabant ligt. Anderen getuigden, 59 dat Stommelmare onder het gerecht van Steenbergen hoort en dat het land, gelegen tussen de Quarenvliet, de Mynne en half het diep van Strijen tot Markemonde en Dinlemonde toe, en ook het land van Strijen, Coudenoord geheten, tot Brabant en aan de heren van Breda en Bergen op Zoom behoren. Andere personen verklaren, dat de grens tussen dat stuk van het graafschap Zeeland, dat Hendrik Buffel in leen had, en het gemeenschappelijk land van Breda en Bergen op Zoom liep over Striene, de Quarenvliet, de dijk van de Oude Saeghen, het moer ten zuiden van Doedenshil, 60 de Oude Couveringe, de noordwesthoek van Mattemburg, de Hole Quebbe, die nu Rode Kene heet, de Ewenkene en vandaar langs Heendrecht in de Schelde. Weer anderen zeggen: de grens loopt waar de Quarenvliet in de Striene valt, verder langs de noordzijde van de Dayrop. De noordzijde van Dayrop, weet een ander weer, was van Jan van Henegouwen; de zuidzijde van de heren van Breda en van Bergen op Zoom. Het behoeft geen betoog, dat overal waar van Striene gesproken wordt, het Hollandsch Diep en het Volkerak zijn bedoeld.
Een jaar later, in 1369, worden getuigenverklaringen afgelegd over het tolrecht van de hertog van Brabant. 61 Gehoord worden de schippers van Zandvliet, Oordamme, Lillo en Hildemisse. Hun getuigenis behoeft niet in extenso gegeven te worden, doch hier volstaat een samenvatting van hetgeen zij over de Striene vertellen. De stroom van de hertog gaat van de Eendracht naar Vosvliet, vandaar naar Scherpenisse langs de Mare 62 en van Strien verder naar Valkenberge. 63 Een ander zegt: de stroom van de hertog loopt van de Eendracht tot in de Gewech en vandaar langs de Mare tot de Vosvliet. Een derde zegt het nog duidelijker: langs de Eendracht in de Geweg en verder langs de Mare tot Vossehille toe en voorts op Scherpenisse aan; vandaar naar Heenhille toe en vandaar langs Striene tot Valkenberge. Deze laatste beschrijft de wateren, waarop het Brabantse tolrecht rust, van Scherpenisse naar het oosten toe, waar hij Striene zeer nauwkeurig tussen de Heen (Steenbergen) en Valkenberge situeert.
Opmerkelijk is, dat enkele andere brieven over het tolrecht op de Schelde in het geheel niet van de Striene spreken. In verklaringen van schout en schepenen van Antwerpen van de jaren 1374 64 en 1384 65 zoekt men Striene tevergeefs. Hier gaat het om de vrije vaart en het geleide voor de schippers van Antwerpen op de Schelde. Het valt te begrijpen, als wij in een oorkonde van het jaar 1339 zien, dat de tolvrijheid van Antwerpen begon bij Vosvlietshille en verder liep over Eendrachtmuyden (de mond van de Eendracht), Bergen op Zoom, Borgvliet, Ossendrecht en Zandvliet. 66 De rivier is hier van noord naar zuid beschreven. In het noorden, op de Hollandse wateren, in casu het Hollandsch Diep of het diep van Strijen, kon Antwerpen zich niet beroepen op de vrije Scheldevaart, zelfs als de stad daar een bepaalde tolvrijheid heeft gehad. Had de rivier de Striene werkelijk overeenkomstig de gangbare reconstructie bestaan, dan zou Antwerpen op de vrije vaart aldaar, evenals die over de Eendracht, ongetwijfeld aanspraak hebben gemaakt. Eveneens ontbreekt de Striene in de oorkonden van hertog Jan van het jaar 1296 en van hertog Anthonis van het jaar 1409, waarbij zij aan de stad Steenbergen tolvrijheid verleenden op de Schelde. 67 Zou men daartegenover willen stellen, dat de rivier toen niet meer is genoemd, omdat zij inmiddels verdwenen was, dan wordt de vraag naar exacte gegevens wel heel dringend en moet eindelijk eens worden uitgemaakt, wanneer zij wél en wanneer zij niet meer bestond. De losse bewering, dat zij heeft bestaan maar reeds lang verdwenen is, kan niet worden aanvaard voor de lange periode, waar Striene in de bronnen voorkomt en welke teksten ten onrechte als vermeldingen van de rivier zijn opgevat.
Andere negatieve gegevens kunnen maar weinig meer toevoegen aan de juiste interpretatie van Striene. Toch moet er nog op gewezen worden, dat in Steenbergen, in Tholen en vooral in het archief van de heerlijkheid Vossemeer, waar toch de raakpunten zouden moeten liggen met de rivier de Striene, niets aanwezig is, dat de gangbare opvatting steun verleent. In de tweede uitgifte brief van Vossemeer dd. 9 februari 1415 is aan de heerlijkheid een uitbreiding gegeven. 68 Nadat in 1410 het eerste stuk was uitgegeven en bedijkt, de huidige Oud Vossemeerse Polder, gaf de graaf van Holland aan de heren: “het water van Vosvliet naast het land van den Broek, 69 met uitergorzen, daaraan gelegen; vandaar tot Marlo; 70 vandaar op Greveningen; vandaar tot Strijen; vandaar naar de Vertrisen Vaart; 71 vandaar naar Hazershil 72 langs het diep van de Eendracht tot de Noortkeeten van Tholen en zo rond langs de vrijheid van Vossemeer”. Deze beschrijving begint links boven aan de Oud Vossemeerse Polder, gaat vandaar recht naar het noorden, buigt over Greveningen en het water van Strijen (het Hollandsch Diep) naar het oosten en keert langs het land van Steenbergen naar Vossemeer terug. Ook hier is duidelijk, dat onder Strijen het Volkerak en het Hollandsch Diep begrepen zijn.
Naar aanleiding van deze leengeving ontstond er een geschil tussen de graaf van Holland en de hertog van Brabant over de juiste grensscheiding in dit gebied. Het werd op 8 mei 1415 in deze zin geregeld, dat de graaf van Holland in feite voet bij stuk hield inzake de gronden, die hij aan de heren van Vossemeer had uitgegeven. 73 Hoogstens zijn er enige kleinere correcties toegepast. De graaf van Holland behield als zijn gebied: van Coudenoord tot in de Quarenvliet; Strijen aan de noordzijde, Dayrop Kene aan de zuidzijde. Het land van Breda en van Bergen op Zoom liep van Hazershil naar de Vertrisen Vaart, over de Mynne, de Oestmare en de Zuitmare, aan de zuidzijde van Dayrops Kene “tot aan het land van Strijen, dat de jonker van Gaasbeke toebehoort”.
Coudenoord, dat in deze beschrijvingen een belangrijk punt vormt, was een wad ten noorden van de Heen gelegen. In 1431 getuigden enige personen, 74 dat het een gors was van ongeveer 70 gemeten, op de kant van Strijen gelegen, waar in die tijd veel moer werd gestoken. Het land van de heren van Vossemeer liep tot Geelmisweert op de Sprencvliet; vandaar naar de Rubere en naar een kreek, die tussen Mattemburg en de Heije liep; vandaar naar de Lake; vandaar naar de Mare en zo in de Quarenvliet. Al zijn de genoemde punten niet alle met zekerheid te plaatsen, in grote lijnen is dit dezelfde oostgrens als die in 1415 was vastgesteld en de heerlijkheid Vossemeer later is blijven houden. Hier en daar, bijvoorbeeld in de Heen en in de Heije, is deze grens herzien tengevolge van latere accoorden tussen de heren van Vossemeer en de graaf van Nassau, omdat bij de uitvoering van bepaalde dijkages enige ruilingen van gronden wenselijk waren.
In een geschil over de indijking van gorzen, tussen het land van Vossemeer en dat van Steenbergen gelegen, welk geschil in 1511 geregeld is, 75 wordt de grens van de beide landen in een terminologie gesteld, die dichter bij de huidige namen komt en die door andere gegevens duidelijk is. Zij liep van het diep van Mairlo over Greveningen, Strijen, de Steenbergse Vliet, de Couveringse Vaart, de Vertrise Vaart, Hazershil, de Eendracht en de Noortkeeten van Tholen. Deze acte bevat ondermeer het bewijs, dat Quarenvliet en Steenbergse Vliet identiek zijn, wat niet wil zeggen, dat dit water zich altijd op dezelfde plaats heeft bevonden. In verband met de vroegere acten volgt er uit, dat men vanaf de 12e tot en met de 16e eeuw het diep of het water van Strijen gelocaliseerd heeft, waar wij nu het Volkerak en het Hollandsch Diep onderscheiden. Laten wij het bronnenonderzoek over de Striene eindigen met de vermelding van een typische naamgeving uit het archief van de heerlijkheid. In het jaar 1514 lieten de heren van Vossemeer de polder Voordage herdijken, die daarna de naam van Schuddebeurs kreeg. 76 De rentmeester spreekt enige malen over Strienaars, dijkwerkers van Strijen. Het stuk dijk, dat zij legden, noemt hij Strienaarsdijk. Er blijkt niet, of die dijkwerkers van het land van Strijen kwamen of van Strijen onder Poortvliet. De benaming van Strienaars of Strienaarsdijk heeft de rentmeester voor het gemak gebruikt; zij is niet in een toponiem van Schuddebeurs achtergebleven. Gelukkig maar; anders hadden Van Rheineck Leyssius en Beekman weer een schijnargument gehad voor hun reconstructie van de Striene.
Het Hollandsch Diep heeft deze naam pas vrij laat gekregen. Tot in de 14e eeuw is de hertog van Brabant een deel van de wateren als zijn stroom blijven beschouwen. Toen deze reservering van het recht op het water en de daaraan afgeleide tolrechten en geleide allengs minder betekenis hadden gekregen, en bovendien de territoriale jurisdictie over Brabant door de steeds verder gaande emancipatie van de leenmannen min of meer een fictie geworden was, weiden deze wateren als een Hollandse stroom beschouwd, wat op een zeker tijdstip, misschien met opzet, gepreciseerd werd door Hollandsch Diep. Zelfs verdween het oude onderscheid, dat de grens eigenlijk op de helft van het water lag. Dit proces is aanzienlijk bevorderd in de tijd, dat één vorst tegelijk hertog van Brabant en graaf van Holland was. Toen was er al heel weinig aanleiding tot scherpslijperij. Wat de hertog eventueel te kort kwam, haalde hij wel als graaf van Holland binnen.
Zoals ten zuiden van het land van Strijen dit zijn naam aan het water gegeven heeft, zo is hetzelfde geschied met andere wateren naast Strijen. Ten westen van Oud Strijen werd het water eveneens Striene genoemd. De overgang van
Het landschap langs de Eendracht. Foto: Ad Vermeeren, 1968

Het landschap langs de Eendracht. Foto: Ad Vermeeren, 1968

de wateren van Strijen in de Oude Maas werd Strienemond genoemd, waar een tijdlang een tol gevestigd was. Deze naam heeft de opvatting van Striene als afzonderlijke rivier uiteraard sterk in de hand gewerkt; hij suggereerde dat hier de mond lag van de rivier, die elders een oorsprong moest hebben. Zodoende legde men het begin van de rivier bij Poortvliet; de uitmonding in de Oude Maas. In waterstaatkundig opzicht was dit een absurditeit, daar deze stroom dwars tegen de draad van andere in liep. In dezelfde streek komt de naam voor van Cromstrije of Cromstrien; daarvan werd afgeleid, dat er ook een Kromme Striene zou hebben bestaan: een arm of deel van de Striene, die op haar beurt weer tot afzonderlijke rivier werd uitgeroepen.
Aan de hand van de bronnen is gebleken, dat de naam van het water of de wateren afgeleid is van die der oude heerlijkheid Strijen. Het land of de heerlijkheid vindt men reeds vermeld, vóórdat sprake is van het water of het diep van Strijen. Het is moeilijk aan te nemen, dat met Kromme Striene of Cromstrijen precies het omgekeerde zou zijn gebeurd, namelijk dat het naastaangelegen land de naam van het water zou hebben gekregen. Misschien moet Cromstrijen aldus worden opgevat, dat een deel van de oude heerlijkheid een kromleen is geweest of geworden; mogelijk is ook, dat de naam gewoon afgeleid is van een grillig gevormd onderdeel van Strijen. Het water, daarbij behorend of daar tegenaan gelegen, kreeg ook die naam.
Het waterschap Oud Vossemeer met de onderscheiden polders. Naar een kaart van A. Hollestelle.

Het waterschap Oud Vossemeer met de onderscheiden polders. Naar een kaart van A. Hollestelle.

Deze wateren van Strijen hebben de tijdgenoten niet als één doorlopende rivier beschouwd, zelfs als zij onderling verbonden waren. Het is trouwens de vraag, of zij ooit op de gedachte zijn gekomen dit te doen. Het is beslist geen opzet van hun kant geweest, dat zij bij Striene het woord rivier stelselmatig vermeden schijnen te hebben, al valt het nu beslist op. Het zou hun even raar in de oren geklonken te hebben als ons de rivier Volkerak. Daarom was het al geheel onjuist haar “loop” als één doorlopende rivier te reconstrueren. Volkomen uit de lucht gegrepen is de reconstructie, die de Striene laat beginnen ten zuiden of zuidoosten van Poortvliet. Er bestaat geen enkele tekst, waaruit afgeleid kan worden, dat op de wateren tussen het zuiden van het eiland Tholen en het noordwesten van Steenbergen de naam Striene ooit van toepassing is geweest. Het volkomen negatieve resultaat van de bodemkartering verzet er zich radicaal tegen, dat een of andere tekst over Striene met de haren naar Tholen kan worden gesleept.
De voortzetting van het Hollandsch Diep naar het westen is onder een veelheid van namen bekend. Op kaarten van de 16e en 17e eeuw wordt het water nog het diep van Strijen genoemd. Er is zelfs een onderscheid gemaakt tussen Lange Striene, het brede water tussen Steenbergen en Zevenbergen, en Korte Striene, een water tegen Overflakkee aan. Daarnaast vindt men in hetzelfde complex: Corte Grevelingen; verder naar het westen Grevelingen, tussen Overflakkee en Brouwershaven. Flackee heet op een 17e-eeuwse kaart het water boven Overflakkee. Beningen wordt het genoemd tegen de kust van Zuid-Holland; iets verder Beneden-Vliet. Roovaart heette het Hollandsch Diep tussen Strijen en Zevenbergen. De wateren tussen Overflakkee en de Heen worden Krammer genoemd; Volkerak tussen Willemstad en Overflakkee. Tussen Tholen en St. Philipsland ligt de Mosselkreek; de Zijpe tussen St. Philipsland en Duiveland; het Slaak tussen St. Philipsland en Steenbergen. Is dit dezelfde plaats als het oude Maarlo, of moet dit misschien de lokale bronnen vindt men veel meer waternamen, die zelfs niet met zekerheid naar hun juiste plaats terug te voeren zijn. Uit deze veelheid van namen in dit watergebied blijkt wel heel duidelijk, dat men bij deze naamgeving geenszins aan afzonderlijke rivieren heeft gedacht.
Vraagt men zich af, waarom zoveel verschillende namen gegeven zijn aan wat ons toch als één water voorkomt, dan kan een redelijk antwoord verkregen worden uit de verlanding. Een plaats in de zee krijgt pas door bijzondere omstandigheden een naam, bijvoorbeeld als zij geschikt is als viswater, als er zich ondiepten bevinden, die door de schippers te mijden zijn, of als er zich gorzen hebben gevormd, die al te gebruiken zijn. Het is een normaal verschijnsel, dat de mens namen geeft aan plaatsen, waar hij eens is geweest en denkt terug te komen. Toen de namen eenmaal vastlagen, werden nieuwe gegeven aan plaatsen en wateren, die bij de verdergaande verlanding vrij kwamen. Merkwaardig is immers, dat deze veelheid van namen enkel voorkomt in het laagland, waar de verlanding en de naamgeving hand in hand zijn gegaan, zodat er wel een causaal verband tussen beide mag worden aangenomen.
Het voorgaande kan aldus worden samengevat: Een rivier de Striene, zoals die geconstrueerd werd door Van Rheineck Leyssius en Beekmans, heeft nooit bestaan. Als het diep of het water van Strijen of Striene wordt vermeld, als rakend aan Brabant, is een deel van het Hollandsch Diep bedoeld. Sommige teksten wijzen duidelijk de identiteit aan van het ‘diep van Strijen’ met het Hollandsch Diep. De naam Striene is gebruikt voor het gehele water vanaf het noorden van de Heen onder Steenbergen tot en met het land van Zevenbergen. Op westelijker gelegen wateren is de naam niet van toepassing geweest. Zeer in het bijzonder moet de opvatting verworpen worden, die een deel van de zogenaamde Striene tussen het eiland Tholen en West Brabant plaatste. Andere gevolgtrekkingen, voortgekomen uit de foutieve locatie van Striene en de veronderstelling van een rivier, die niet heeft bestaan, gaan het bestek van dit boek te buiten, doch dienen nodig herzien te worden.
OUD VOSSEMEER
34. OUD VOSSEMEERSE POLDER, 1411
Het is aan geen enkele twijfel onderhevig, dat deze polder het eerst is ingedijkt. De uitgiftebrief van 1410 laat niet veel grond open voor de wel eens gelanceerde veronderstelling, dat dit oudste deel van de heerlijkheid mogelijk van vóór de 15e eeuw kan zijn.
Elders hebben wij gezien, dat het land van Vossemeer al vóór zijn uitgifte bepaalde vruchten opleverde voor de graaf van Holland. Deze polder is uit een rijp schor gewonnen en niet in de volle zee bedijkt, wat in deze periode al voor de hand ligt. Hollestelle 1 heeft terecht en juist gereconstrueerd, dat deze polder een dijkage vormt tegen de polders Dalem, Nieuwland, Puit, Peuke, Vijftienhonderd Gemeten, Rooland en Broek, en dat hij derhalve pas gevormd kan zijn, nadat deze inpolderingen een feit waren. De Dalempolder is rond 1375 ingedijkt. Tegen de Dalempolder zijn de gronden van het Nieuwland gewonnen; enige jaren daarna zijn tegen het Nieuwland achtereenvolgens de Peuke- en de Puitpolder afgebakend. Na de dijkage van de Peukepolder is waarschijnlijk een tijdsruimte van 10 jaren nodig geweest, alvorens de Oud Vossemeerse Polder ontgonnen kon worden. Dit komt zeer goed overeen met de tijd, dat de graaf van Holland een rijp gors ter bedijking uitgaf.
In 1410 verkocht hertog Willem van Beieren, graaf van Holland, aan de 6 heren van Vossemeer het land “benoorden der Tholen binnen de mercken van de Noortketen, die staan op ten dijck van de Dalemse polder, overcomende aen Hasers Hille, van daenen in de Kercke Kamere, streckende lijnrecht door Vosvliet aen ’t nyeuwenlandt van den Brouck”, welk land zij als een ambachtsheerlijkheid zullen bezitten. Dit waterland moet al in 1399 een zekere verlanding hebben gehad, als het in een acte Vosvliethille wordt genoemd. 2
Even verder zegt de oorkonde van de uitgifte: “ende prouffyte, die daer aff coemen sullen metten middeldijken, die nu zeedijcken sijn, ende dat daer off comen sall, ende met der heerlickhede van den dijck van den Brouck met sijne toebehoirten strekkende van den heerlichheyt van Vossemaer tot Catteweel toe”. Uit dit laatste trekt Hollestelle de conclusie, dat de heren van Vossemeer ook de zeedijken kregen van de Tholense polders, die na hun inpoldering tot binnendijk vervielen. Deze dijken, oorspronkelijk aangelegd als buitenwaterkering, behoren inderdaad niet tot de polders van Tholen. Ook het gedeelte van de dijk van de Broekpolder, liggend vóór de nieuwe dijkages en dat misschien tot deze polder behoorde, werd door de graaf aan het nieuwe ambacht toegevoegd. Dit gedeelte strekte zich uit tot aan de Catteweel, dat de polder Broek en Rooland scheidt.
De passage van de oorkonde is evenwel voor een andere uitleg vatbaar. Wellicht heeft de graaf van Holland hiermede willen bepalen, dat de heren van Vossemeer recht hadden op een uitkering van de achterliggende polders om het feit, dat de zeedijk, omsloten door het gebied van Vossemeer, vanaf (de niet meer vermelde) Noortketen tot aan de Cattenweel toe, nu slaper werd, wat in feite een hele zorg minder was en sterk kostenbesparend werkte voor een aldus beschermde polder. Geheel normaal was het, dat een polder aanzienlijk bijdroeg in de bedijkingskosten van vóórliggend nieuwland. Dit wordt enigszins benadrukt door het feit, dat de oorkonde van “prouffijte” spreekt, niet van bezit of eigendom. Een en ander sluit niet uit, dat de heren van Vossemeer op een later tijdstip deze slaperdijken geheel in onderhoud en beheer (gevolgd door eigendom) hebben overgenomen.
Voorbereidingen tot het herstel van een dijkdoorbraak. Gravure uit de collectie van De Atlas van Stolk te Rotterdam.

Voorbereidingen to t het herstel van een dijkdoorbraak. Gravure uit de collectie van De Atlas van Stolk te Rotterdam.

De dijk van de polder is ongeveer 6400 meter lang. Een groot deel van de vroegere kreek, de Vosvliet, die voorheen de vrije wateren van noord en zuid verbond, was door de dijk afgesloten. Blijkens de gesteldheid van het daarin aangelegde dijkvak heeft de afdamming van dit water niet veel bezwaren opgeleverd; ter plaatse zijn geen verzakkingen van de dijk te bespeuren. Bij de aanleg van de Kerkpolder werden 2920 meter van de eerste dijk tot slaper gedegradeerd; het overige deel is pas bij de inpolderingen van Slabbecorn en Oud Kijkuit binnendijk geworden. Uit de oudste rekening, die bewaard is gebleven (1491/92), blijkt dat de dijk van deze polder heden ten dage nog zijn oude beloop heeft. Bij het verhuur van de dijken werd hij in stukken omschreven en verpacht: van de Dalemse polder tot aan de dijk van Nieuwland; van Nieuwland tot aan de Kruisweg (huidige Groeneweg); van de Kruisweg tot aan de Puit; van de Puit tot aan de Kerkweg (huidige Molenweg); van de Kerkweg tot aan de Puddicke (Peuke); de dijk van de Peuke; van de Vijftienhonderd Gemeten tot aan Jacob Huge; vandaar tot aan de Rolandspolder; vandaar tot aan de Vossemeerseweg (vermoedelijk Rollandse weg); vandaar tot aan de Broekpolder toe.
Kort na de eerste dijkage van Vossemeer werd de polder door de St. Elisabethsvloed van het jaar 1421 overstroomd. Blijkens een brief van hertog Jan van Beieren van 21 januari 1422 is aan de heren van Vossemeer vergunning verleend, om hun land wederom te bedijken, waartoe de benodigde grond en zoden gestoken mochten worden uit de gorzen van Beoosterschelde. 3 Ook bij de zogenaamde St. Leonardsvloed van 1530 is de polder overstroomd; de resolutie der heren van 1531 spreekt over een regeling van de pacht der korentiende.
Door de vloed van 26 januari 1682 brak de polder in; zijn waterkering werd bij deze gelegenheid dermate zwaar beschadigd, dat een hoog dijkschot omgeslagen moest worden voor de dekking der kosten. De doorbraak ontstond tegenover de Langeweg.
In maart 1715 drong de zee door een bij “Den Laatsten Stuiver” ontstane dijkbreuk naar binnen. De schade was groot, alle gezaai was verloren gegaan. Bovendien moesten de ingelanden belangrijke sommen opbrengen voor het herstel van de dijken van Slabbecorne.
Even erg was de stormvloed van 1 januari 1721. De polder van Oud Kijkuit was geheel volgestroomd; het erin opgestuwde water beukte zozeer de zeedijk van de Oud Vossemeerse Polder, dat deze slechts met de grootste moeite behouden kon worden, onder andere door het spannen van zeilen op de bedreigde plaatsen. Daar de polder van Slabbecorne zwak was, besloten de ingelanden en heren de dijk van Oud Vossemeer te versterken.
Vóór de verdere bedijkingen had de polder een zeesluis voor de afwatering. Zij wordt gezegd aan “De Mare” gelegen te hebben. Zijn oppervlakte besloeg in 1479 1190 gemeten dijkland en 384 gemeten vroonland. Later bedroeg de oppervlakte 1240 gemeten schotbaar land en 450 gemeten vroonland. Het meerdere van de latere opgave, ruim 100 gemeten, is vermoedelijk bijgewonnen door het effenen en cultiveren van voormalige kreken en geulen en andere slechte partijen grond.


35. KERKEPOLDER, ca 1545
De gorzen, die de Kerkpolder hebben opgeleverd, lagen tegen de dijk van de Oud Vossemeerse Polder. Van de Broekpolder waren zij gescheiden door de Vosvliet, doch overigens waren er geen belangrijke geulen of kreken aanwezig. Zelfs de Kerkamer (waarschijnlijk te lezen als Kerk-Amer), een vliet, waardoor de buitengronden aanvankelijk nog van Oud Vossemeer gescheiden waren, was in het begin van de 15e eeuw reeds tot een ondiepe geul verland, die voor de dijkage geen bijzondere moeilijkheden heeft opgeleverd.
In de eerste uitgiftebrief van 1410 was niet méér omschreven en aan de heren uitgegeven dan het grondgebied van de Oud Vossemeerse Polder. In de brief van 9 februari 1415 is een veel groter gebied genoemd, zodat deze oorkonde met recht als de grondslag mag worden beschouwd van de latere uitgestrektheid van de heerlijkheid. Het spreekt vanzelf, dat de uitgifte niet inhield, dat dit land ineens bedijkt moest worden. De heren kregen: “ ’t Water van Vosvliet naast den lande van den Broucke ende den uitgorsen daaraan gelegen; vandaar naar Marlo; van Marlo naar Greveningen; vandaar naar Greven; vandaar naar Strijen; vandaar de Vliet langs naar de Couveringse Vaart; vandaar naar Vertijsen Vaart en vandaar voor de Hazershille om langs het diep van de Eendracht tot de Noortkeeten van Tholen en zo voorts langs de vrijheid van Vossemeer... ”. Dit gebied valt, met uitzondering van het later aan het ambacht gekomen Vrijberghe, vrijwel geheel samen met de ons bekende uitgestrektheid van de heerlijkheid.
Hollestelle meent, dat ná 1411 de eerstvolgende bedijking pas in 1433 is geschied; dit leidt hij af uit de bekende brief van Gillis van Wissenkerke van het jaar 1433 . Dit is niet juist. Op 1 maart 1415 gaven de deken en het kapittel van St. Marie in den Haag vidimus (authentiek afschrift) van de eerste uitgiftebrief van hertog Willem uit het jaar 1410. Zou men er zich over verwonderen, dat men in Vossemeer het eerste en belangrijkste stuk van de heerlijkheid al niet meer in bezit had, dan is die verwondering misplaatst. Van de eerste brief waren 6 eensluidende afschriften gemaakt, die aan ieder van de 6 eerste heren waren uitgereikt. Waarschijnlijk had de grafelijke kanselarij ook een minuut of grosse bewaard. De 6 grossen behoorden tot het persoonlijk bezit of archief van de heren, zodat de rentmeester van Vossemeer zich in 1415 realiseerde, dat het ambacht zelf in feite geen eerste uitgiftebrief had. Dit deed zich als een werkelijk gemis voelen, toen die eerste uitgifte van 1410 door een grotere werd gevolgd, veel breder van opzet en strekking; de tweede oorkonde verwijst trouwens naar de eerste; zij vormt er een zodanig vervolg op, dat de tekst van de eerste niet gemist kon worden. Hierom werd in Den Haag een vidimus gevraagd. Dit toont aan, dat de heren van Vossemeer de tweede uitgifte hebben aanvaard en dat zij er door een bedijking misschien een begin van uitvoering aan gegeven hebben. De tweede polder van Vossemeer is overigens pas lang na 1433 definitief tot stand gekomen.
Kort na de uitgifte protesteerden de hertog van Brabant en de heren van Nassau en van Bergen op Zoom tegen wat zij noemden de aantasting van hun gebieden. Op 8 mei 1415 waren zij met de graaf van Holland reeds in zoverre tot overeenstemming gekomen, dat de wederzijdse grenzen werden vastgesteld. De graaf van Holland behield het gebied: van Vosvliet oostwaarts op lange Striene tot Hencxwairt toe; vandaar langs de Vliet tot Lijsendijck; vandaar zuidwaarts langs de Couveringse Vaart tot de Struuckreeke; vandaar westwaarts langs de Heije tot voorbij Mattemburg; vandaar oostwaarts tot Hazershil; vandaar naar de Eendracht. Tevens zou hij hebben; van Couwenoirde tot in de Quarenvliet; Strijen aan de noordzijde; Dayrop Kene aan de zuidzijde. Vanzelfsprekend zijn de zuidelijke delen van de heerlijkheid van Vossemeer in deze limietscheiding niet genoemd, omdat daarover geen kwestie was. Al zijn niet alle toponiemen met volledige zekerheid te plaatsen, toch geven de latere ontwikkelingen voldoende aan, welk gebied er bedoeld was.
Op 17 juni 1433 gaf Gillis van Wissenkerke, regent van het land van Vossemeer, enige gorzen ter bedijking uit, “zoveel als het de bedijkers believen zal”. De reeds gebruikelijke voorwaarden werden vastgesteld, o.a. dat dit nieuwe land onder het gerecht en de heerlijkheid van Vossemeer behoorde. Pieter van Botland, ook regent van het land, bezegelde de brief mede. Hierin ziet men al de aanzet van een raad van beheer, die voor en namens de overige heren de lopende zaken behandelt. Deze brief heeft men wel eens opgevat als de oprichting en regeling van het bestuur van Vossemeer, omdat hij nogal uitvoerig ingaat op diverse zaken van bestuurlijke aard, die voorheen nog niet geregeld schenen te zijn, waarvan althans geen stukken aanwezig zijn. De oorkonde is echter gezegeld met het zegel van de heren en van vier schepenen van Vossemeer, waaruit afdoende blijkt, dat in 1433 geen bestuur is ingesteld, doch dat dit al langer bestond en fungeerde. De voorgenomen inpoldering moest half maart 1434 voltooid zijn.
Het staat als vrijwel zeker vast, dat de polder pas omstreeks 1450 is ingedijkt, ofschoon zijn grond al in 1415 was uitgegeven en de brief van Gillis van Wissenkerke in 1433 zijn dijkage had voorzien. Wat de oorzaak is geweest van dit lange uitstel, valt moeilijk met zekerheid te zeggen. Mogelijk hebben de Hoekse en Kabeljauwse twisten, waarin sommige heren van Vossemeer ijverig hun partij geblazen hebben, een tijdlang de aandacht en de energie opgeëist. De Oud Vossemeerse Polder is in 1421 verloren gegaan; waarschijnlijk heeft het herstel van deze polder lang geduurd. Doch zelfs na 1433 is nog niet terstond aan een tweede polder begonnen. In 1450 gaf de graaf van Holland aan de heren van Vossemeer verlof, om de misdadigers in een van zijn gevangenissen te doen opsluiten, omdat zijzelf wegens “de pas voltooide dijkage” nog geen geschikte plaats hadden. 1 Dit wordt nader bevestigd door verschillende schepenbrieven uit het archief der familie Van Bleiswijck. 2 Jacob van Bleiswijck kocht verschillende percelen land aan; in 1451 6 gemeten in “Nieuw Vosmaer”. Blijkens de omschrijving lag dit land in de Kerkpolder, die deze naam nog niet had. In 1457 kocht hij een huis aan de Kerkstraat gelegen. De naam van Kerkpolder verschijnt voor het eerst in een acte van 1461. In 1461 verkocht hij aan zijn zwager Jan Willems zoon een perceel land, gelegen in “Clein Vosmaer” bij Tholen. Klein Vossemeer werd de omgeving van het Botshoofd genoemd, waar zich blijkens deze acte reeds een buurtschap had ontwikkeld. In 1467 verkocht Poyen Heynentszoon aan Jacob een “spade” land, gelegen in de Kerkpolder, waar Poyen dat bedijkt had. In 1469 kocht Jacob nog enige percelen; dan is de naam Kerkpolder vast ingeburgerd. De stichting van het dorp en de kerk heeft derhalve tussen 1450 en 1457 plaats gevonden. Het dorp ligt vrijwel in het midden van de Kerkpolder. Combineert men al deze gegevens, dan kan de dijkage van de Kerkpolder omstreeks 1450 gesteld worden.
De dijk van de polder heeft een lengte van 3790 meter. Hij is nog overal aanwezig, doch is minder zwaar dan die van de Oud Vossemeerse Polder. Waarschijnlijk behoefde hij niet zo zwaar te zijn, omdat na zijn aanleg nog een brede strook slikgrond overbleef, spoedig in rijpe gorzen herschapen, waarvan de inpoldering al werd voorzien. Kort nadien immers is de Kerkpolder ingesloten geworden door de Onze Lieve Vrouwepolder (de latere Hikke), Oud Kijkuit, Leguit en Vogelenzang. Vanouds werd de Kerkpolder verdeeld in 6 hoeken, die nu nog afgebakend door de wegen in het landschap te zien zijn. Bij de verpachtingen van de tienden worden zij regelmatig in rekeningen genoemd, de eerste maal in 1492. De Westhoek, die men de Mare noemde, lag van Broekland af tot de eerste weg. Daarnaast, in het noorden, lag de Welhoek. Recht onder deze langs de Oude Dijk, “waar de molen op staat”, de Moelhoek of Molenhoek. In de rekening wordt de Creeckhoek genoemd van de weg van Jacob van Bleiswijck tot de Kerkweg, later bekend als de Stelhoek. De laatste naar het oosten is de Gantelhoek en die daarboven heette het Bonenblok.
Tengevolge van het overstromen van de O.L.Vrouwepolder in 1530, die tot 1561 drijven bleef, moest de dijk van de Kerkpolder verzwaard worden. Bij deze stormramp bleef de polder zelf onaangetast. De vloed van 1682 brak wel door de dijken heen; nu was de Hikkepolder volgelopen; het water viel de dijk van de Kerkpolder dermate hevig aan, dat hij op de plaats van de voormalige Vosvliet over een lengte van 100 meter bezweek. Voor de bedijking werd buiten de ontstane kolk om, op grond van de Hikkepolder een afsluitdijk gelegd. Het werk bracht bijzondere moeilijkheden met zich mee, omdat de Hikkepolder nog altijd overstroomd was. Deze bekading van de Zoeteweel vorderde een hoge som.
Ook in 1721 is de polder overstroomd. Nu was een nooddijk om de sluis van Oud Kijkuit bezweken, welke sluis werd vernieuwd. Toen het water in Oud Kijkuit bovendien nog door een hevige storm werd opgestuwd, stortte het zich overal, doch vooral tegenover de Koentjesweg de polder in. Daar ontstond een wijde inbraak, zodat de Kerkpolder met de voorpolders overstroomden. Men slaagde er evenwel in, de ontstane opening spoedig te dichten en na verloop van slechts enkele weken waren de polder en het dorp van het zoute water bevrijd. In 1479 bedroeg de oppervlakte van de Kerkpolder 394 gemeten schotbaar land en 69 gemeten vroonland; in 1682 mat hij 495 gemeten dijkland en ruim 83 gemeten vroonland.

36. OUD KIJKUIT, ca. 1450
Tussen de Kerkpolder en Slabbecorn is een dijkage uitgevoerd, waarvan het juiste bedijkingsjaar niet bekend is. Het is wel waarschijnlijk, dat deze drooglegging het eerst op de twee voorafgaande is gevolgd, doch volstrekte zekerheid hieromtrent bestaat niet, daar het zeer wel mogelijk is, dat een gors tussen twee bedijkingen nog enige tijd is blijven liggen. Met enig voorbehoud mag deze inpoldering rond het midden van de 15e eeuw gesteld worden. Zeker is, dat de polder in het jaar 1479 bestond. Hij werd aanvankelijk Kijkuit genoemd. Nadien, toen aan de overkant van het water een polder onder dezelfde naam was ontstaan, is hij Oud Kijkuit genoemd, in tegenstelling tot die over de Eendracht, die Kijkuit aan Brabant of Nieuw Kijkuit heette. In deze naamgeving is men niet altijd consequent geweest. In 1511 spreekt een resolutie van de heren toch van “de Oude Kijkuit over ’t water gelegen aan Brabant”. 1 Een grafelijke rekening van 1513 noemt hem Klein Kijkuit. 2 Enige malen komt men in het archief de naam van Seguit, Sichuit en Suguit; 3 uit de samenhang blijkt dan duidelijk, dat toch Oud Kijkuit is bedoeld.
De naamsverklaring is in feite vrij simpel, al moet vooropgesteld worden, dat een voor de hand liggende verklaring persé niet altijd de juiste is. De naam moet waarschijnlijk letterlijk worden opgevat als “Kijk uit”, d.w.z. dat de dijkage om redenen van topografische aard moeilijk en gevaarlijk was. Bij de naamgeving kan ook de bijgedachte hebben meegesproken, dat deze polder een bescherming, een wachtpost, een “kijkuit” was voor de achterliggende polders. In de andere naam van Seguit of Sichuit moet wellicht dezelfde betekenis worden gezien. Van “Zie uit” heeft de volksmond Sichuit gemaakt.
Merkwaardig is een passage uit de resolutie van 1497. Als de heren een regeling treffen over het tarief van het veer aan het Botshoofd, wordt gezegd dat dit ligt tussen de “twee nieuwe landen van Kijkuit”. Kennelijk zijn hier Oud en Nieuw Kijkuit bedoeld. Even verder zegt de resolutie, dat de pachter van het veer een bepaalde som zal krijgen van elke haardstede in Nieuw Kijkuit. Naar alle schijn bestond de polder van Oud Kijkuit al langer; toch wordt hij nog nieuwland genoemd. Het is niet onmogelijk, dat beide dijkages een nauwer verband hebben dan ons nu uit de stukken blijkt.
In hoofdzaak ligt de dijk van deze polder nog precies als bij zijn eerste aanleg. Bij de dijkage zijn rijpe gorzen of hoog gelegen slikgronden ontgonnen. De opgeworpen waterkering was 2507 meter lang en sloot twee belangrijke kreken of vlieten af, die in het landschap nog te zien zijn. Bij de latere dijkages van Leguit en het Karnemelkland werd de Oude Kijkuit binnenpolder.
Een niet altijd duidelijke beschrijving van de dijk treffen wij aan in de rekening van 1491/92. Bij de verhuringen van de dijken worden deze delen opgesomd: van de dijk aan “Cleyn Vossemar” (omgeving van het Botshoofd) tot de sluis van Kijkuit; vandaar tot het land van Antonis Janssen van Wissenkerke; vandaar naar de Kerkepoldersedijk toe; de zeedijk van Leguit tot aan het land van Antonis Janssen; vandaar tot aan de dijk van de Kerkpolder. Deze beschrijving begint vermoedelijk in de noordwesthoek van de polder, en loopt rechtsom langs de dijk. Zij loopt niet de gehele polder rond, daar de andere stukken dijk onder de Oud Vossemeerse Polder of de Kerkpolder werden verpacht.
Ook deze polder is niet ontsnapt aan de watervloeden. Volgens de rekening van de landmeesters heeft hij omstreeks 1505 enkele jaren geen profijt gegeven. Door de overstroming van 1509 moet hij wel beschadigd zijn, want in 1512 werd begonnen met het verhogen van de zeedijken en het maken van nieuwe opritten. 4 De rekening van dit werk is nog in het archief aanwezig; zij bestaat uit slechts één blad. Doch dit zegt weinig, daar het in die periode meermalen voorkomt, dat een belangrijk waterstaatkundig werk in de rekening met één zeer summiere post wordt afgedaan. Bij de watersnood van 1530 is de polder ook verloren gegaan, doch in 1531 weer drooggelegd. In de rekeningen wordt hij onderscheiden in een Oosteinde en een Westeinde.
De rekening van 1512 is afgelegd voor de baljuw, de schepenen en de ingelanden, terwijl de rentmeester van de heren van Vossemeer er slechts als toehoorder bij was. Dit is weer een opmerkelijk teken van het beleid van de heren van Vossemeer, die de polders aan een eigen bestuur overlieten, nadat zij ze hadden drooggelegd. In 1682 leed de polder grote schade doordat het water vanuit de overstroomde Slabbecorn binnendrong. Het herstel van de binnendijk vorderde weliswaar geen grote uitgaven, doch er was schade toegebracht aan de landerijen en veldvruchten, die vrijwel geheel verloren gingen.
Een nieuwe slag trof de polder in 1715, toen de zwakke dijk van Slabbecorn andermaal bezweek. Aanvankelijk stroomde het water over de Nieuwendijk heen, totdat deze brak. De vernieling aan de waterkering was niet aanzienlijk, doch ook ditmaal was de schade aan de landerijen en de gewassen veel erger.
Een der zwaarste overstromingen, deze polder overkomen, was die van 1720. In de zomer van dit jaar vond een vernieuwing van de zeesluis plaats. Door verschillende oorzaken was dit werk vertraagd, zodat het niet klaar was toen de winter inviel. De veiligheid van de polder hing geheel af van een nooddijk of vingerling, die voor de drooglegging van de sluisput was gelegd. De nooddijk hield het niet uit; het water sleurde de nog niet voltooide sluis met zich mee. Door het in- en uitstromende water werd de doorbraak elke dag breder en dieper. Met de winter voor de deur vond het polderbestuur het niet raadzaam met de herdijking en het leggen van een nieuwe sluis te beginnen. Op korte tijd kreeg de polder het aanzien van een met geulen doorsneden moeras.
Op 10 april 1721 werd de herdijking aanbesteed. Eerst moest een afsluitingskade gemaakt worden vóór de doorbraak; dit werk was om de zware getijstromen moeilijk en gevaarlijk. Tijdens het werk traden gelukkig geen nieuwe verzakkingen en doorbraken op, zodat de nieuwe dijk en de sluis tegen het einde van de zomer voltooid waren. Het zeewater had de polder een half jaar lang bedekt; door het vrije spel van de getijden was veel goede teelaarde weggevoerd. Kostbaar is het herstel geweest.
De oppervlakte van de polder bedroeg in 1479 127 gemeten schotbaar land en 32 gemeten vroonland; in 1508 134,5 gemeten. 5 In 1541 wordt nog dezelfde maat van 127 gemeten vermeld. 6 In 1561 worden ruim 133 gemeten opgegeven. Kort vóór de ramp van 1682 besloeg de polder 170 gemeten, wat vrij goed overeenstemt met zijn huidige grootte. Dit toont aan, dat Oud Kijkuit niet of nauwelijks van zijn oorspronkelijke bedijking is afgeweken. De grond van de polder bestaat uit middelmatig zware klei.

37. HIKKEPOLDER of O.L.VROUWEPOLDER, ca. 1470, herdijkt in 1561
De gronden van deze polder zijn grotendeels in of langs de oude Vosvliet opgekomen. Na de afdamming van dit water bij de Zoeteweel is spoedig de verlanding van de onbedijkte landen vóór de Oud Vossemeerse Polder en de Kerkpolder begonnen. Langs de dijk van de Broekpolder en in noordelijke richting tot in het oude Maarlo is de vroegere vliet in het landschap nog duidelijk te zien. Ook een zijtak van de vliet, noordoostwaarts naar de Eendracht lopend, is nog te onderscheiden. De geul van de noordelijke uitloop van de Vosvliet diende zelfs tot in het laatst van de vorige eeuw als grens tussen de heerlijkheden van Vossemeer en die van Vrijberghe. Van de eerste bedijking is weinig bekend. In het jaar 1431 is sprake van een Hickevliet. 1 In een getuigenverklaring wordt gezegd, dat tussen Dobbelaershil en de Hickevliet een gors ligt, Jans Land geheten, dat door de heren van Vossemeer als schapenweide werd verpacht. Op de Hicke lagen al meerdere “moerdijken”; hiervoor werd betaald aan de rentmeester van Vossemeer. 2 De poorters van Reimerswaal hadden er een grote moerdijk. 3 Meester Pieter Coxzoon had er een “vletting” op de noordzijde van de Hicke. 4 Hieruit blijkt wel, dat het gors al vrij intensief werd gebruikt voordat het bewinterdijkt was. Vermoedelijk is er veel turf en daring gestoken.
Samen met Kijkuit over het water en het Karnemelkland is de Hikkepolder in october 1511 bereden. 6 Dit tijdstip ligt wel vrij lang ná de inpoldering, doch het berijden door de graaf van Holland is in Vossemeer meermalen lang na de eerste dijkage geschied. De eerste zeven jaren zou het nieuwe land vrij van schot en bede zijn. In 1511 ging de polder in de St. Nicasiusvloed verloren; kort daarna viel een tweede overstroming voor. Pas in 1513 leverde hij weer vruchten op. Volgens dezelfde bron omvatte Hikke 458 gemeten. In 1508 waren 478 gemeten opgegeven. 7 In 1510 of 1511 is de kapel op de dijk tussen de Hikke en de Broekpolder hersteld. 8 Er werd een nieuw beeld van O.L.Vrouw geplaatst. Misschien is de naam van Onze Vrouwenpolder van de kapel afgeleid.
Vóór de inpoldering was de naam van Hikke al in gebruik. Later blijkt de nieuwe polder O.L.Vrouwepolder te hebben geheten. Hij ging in 1530 verloren. Bij de herdijking in 1561 is de laatste naam in onbruik geraakt en ging de naam van Hikkepolder overheersen. In een stuk van 1494 spreken de heren zelf van de Hikke, alias Onze Vrouwenpolder. 5
In 1494 handelen de resoluties 9 over de “nieuwe landen”, waaronder zij de Hikke en Kijkuit (in Brabant) verstaan. Deze term wordt meestal gebruikt voor kortelings drooggelegde landen. Kijkuit in Brabant is in 1488 ingedijkt; daar klopt de term van nieuwland in 1494 nog goed. Ook blijkt dat rond hetzelfde tijdstip diverse zaken in verband met de Hikke geregeld worden. De heren besluiten, dat de visserij er verpacht zal worden voor eenzelfde termijn als in de andere polders. 10 Er wordt een veer aan de Hikke ontworpen, 11 dat echter niet terstond in werking komt, omdat er geen pachter voor te vinden was. 12 De Hikke zal bestuurd worden door de baljuw, schout en schepenen van Vossemeer. 13 De tienden, die al enige jaren verhuurd waren, moet de rentmeester in twee percelen verpachten; 14 naar de oost- en westzijde van de weg. Wel staat hier bij “na ouwe costuyme”, wat er op wijst, dat de tienden al veel langer zo verpacht werden. In hetzelfde jaar besluiten de heren, dat de baljuw en de schepenen de dijk van de Hikke “ten scherpste” moeten schouwen; als er klachten of schade komen, zal deze op hen persoonlijk verhaald worden. Deze opdracht wordt enkele jaren nadien herhaald. 15 In 1498 blijkt er nog moernering in de polder te zijn; 16 waarschijnlijk was hij nog niet geheel in cultuur gebracht. Later beslissen de heren, dat in het onderhoud van de wetering door de Hikke die van Vossemeer 2/3 en die van de Broekpolder en het Rooland 1/3 moeten betalen. 17
Bij de St. Leonardsvloed van 1530 is de polder geheel verloren gegaan. Met de pachters van de visserij werd een accoord gesloten, toen zij onder ede verklaard hadden geen profijten uit de Hikke te hebben gehad. 18 Enige jaren tevoren hadden de heren een vrij ernstig gebrek aan de dijk geconstateerd. 19 Toen zij dit op de scheiding van Vrijberghe wilden herstellen, protesteerden de heren van Vrijberghe fel, omdat de dijk op hun grond kwam te liggen. De ruzie liep zo hoog, dat op een gegeven ogenblik in de stad Tholen het gerucht ging, dat 200 of 300 dijkers op de dijk van de Hikke dood gebleven waren! Reeds in 1531 was de dijk hersteld, waarvan enige stukken weggeslagen waren. Doch in de vloed van 1532 ging de polder een tweede maal verloren; nu zou hij 30 jaren drijvend blijven.
Nadat de polder 10 jaren bevloed en beslibd was (een verbetering!), besloten de heren in 1540, dat er een plan tot herdijking zou worden opgesteld. 20 Een landmeter maakte een kaart van de nieuwe polder. 21 Inmiddels bestonden er al dammen of dammekens; 22 een lag er op de oude dijkstoel. Misschien werden er weer gronden gebruikt; mogelijk waren de dammen bedoeld om de aanslibbing te bevorderen.
Reeds enige maanden na de opdracht leverde de commissie haar rapport en bestek in. 23 De commissie bestond uit: Anthonis van Wissenkerke, Cornelis Jans, dijkgraaf van Biezelinge, en de rentmeester. Zij stelde de plaats van de dijk en de sluis voor. Aan de keizer moest octrooi gevraagd worden. Tevens werd in overweging gegeven, om voor een bepaald aantal jaren vrijdom of in elk geval vermindering van schot te verzoeken. Volgens de mening van de commissie moesten de ingelanden van de Kerkpolder “dijkvelling” toestaan.
Pas in 1546 schoot de zaak een beetje op; weer werd aan de heren gerapporteerd. 24 Op 26 augustus van dat jaar verklaarden de ingelanden van de Kerkpolder, met uitzondering van Mr. Jan Breijl, zich accoord met een dijkvelling van 3 ksg. per gemet en 3 ksg. op elk huis.
In een request aan de keizer zetten de heren van Vossemeer hun belangen uiteen: In 1530 waren 5 polders overstroomd; 4 ervan hebben de heren zelf hersteld. Daarvoor hebben zij voor 10 jaren vrijdom van lasten gekregen. Met grote inspanning en veel kosten moet de Kerkpolder behouden worden. De bedoeling is ook deze afdoende te beschermen door de dijk van de Hikke in de oude toestand te brengen en hem geheel te sluiten van de meestoof in het oosten tot ten westen van het St. Anthonis-kapelletje. Om dit werk te kunnen volbrengen, vragen zij vrijdom van schot voor een lange termijn, en een rente op de heerlijkheid te mogen vestigen.
Het request kwam bij de Raad en Rekenkamer in Den Haag terecht, die het om advies zond naar de rentmeester van Beoosterschelde. Deze schijnt de zaak niet geheel begrepen te hebben en kreeg het request met zijn brief teruggezonden, omdat de rekenkamer “geen suffisant fondement” gevonden had om te adviseren. Daarna wordt niets meer van request of vrijdom gehoord! Desondanks sloten de heren van Vossemeer al op 28 december 1548 het contract voor de bedijking met de dijkgraaf van Biezelinge. De kosten van de dijk waren begroot op 2000 pond.
Uiteindelijk is de herdijking pas in 1561 doorgegaan. 25 Doch ook ditmaal waren de moeilijkheden niet van de lucht. Eerst maakten de ingelanden van de Kerkpolder bezwaar. Zij voelden zich helemaal niet meer gebonden door het accoord van 1546, dat zij niet mede ondertekend hadden; niemand had daar trouwens bevoegdheid toe! Sindsdien hebben zij zichzelf beschermd, hun dijk doorlopend verzwaard en verhoogd; daartoe hadden zij lasten op zich moeten nemen van 3 ksg. of meer per gemet. Hun dijk had het zelfs gehouden in de Pontiaansvloed van 1552. Bij de dijk van de Hikke meenden zij geen belang meer te hebben. Bovendien vonden zij, dat de heren van Vossemeer toch niet te klagen hadden; zij hebben de polder zó lang laten liggen, dat verschillende eigenaars hun landerijen voor een krats verkocht hebben. Door de langdurige overstromingen was de grond van de Hikke zelfs aanmerkelijk verbeterd. Op grond van een en ander wilden zij niet in de dijkvelling toestemmen. Nadien zijn de ingelanden op hun weigering teruggekomen.
Ernstiger was het conflict, dat met een der heren van Vrijberghe ontstond. In de noordwesthoek van de Hikkepolder bevond zich een smalle strook grond, die tot de heerlijkheid van Vrijberghe behoorde. De limiet liep daar van de Poortvlietse Sluis tot aan de oude Vosvliet met enige aanwassen, en vandaar uit recht naar het noorden toe. In de nieuwe dijkage zouden 5 gemeten van Vrijberghe opgenomen worden. Om deze 5 gemeten, met enige bijkomende zaken, zoals roven van grond en de verpachting van het gors, is tot voor het Hof van Holland geprocedeerd. Toch kwamen de partijen tot een accoord, zodat de dijkage kon doorgaan. Misschien hebben de heren van Vossemeer hierom al te veel toegegeven aan de heren van Vrijberghe in een zaak, die hen eeuwen lang een angel in het vlees gebleven is! Er is heel wat gekrakeeld om dat lapje grond. In 1586 stak deze zaak de kop weer op. 26 Huibrecht van Wissenkerke en de rentmeester kregen opdracht te trachten met de heren van Vrijberghe tot een zuivere paalscheiding te komen, zodat de ruzie van de tiendenaars zou ophouden. Berustend schreef de rentmeester in de kant: “Factum est; en hebben niet kunnen accorderen”.
Bij de herdijking van 1561 is de dijk van de vroegere polder geheel hersteld; uit andere gegevens blijkt, dat de oude dijkstoel is aangehouden. Misschien is er bij Vrijberghe enige verandering aangebracht, doch dit blijkt niet uit de stukken. Deze dijk is 3450 meter lang; enige delen ervan zijn nadien binnendijk geworden. Door de geweldige storm van 26 januari 1682 bezweek de dijk tegenover een der vroegere uitlopers van de Vosvliet, vóór de grote kreek, die de polder over zijn breedte in twee delen snijdt. Het hoog opgestuwde water drong met geweld binnen en veroorzaakte ter plaatse een zo diepe weel, dat aan een afsluiting niet meer te denken viel. Het polderbestuur wilde een hulpkade om deze weel aanleggen, doch deze was tegen het opdringende water niet bestand, zodat een nieuwe moest worden gelegd. Deze kade, waaraan door tal van arbeiders werd gewerkt, was in augustus 1682 voltooid, en is daarna tot zeedijkshoogte opgewerkt. Het herstel van de polder heeft een som van fl. 29.000; gevergd. Voor de polder en de twee achterliggende (Oud Vossemeerse Polder en Kerkpolder) moest tevens een nieuwe zeesluis gemaakt worden, daar de oude geheel was, weggespoeld.
De Hikkepolder is de vruchtbaarste grond onder Oud Vossemeer; zijn bodem bestaat uit klei, met veel zand vermengd. Bij de verhuring van de tienden werd hij in verschillende delen onderscheiden: de Schelphoek, de Noordoosthoek, de Noordwesthoek en de Grote Gemeente.

38. SLABBECORN, ca. 1470
Deze betrekkelijk kleine polder, aan de oostzijde van het oudland van Vossemeer gelegen, moet misschien beschouwd worden als de bedijking van een overgeschoten stuk gors van de Oud Vossemeerse Polder, misschien als een nieuwe aanslibbing, ontstaan toen de Eendracht smaller was geworden. Het juiste jaar van zijn dijkage is niet bekend. De kaart van Resen van het jaar 1555 noemt hem een nieuwe dijkage, doch hieruit valt niet veel af te leiden, daar dit nooit een exacte tijdsbepaling kan zijn en het “nieuwe” evengoed op een herbedijking zou kunnen slaan. In een accoord tussen de heren van Vossemeer en het kapittel van Tholen van het jaar 1493, 1 waarin alle toen bestaande polders zijn opgesomd en de indruk wordt gewekt, dat er een chronologische rangschikking is gevolgd, staat hij direct na de Oud Vossemeerse en de Kerkpolder vermeld. Uit de aansluiting van de dijk aan Oud Kijkuit concludeert Hollestelle, dat Slabbecorn vóór Oud Kijkuit is gesticht, doch dit overtuigt wel allerminst, daar tussen de beide polders het Karnemelkland ligt met een eigen (helaas onduidelijke!) waterstaatkundige geschiedenis. Uit de huidige raakpunten tussen Oud Kijkuit en Slabbecorn kunnen derhalve geen conclusies getrokken worden; oorspronkelijk immers raakten de polders elkaar niet. Gezien de gehele situatie van het land van Vossemeer mag eer aangenomen worden, dat Slabbecorn ná Oud Kijkuit en vóór Leguit is bedijkt. Deze reconstructie geeft althans een redelijke uitbreiding aan het land. In de rekening van 1491/92 staat Slabbecorn vermeld zonder nadere aanduiding; Leguit echter als nieuwland. Ook dit wijst erop, dat Leguit ná Slabbecorn bedijkt is.
De oppervlakte van de polder besloeg in 1479 90 gemeten dijkersland en 30 gemeten vroonland; in 1541 eveneens 90 gemeten; 2 in het midden van de 17e eeuw bedroeg zij 89 gemeten en 262 roeden. In 1505 heeft de polder minstens een jaar onder water gestaan; de vrijwel gelijke oppervlakte daarvoor en daarna toont aan, dat hij bij de drooglegging en sinds het einde van de 15e eeuw niet veel veranderingen heeft ondergaan. De dijk, die ongeveer 2258 meter lang is, werd kort langs de over van de Eendracht gelegd, tengevolge waarvan hij een betrekkelijk zwaar onderhoud heeft gevorderd.
In de bronnen komt de naam onder diverse schrijfwijzen voor. De meest gebruikelijke is Slabbecorn of Slabbecorne; soms Slabbecoornde, Slabbecorn zal wel de authentieke naam zijn. Waarschijnlijk is het volksetymologie, waar men af en toe de naam van Slabbecoorde ziet. Mogelijk wijst de naam op een bodemkundige toestand en een geringe vruchtbaarheid, en drukt hij uit, dat er slechts slap koren te verwachten was.
In 1595 kregen de ingelanden een subsidie van de heren van Vossemeer. 3 Op voorwaarde dat zij de sluis in dat jaar zouden leggen, mochten zij voor de tijd van 4 jaren het vierde deel van de tienden in Slabbecorn genieten. Die tienden werden gewoonlijk in twee percelen verpacht, de twee delen van de polder: Voorhoek en Achterhoek.
De smalle polder met zijn lange zeedijk is talloze malen overstroomd; voor de andere polders van Oud Vossemeer is hij altijd een bedreiging geweest. In 1682 is Slabbecorn overstroomd en bleef de polder maanden lang onder water. Er was een grote som nodig voor het directe herstel, tevens aanzienlijke zorg en geld voor het onderhoud. In 1699 is de zeedijk belangrijk verhoogd, doch niettegenstaande deze voorzorg brak de polder in 1715 weer in. De dijk was zodanig geteisterd, dat hij over een lengte van 56 roeden vernieuwd moest worden. Van deze gelegenheid heeft men gebruik gemaakt om hem te verhogen en te verzwaren. 4 Een en ander werd met hulp van de andere polders uitgevoerd, omdat deze ook overstroomd waren.
Bij de overstroming van Oud Kijkuit in 1720 viel Slabbecorn eveneens aan het water ten prooi. Deze watersnood vond midden in de winter plaats, zodat spoedig herstel was uitgesloten en de landerijen lange tijd onder het zoute water lagen. Gezamenlijk met andere polders is het herstel aangevat, dat zeer kostbaar was. Daarna heeft de polder gedurende iets minder dan een eeuw rust gehad.
In de nacht van 14 op 15 februari 1808 brak de zeedijk op niet minder dan vijf plaatsen door en verschoof hij over een lengte van 81 roeden van zijn grondvesten. Bij de ontstane breuken was er een zeer gevaarlijk; daar was over een lengte van meer dan 70 meter een diepte ontstaan gelijk de bedding van een rivier. De hierdoor ontstane stroom vormde in de polder verschillende kreken, waarvan een zich langs de binnenzijde van de zeedijk uitstrekte en een andere naar de dijk van Oud Vossemeer. Dagenlang vloeide het water de polder in en uit. Oud Kijkuit was ook overstroomd. Met het herstel van de kunstwerken zijn enorme kosten gemoeid geweest.

39. KARNEMELKLAND, ca. 1475
In het accoord tussen het kapittel van Tholen en de heren van Vossemeer, 1 in het jaar 1493 gesloten, wordt over het Karnemelkland gesproken als een afzonderlijke polder; het geschil betrof de tienden van deze polder, gelijk met die van de andere. Tegenwoordig valt dit landje, waaraan nog de Karnemelkpot herinnert, binnen de bedijking van Oud Kijkuit. Om topografische bijzonderheden (al geven die niet altijd de doorslag, omdat niet alle details van mogelijke tussentijdse veranderingen bekend zijn), mag met enig voorbehoud geconcludeerd worden, dat de polder ná Oud Kijkuit (wat zeker is) en kort ná Slabbecorn is ingedijkt. Dat hij in chronologische volgorde vóór Leguit staat, mag misschien hieruit worden afgeleid, dat Leguit in de eerste rekening van 1491/92 nieuwland heet, en bij Karnemelkland deze toevoeging ontbreekt. Met enige reserve mag de dijkage ca. 1475 gesteld worden.
De polder komt slechts zelden in de rekeningen voor. Wel worden er regelmatig de tienden verpacht, doch van een verhuring van de dijken blijkt expliciet niets. Vermoedelijk werden deze met die van de andere polders verhuurd en waren de stukken te klein naar het idee van de rentmeester om er een afzonderlijk kapittel van te maken. Die van 1500/01 spreekt van de dijk van Slabbecorn “met de dijk alzo ver als Karnemelkland gaat”. 2 In 1503 en 1505 bepalen de heren, dat Kijkuit “over ’t water” en het Karnemelkland op gelijke wijze in de lasten moeten betalen als de overige polders. 3 Dit zou erop kunnen wijzen, dat beide polders ongeveer op dezelfde tijd ingedijkt zijn, en dat de ingelanden een zekere tijd vrijdom van lasten genoten hadden, welke termijn in 1505 voorbij was. In 1509 maakt de resolutie een duidelijk onderscheid tussen Slabbecorn en Karnemelkland; wel werd er één landmeester voor beide polders benoemd. 4 In 1510 is er een kwestie tussen de heren en Adriaan Ydozoon over diens eigendom in het Karnemelkland. In 1541 wordt een grootte opgegeven van 11 1/2 gemeten en 138 roeden; 6 in 1561 van 32 gemeten en 288 roeden.
Het poldertje ging bij de Allerheiligenvloed van 1570 verloren, 7 en bleef lange tijd onbedijkt liggen. Het wordt nog wel pro memorie vermeld, voor het laatst in de rekening van 1624/25; volgens die post is er zelfs geen “apparentie” dat er nog iets van te verwachten is. In de volgende rekeningen komt deze memorie-post niet meer voor. Geruisloos is het Karnemelkland uit de stukken verdwenen; er blijkt zelfs niet, wanneer het poldertje tenslotte in Oud Kijkuit is opgenomen.
De naam moet verklaard worden als een benaming van minder goed land. Karnemelk is hier kennelijk tegenover volle melk gesteld.

40. LEGUIT, 1483
De gorzen, waaruit deze polder is gevormd, lagen vóór hun dijkage door een kreek van Oud Kijkuit gescheiden, die aan beide einden op de Eendracht loosde, waarvan in deze en de achtergelegen dijkages nog overblijfselen aanwezig zijn. Voor de inpoldering vormde Leguit een plaats, die geheel door water was omringd. Het juiste jaar van de bedijking is uit de grafelijke rekeningen bekend. De polder ontbreekt onder de gegevens over de meting van het land van Vossemeer uit het jaar 1479; toen bestond hij nog niet als bedijkte polder. In de rekening van 1491/92 wordt het nieuwe land vermeld, genaamd Leguit. In diezelfde rekening worden Kijkuit, Slabbecorn en het Karnemelkland zonder nadere toevoeging genoemd. Ook uit de topografische toestand valt af te leiden, dat deze dijkage na die van Oud Kijkuit en Slabbecorne is geschied. De polder droeg zijn eerste vruchten in de zomer van 1484; hij had 116 gemeten dijkersland en 26 gemeten vroonland. Op 28 januari 1484 is hij door de hertog van Bourgondië bereden. De eerste zeven jaren was hij vrij van schot; pas met St. Jan 1491 werd hij schotplichtig. 1 Uit de eerste jaren van zijn bestaan zijn practisch geen gegevens bekend. In 1495 en 1497 nemen de heren van Vossemeer besluiten over een moerdijk aan Leguit. 2 In 1497 wordt gezegd, dat er verleden zomer een moerdijk is gelegd op de hoek van Kijkuit. De kopers zijn evenwel niet komen opdagen; daarom kreeg de rentmeester opdracht, om hen in Zierikzee in der minne of gerechtelijk tot betaling over te halen. Vermoedelijk betreft het hier niet een plaats in de polder zelf, doch buitendijks, waar op het gors nog moernering mogelijk was. Misschien diende de moerdijk ter voorbereiding van een verdere inpoldering buiten Leguit, die een tijd later afgerond zou worden met de polder van Vogelenzang. In 1500 geven de heren van het kapittel van Tholen een kwitantie af voor ontvangen gelden uit de tienden “van Vossemare liggende aan deze zijde van de Eendracht, en de tienden van een polder, geheten Leguit aan Brabant” 3 Het kan een simpele vergissing zijn. Doch ook is het mogelijk, dat het kapittel van Tholen deze terminologie met opzet heeft gebruikt, namelijk om de oude strijdvraag, waar nu precies de grens tussen Brabant en Zeeland lag, in een voor het kapittel voordelige richting te duwen. In principe immers kon het kapittel van Tholen geen rechten doen gelden op tienden in het Brabantse deel van de heerlijkheid.
Deze polder was een uitbreiding, een “uitleg” van het land van Vossemeer. Waarschijnlijk hoeft de verklaring van de naam niet verder gezocht te worden.
Kerkgang per boot te Oud Vossemeer bij de overstroming van 1906. Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente O.Vossemeer.

Kerkgang per boot te Oud Vossemeer bij de overstroming van 1906 . Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente O.Vossemeer.

Bij elke overstroming van Oud Kijkuit is de polder ondergelopen, omdat de binnendijk aan het Botshoofd reeds vroeg vervallen en niet meer op hoogte was. Door zijn belending aan Slabbecorn, de zwakste plek in Oud Vossemeer, en zijn lange dijk langs de Eendracht, is Leguit wel de meest kwetsbare polder geweest.
De vroegst bekende overstroming is die van 1530, welke ramp in 1531 weer was hersteld. Waarschijnlijk is ook in 1570 de polder tijdelijk verloren gegaan. De rekening van de landmeesters van 1505/06 vermeldt, dat er dit jaar geen inkomsten uit de polder zijn geweest; vermoedelijk is hij toen ook overstroomd, in elk geval onbruikbaar geweest.
Beter kent men de rampen, door de stormvloed van 1682 veroorzaakt. De zeedijk van Leguit brak door; over een lengte van 12 meter verdween de waterkering. Het instromende water woelde de grond diep uit. Rond de onstane weel werd een ringdijk opgeworpen, die kort daarop tot zeedijk is verzwaard. De latere overstromingen werden meestal veroorzaakt door overvloeiing van de binnendijk van Oud Kijkuit. Men mag zich zelfs afvragen, waarom men de binnendijk tussen de beide polders niet verzwaard en op voldoende hoogte heeft gebracht. Wellicht is dit te wijten aan het nu eenmaal trage reactievermogen van de gemeenschap. Uitgesloten is echter ook niet, dat de ingelanden een zeker risico genomen hebben; een rustige en niet-calamiteuze overstroming van de landerijen is niet eens slecht voor de grond. De moeilijkheid was wel, de gulden middenweg tussen hoop en vrees te vinden!
Toen op 3 maart 1715 het zeewater door de dijk van Slabbecorn brak en de polder als een kom had gevuld, stroomde Leguit eveneens vol. Aan de gewassen werd veel schade toegebracht. Vóór de doorbraak moest een kade worden gelegd, waaraan door de ingelanden van Leguit moest worden bijgedragen.
Bij de overstroming van Oud Kijkuit in 1720 viel het water bij Botshoofd de polder van Leguit binnen. De dijken hadden het wel uitgehouden, doch het bleek nodig deze te verzwaren en te verhogen. Reeds in het volgend jaar is dit werk uitgevoerd.
Volgens één bron 4 was de polder in 1508 41 1/2 gemeten groot; volgens een resolutie 5 telde de polder in 1541 116 gemeten; het register geeft dit duidelijk aan, al is de mogelijkheid van een schrijffout niet uitgesloten. In 1555 blijkt de polder 190 gemeten te tellen, vermoedelijk de grootte bij de, bedijking; in 1561 worden 155 gemeten opgegeven. In 1627 bedroeg zijn oppervlakte 154 gemeten. Een en ander wijst erop, dat de polder veranderingen heeft ondergaan, die in het archief niet meer nauwkeurig te volgen zijn. Het is mogelijk, dat af en toe het Karnemelkland onder Leguit begrepen is. Dit land, heden nauwelijks meer als een afzonderlijke polder te herkennen, komt gedurende een lange tijd in de stukken wel als zodanig voor. Zeer goed mogelijk is, dat hij nu eens onder Leguit, dan weer onder Slabbecorn heeft geressorteerd.


41. VOGELENZANG, 1569
De gronden van deze polder zijn grotendeels aanwassen aan de monding van de kreek, die vroeger langs de noordelijke dijk van Oud Kijkuit liep. Tegen het einde van de 15e eeuw was er nog geen gors gevormd; in de rekening van 1491/92 is nergens sprake van Vogelenzang. De naam verschijnt voor het eerst in 1512; 1 dan besluiten de heren op het gors een vlot te doen leggen, waar de schepen kunnen aanleggen, die vracht hebben voor Vossemeer. Enige jaren later schijnt er al een vast veer bestaan te hebben. 2 Vanaf 1518 blijkt het gors verhuurd te zijn; 3 in 1518 en 1534 wordt het gors met de dijk van Leguit verhuurd; 3a in 1520 zijn er veel zoden gestoken voor het herstel van andere dijken en krijgt de pachter een vergoeding. 4 Dit betekent nog geenszins, dat het land al bedijkt was; hoogstens was het van een zomerkade voorzien.
In de vergadering van 1567 (juni en october) besloten de heren van Vossemeer tot de bedijking. 5 Zij stelden het bestek op en bepaalden de voorwaarden voor de uitgifte. De dijk zal aansluiten aan die van de Hikke; in het zuiden aan die van Leguit. De weg, die er al ligt, moeten de bedijkers handhaven. De heren behouden zich alle heerlijke rechten voor. Het honderdste gemet komt toe aan het kapittel van Tholen. Bij een eventuele overstroming moet de polder het volgend seizoen bedijkt worden, anders valt hij terug aan de heren van Vossemeer. De bedijking moet voltooid zijn in de lente van 1568 of op zijn laatst in het eerstvolgend seizoen van 1569. Na de bedijking zal de nieuwe polder door de officieren van de heren geïnspecteerd worden. De legschat zal in drie termijnen betaald worden. Zes gemeten land worden voor de heren gereserveerd, aan weerszijden van de weg. De eerste zeven jaar mag de dijk alleen met schapen beweid worden. Op deze voorwaarde heeft Jan Jansse van Couwerffve, dijkgraaf, de polder gekocht voor de som van 5 schellingen per gemet. 6 Uit de rekening van 1570/71 blijkt, dat de polder in het jaar 1569 is bedijkt. Buitendijks was nog een klein gors overgebleven. Het werk schijnt niet geheel tot genoegen van de heren geschied te zijn; enige latere resoluties dragen de bedijkers op de inpoldering te voltooien. 7 De dijk van Vogelenzang is 1487 meter lang en ligt waarschijnlijk nog overeenkomstig zijn eerste aanleg. De polder heeft zeer vruchtbare grond, bestaande uit zware klei, die vrijwel geheel uit jonge bezinkingen is ontstaan.
Door de inpoldering van Vogelenzang was de haven van Vossemeer afgesloten. Enige tijd was aan Vogelenzang een veer gelegd, dat vooral voor het vrachtvervoer naar Vossemeer van belang was. Dit veer kreeg nog meer betekenis, toen aan de overkant van de Eendracht het dorp van Nieuw Vossemeer ontstond. In 1571 richtten het dorpsbestuur en de ingezetenen van Oud Vossemeer zich tot de heren met het verzoek, een nieuw veer te doen aanleggen en dit door een weg met het dorp te verbinden. 8 Sindsdien is dit veer in stand gebleven, maar door de langdurige overstromingen van Nieuw Vossemeer is het een tijdlang in betekenis teruggelopen. In 1579 werd dit veer geschikt gemaakt voor het lossen van paardewagens. 9
Reeds een jaar na zijn voltooiing ging de polder in de vloed van 1570 verloren; 10 de heren genoten er geen tienden meer en de dijkettingen werden niet meer verpacht. Uit de rekening van 1572/73 blijkt echter, dat de polder toen weer vrij van water was.
Bij de vloed van 1682 ging de polder andermaal verloren. Nadat het water geweken was, bemerkte men, dat op verschillende plaatsen breuken en verschuivingen aan de dijk waren ontstaan, zodat besloten werd tot een volledige verhoging en verzwaring.
De stormvloed van 1720 en die van 1775 brachten weliswaar geen grote schade met zich mee, doch deden de polder wel volstromen. Telkenmale bleek de dijk aan het veer de kwetsbare plek van de polder te zijn.
De grootte van de polder bestond uit 91 gemeten dijkersland en 225 roeden vroonland, hetgeen nog vrij nauwkeurig overeenstemt met de huidige oppervlakte. In de oude stukken werd hij meestal onderscheiden in Grote Vogelenzang of Oosteinde, en Kleine Vogelenzang. Op een der erven van deze polder heeft lang de meestoof van Oud Vossemeer gestaan.

42. OOST VRIJBERGHE POLDER (1511 ), ca. 1650
De gronden, gelegen tegen de noordelijke dijken van de polders Priestermeet, Bartelmeet en Broek, vormden voorheen de afzonderlijke heerlijkheid van Vrijberghe. Deze strook land was van Vossemeer gescheiden door de Vosvliet; langs haar westelijke kant vloeide de noordelijke uitloop van de Pluimpot en in het noorden was zij door het oude Marlo begrensd.
Dit gebied was door twee grote kreken in drie delen gesplitst. De strook langs de dijken van de polders Priestermeet, Bartelmeet, Broekland en Hikkepolder stond als het Gravengors bekend; dan volgde het Jan Ruijgrocksland en nog meer noordelijk lag een schor, dat later met de naam van Rammegors op de kaarten is vermeld. Het Gravengors is ingenomen door de polders van Vrijberghe; het tweede en derde stuk hebben de Hollare- en de Van Haaftenpolders opgeleverd. De Jan Huijgenshil, waarvan in oude stukken melding wordt gemaakt, is ten dele met de Sluispolder ingedijkt.
Kaart van de polders van Vrijberghe door K. Besteboer, 1759. Archief Ambachtsheerlijkheid

Kaart van de polders van Vrijberghe door K. Besteboer, 1759 Archief Ambachtsheerlijkheid

Aanvankelijk zijn de polders bedijkt op naam en volgens het recht van de heerlijkheid van Vrijberghe; de laatste in 1747. Tegen het einde van de 18e eeuw verkregen de heren van Vossemeer het merendeel en in de 19e eeuw het totaal der aandelen van Vrijberghe, zodat beide heerlijkheden zijn samengevoegd. Het oudste deel van de gronden van Vrijberghe schijnt reeds op 4 maart 1445 door hertog Philips van Bourgondië ter bedijking uitgegeven te zijn aan Jan Ruijgrock en Anthonie van Botselaar. Het is niet bekend, of op deze uitgifte terstond de inpoldering gevolgd is. Het volgende gegeven komt pas in 1511 , waar Boxhorn verhaalt, dat de polder in dit jaar voor het eerst “bereden” is. Uit een verzoek van de heren van Vrijberghe uit het jaar 1634 zou men misschien mogen opmaken, dat de herdijking tot in de 17e eeuw is uitgebleven, en tevens dat de oudste polder gelegen heeft ter plaatse, waar men nu de Oost Vrijberghepolder aantreft. In dat verzoek verklaren de heren hun overstroomde polder te willen herversen; daarvoor vragen zij vrijstelling van lasten. Er was derhalve sprake van een verloren gegane polder; doch na 1511 vindt men geen andere polder of een overstroming van Vrijberghe vermeld.
In de ambachtsheerlijkheid van Vrijberghe heeft nimmer een dorp bestaan. De weinige bewoners waren over de gehele polder verspreid. Voor hun kerkgang maakten zij gebruik van de St. Anthoniskapel, die op de dijk tussen de Hikkepolder en het Broekland stond en misschien door Anthonis van Wissenkerke is gesticht. Deze kapel, waarvan in de 18e eeuw de fundamenten nog aanwezig waren, heeft lange tijd gediend als limietscheiding tussen Vossemeer en Vrijberghe, want zij stond juist in de richting van de voormalige Vosvliet, ongeveer 500 meter ten noorden van de Broekseweg.
Het juiste jaar van de bedijking van de Oost Vrijberghepolder is niet bekend. Hij bestond nog niet in 1642, doch wel in 1669; zijn dijkage moet tussen deze jaren liggen. Zoals reeds opgemerkt, is het mogelijk dat het hier een herdijking betreft.
Bij de inpoldering werd een dijk opgeworpen van 900 meter; bij het leggen deden zich geen bijzondere moeilijkheden voor. De monding van de voormalige Vosvliet was al geheel verland. Ook van de stroom en de golfslag zullen de kunstwerken niet veel te lijden hebben gehad, daar ten noorden van Vrijberghe zich reeds lang uitgestrekte schorren hadden gevormd.
Toch heeft de polder niet altijd geprofiteerd van zijn gunstige ligging. Bij de overstroming van 1682 ging hij verloren; hij schijnt kort nadien herwonnen te zijn. Over verdere lotgevallen van de polder is niets bekend. Door de dijkage van de Nieuwenpolder werd de zeedijk geheel aan de aanval van het open water onttrokken, en bleef in feite alleen de zorg voor een goede afwatering over.

43. WEST VRIJBERGHE POLDER, ná 1666
Het Gravengors, dat aanvankelijk vóór de dijken van de polders Bartelmeet en Broekland lag, werd van de westelijker gelegen aanwassen gescheiden door de uitwateringsvliet van de polders van Poortvliet. In het noorden was het begrensd door een oude kreek, die in de uitwateringsvliet begon en in de Krabbebeek uitmondde.
Het ontstaan van deze schorren was voor de polder van Poortvliet een belangrijk feit; een groot deel van de zeedijk werd er door beschermd. De dijk van Bartelmeet vorderde voorheen veel zorgen en kosten, doch deze werden aanzienlijk minder bij de voortschrijdende verlanding en zij verdwenen geheel bij de dijkage van het voorliggende land. Het is dan ook te begrijpen, dat de polders van Poortvliet getracht hebben het Gravengors in erfpacht te verkrijgen, 1 teneinde niet alleen de aanwas beter te doen aangroeien, maar hem ook zo spoedig mogelijk te bedijken. Een daartoe strekkend verzoek is niet ingewilligd, doch wel mochten de polderbesturen enige dammen in het Gravengors leggen.
Tot het jaar 1666 wordt het Gravengors nog altijd als een openliggend gors vermeld. Een nauwkeuriger tijdsbepaling is voor de dijkage niet te geven.
Voor de inpoldering was een dijk van 1415 meter nodig; dit is een zeer lange dijk, zeker in verhouding tot de betrekkelijk kleine oppervlakte van de polder. Zijn vorm werd voorgeschreven door de kreek langs de noordzijde van de gorzen. Misschien was het wel mogelijk geweest deze in de bedijking op te nemen, doch het is achterwege gebleven, omdat de gronden ten noorden van de kreek nog niet geheel rijp waren. Pas tegen het midden van de 19e eeuw volgde daar de polder van Hollare.
De watervloed van 1682 veroorzaakte veel schade. De zeedijk brak en kon slechts met hoge kosten weer hersteld worden. Het polderbestuur heeft nadien de dijk regelmatig en goed onderhouden, zodat het land van de geweldige vloeden van 1715 en 1775 vrijwel geen schade ondervond.
Na de bedijking van de Hollarepolder verviel de zeedijk tot binnendijk; een goede afwatering bleef het enige probleem.

44. NIEUWENPOLDER, 1747
Na de totstandkoming van de beide voorafgaande polders waren een deel der gronden, in het voormalige Vosvliet aangewassen, en wellicht een stuk van het na 1511 overstroomde land onbedijkt gebleven. Bij de inpoldering van deze vormde de Krabbebeek in het noorden als het ware een natuurlijke grens.
Het octrooi van de bedijking dagtekent van 29 april 1746. Het gaf vrijdom van verschillende lasten, teneinde de bedijkers tegemoet te komen. De dijkage zou binnen de tijd van twee jaren voltooid moeten zijn, en het honderdste gemet zou als vroonland ten goede komen aan de kerk.
Hoewel met de bedijking een begin werd gemaakt in 1747, kon zij in dat jaar niet voltooid worden. Tengevolge van de belegering van Bergen op Zoom waren vrijwel alle arbeiders vertrokken. De uitvoering der werken van Vrijberghe moest worden uitgesteld. In de winter ontstond er weinig schade aan de onvoltooide werken; het water vloeide wel ongestoord in en uit, doch dit bracht geen nadeel, daar de landen nog niet in cultuur waren. Eerst na de overgave van de stad is de waterkering voltooid, die een lengte had van 2138 meter.
In 1749 werd de rekening van de dijkage gepresenteerd; zij beliep een uitgave van ruim 4000 pond. In