TWEEDE HOOFDSTUK
II DE REI DER HEREN
Bij de opdracht tot het schrijven van deze geschiedenis is door de raad van beheer de wens uitgedrukt, dat een voerzicht van alle heren en aandeelhouders zou worden opgesteld. Het is inderdaad een aantrekkelijke gedachte vast te leggen, welke families voorheen als heren van Vossemeer zijn opgetreden. De lijst zal om haar lengte en door de klank van roemruchte namen wellicht aandacht krijgen. Toch is het nodig, enige voorbehouden vooraf te laten gaan, want het overzicht kan noch op volledigheid noch op absolute exactheid staat maken.
Sinds ongeveer een eeuw hebben de rentmeesters inzake de ambachtsporties of aandelen, en de eventuele verervingen of verkopingen nauwkeurig boek gehouden. Vanaf plm. 1850 zijn de aandelen, respectievelijk heren of aandeelhouders over het algemeen goed te volgen. Uit de periode tevoren vindt met praktisch geen
expliciete boekhouding van de aandelen. Dan moeten de namen der aandeelhouders en hun onderscheiden porties uit diverse bestanddelen van het archief bijeengegaard worden.
Een goede bron vormen de notulen van de vergaderingen, waarin vermeld staat, wanneer een heer of aandeelhouder tot de zitting werd toegelaten, wiens aandeel hij verkregen had, wanneer hij ter vergadering kwam en wanneer hij overleed. Doch zelfs in de besluitenregisters blijken niet alle overgangen geregistreerd te zijn. Over het algemeen vindt men er wel de gegevens over de stemgerechtigde aandeelhouders, doch slechts bij toeval die der kleinere aandelen, welke niet op de vergadering vertegenwoordigd waren. Legio zijn trouwens de gevallen dat een heer niet onder zijn eigen naam werd vermeld, doch onder een bijnaam, zoals de “heer van Malle”, “graaf van Spange” “heer van Treslonge”, zodat niet duidelijk is wie wordt bedoeld, vooral als twee leden uit dezelfde familie een ambachtsportie hadden.
Een andere bron vormt de serie der rekeningen, waarin de “blijde inkomste” werd verantwoord. De besluiten tot toelating en de betaling der blijde inkomste dekken elkaar vrij goed. Aan de hand van deze twee bronnen konden de stemgerechtigde leden vrij gemakkelijk worden opgespoord. De mogelijkheid moet evenwel opengelaten worden, dat zelfs stemgerechtigden (bezitters van de grotere porties), die zelden of nooit ter vergadering kwamen, aan de aandacht zijn ontsnapt of dat zij tengevolge van de (overigens zeldzame) hiaten in het archief nergens meer met name zijn genoemd.
Moeilijker lag de reconstructie van de heren en aandeelhouders, die volgens de statuten niet stemgerechtigd waren. In de oudste periode komen hun namen vrijwel nooit in de resoluties voor. Merkwaardigerwijs schijnt het voorheen gebruikelijk te zijn geweest, dat het dividend door de rentmeester zonder schriftelijk bewijs werd uitgekeerd. Had er een exacte boekhouding van deze uitkeringen bestaan, dan zou de reconstructie van alle aandeelhouders betrekkelijk gemakkelijk zijn geweest. Vanaf 1824 bestaan die lijsten wel, doch in de jongste periode zijn voldoende andere gegevens voorhanden. Het is derhalve zeer waarschijnlijk, zelfs vrij zeker, dat van deze categorie heren of aandeelhouders (d.w.z. van de niet-stemgerechtigde leden) niet alle vertegenwoordigers zijn teruggevonden. Vooral in de 15e en 16e eeuwen moet op veel missingen gerekend worden. Dit blijkt al heel duidelijk uit de lijst zelf, waar in die tijd de successie niet altijd kan worden aangegeven.
Vanouds maakten de tienden in het land van Vossemeer een integrerend deel uit van de ambachtsheerlijke rechten. Doch toen de heerlijkheid in het begin
van de 16e eeuw een groot deel van de tienden in Oud Vossemeer verkocht en deze na geruime tijd weer terugkocht, werden de hoeken tienden om organisatorische en practische redenen voor de leenkamer van Zeeland verheven op de naam van één der aandeelhouders. Hij gaf de ambachtsheerlijkheid evenwel een onderhandse verklaring, dat het leen slechts pro forma op zijn naam was gesteld en dat hij geen aanspraak maakte op het profijt ervan, daar dit aan allen gezamenlijk toekwam. Nu was het meestal wel zo, dat bij een successie van een gewoon aandeel ook een deel der tienden op naam van de nieuwe heer werd gesteld, doch in tal van gevallen is dit niet geschied. Zo kon het gebeuren, dat een zoon in het gewone aandeel van zijn vader opvolgde, en direct of later een deel der tienden op zijn naam kreeg, dat voorheen op een geheel andere naam had gestaan. Af en toe kan uit de stukken worden geconcludeerd of vermoed, dat men vroeger deze twee soorten van overdracht van aandelen niet altijd goed uit elkaar heeft gehouden, d.w.z. de reële overdracht van een portie in de ambachtsheerlijkheid en de slechts formele overdracht van een deel in de tienden. Te vrezen is, dat hier en daar successies zijn gelegd, die dit niet waren. Waarschijnlijk heb ik de onduidelijkheden niet allemaal opgehelderd en zijn niet alle fouten weggewerkt of vermeden.
De lijst dient derhalve met enige reserve bezien en gebruikt te worden. Zij pretendeert niet dé lijst van de heren van Vossemeer te zijn, doch enkel van hen, wier namen met zekerheid te achterhalen waren. De mogelijkheid moet niet uitgesloten worden, dat zij te zijner tijd, na intensiever onderzoek en bewerking, belangrijk kan worden uitgebreid, of dat zij in details moet worden gecorrigeerd en aangevuld. Zij telt 668 personen. Ofschoon zij niet op het ronde getal van 1000 uitkomt, heeft zij toch geïnspireerd tot de titel van dit boek: “land van duizend heren”. Het is geen dichterlijke vrijheid, daar de schrijver ervan overtuigd is, dat hij meerdere namen niet heeft kunnen achterhalen.
De meeste gegevens van dit hoofdstuk zijn geput uit de besluiten en de rekeningen. Daar hier het jaartal voldoende aanwijzing geeft, zijn verdere noten achterwege gelaten. Voor de latere periode zijn tevens de registers en stukken gebruikt, in de inventaris vermeld onder de nrs. 12 - 108. Vindplaatsen buiten het eigen archief zijn in het kort tussen haakjes vermeld.
De namen zijn in chronologische volgorde gerangschikt. Vermeld zijn de gegevens over de personen en de aandelen; wanneer de heren voor het eerst optreden; welk aandeel zij bezitten; van wie dit afkomstig is; eventuele bijzonderheden over hun verhouding tot de ambachtsheerlijkheid, en tenslotte wanneer en
aan wie hun aandeel is overgegaan. Het overzicht beoogt derhalve geen biografie te zijn, nog minder een genealogisch werkstuk. Het beperkt zich welbewust tot het aandeel van de ambachtsportie. De lijst is chronologisch opgezet, omdat de materie zich hiervoor het beste leende. Een ogenblik is overwogen, de aandelen te reconstrueren naar de 6 oorspronkelijke delen, doch bij nader inzien is deze gedachte niet gevolgd, deels omdat zij toch niet met voldoende zekerheid uit te werken was, doch voornamelijk, omdat sommige oorspronkelijke aandelen zover onderverdeeld zijn, dat in een reconstructie langs die weg het overzicht misschien geheel verloren zou gaan.
In de lijst zijn de overgangen (indien bekend) vermeld, zodat het tot op zekere hoogte mogelijk is, een huidig aandeel via vroegere overdrachten terug te voeren. Het zal wel niet gelukken, deze reconstructie door te trekken tot 1410 , omdat er in de 15e en 16e eeuwen te weinig exacte gegevens zijn bewaard, zodat het daar moeilijk is de juiste successie met een redelijke zekerheid te geven.
Na de heren van Vossemeer zijn die van Vrijberghe vermeld. Deze heerlijkheid is op het einde van de 16e eeuw voor een deel, tegen het midden van de 19e eeuw geheel in het bezit van de heren van Vossemeer gekomen. De lijst van Vrijberghe vertoont in de 15e en 16e eeuw ernstige manco’s. Daar Vrijberghe tenslotte geheel in Vossemeer werd geïncorporeerd, is het redelijk, dat de nummering der heren gewoon doorloopt.
Tenslotte nog enkele practische aanwijzingen, die bij het raadplegen van de lijst in acht dienen te worden genomen:
1. De opvolging in de aandelen (meestal uitgedrukt door: “afkomstig van” of “overgegaan op” is slechts gegeven, als zij uit de stukken blijkt. Waar zij niet bekend of vermeld was en zij toch redelijkerwijs verondersteld mag worden, is zij desondanks niet gegeven. Enkele gevallen in de latere periode, waar naar de schijn een aandeel overging op een persoon met dezelfde familienaam en de juiste successie toch anders lag, hebben erop geattendeerd de successie enkel op vaststaande gegevens aan te nemen.
2. De jaartallen duiden de jaren aan, dat een persoon heer van Vossemeer of aandeelhouder was. Staat een jaartal tussen haakjes, dan betekent dit, dat het van andere gegevens is afgeleid. Een vraagteken vervangt soms het eerste of het tweede jaartal. Het tweede jaartal, dat meestal ook in de tekst is vermeld, duidt het jaar aan, dat het aandeel op een nieuwe eigenaar is overgegaan. Die vindt men dan in de lijst op de aangegeven chronologische plaats. Beide jaartallen duiden de tijd aan, waarin een heer van Vossemeer zitting had of aandeelhouder was.
Uitdrukkelijk moet erop gewezen worden, dat aan deze jaartallen geen absolute waarde mag worden gehecht; zij zijn gebaseerd op de vermelding van de betreffende persoon in de stukken. Slechts indien het overlijden bekend is of de overgang van het aandeel vaststaat, kan het tweede jaartal als de eindtermijn worden beschouwd. In tal van gevallen zal het vermelde jaar niet met zekerheid als zodanig kunnen worden aangenomen.
3. De hoegrootheid van het aandeel is opgenomen, indien zij bekend was. Hier is wel naar exactheid gestreefd, doch die kon niet altijd bereikt worden, omdat op dit punt de verschillende bronnen elkaar soms tegenspreken. Punten, die niet geheel duidelijk waren, zijn vermeld zoals de stukken ze geven, omdat een vooropgezet plan om alles wél sluitend te krijgen, niet te verwezenlijken was.
4. De schrijfwijze van de familienamen heeft in de loop der tijden enige verandering ondergaan. Over het algemeen is de eigentijdse schrijfwijze gevolgd, zodat men in de lijst diverse schrijfwijzen van dezelfde naam tegenkomt. Uiteraard kan dit geen beletsel zijn voor de identificatie van een en dezelfde familie. De afwijkingen zijn overigens van zeer ondergeschikte aard.
5. In 1795 is het publiekrechtelijk statuut der ambachtsheerlijkheid beëindigd. Daarna zou men eigenlijk niet meer mogen spreken van “heren van Vossemeer” doch van aandeelhouders. De successies overbruggen echter zo ongestoord de overgangsperiode, dat het niet verantwoord zou zijn een caesuur te leggen na 1795; terecht loopt de lijst gewoon door onder de titel van de heren van Vossemeer. Eenieder moge begrijpen, dat na plm. 1806 niet meer de volle institutionele titel van toepassing is.
6. Vanaf 1870 zijn de aandelen genummerd. In verband met de omzetting van het zedelijk lichaam in een nv zijn de aandelen in 1935 hernummerd. Terwille van de volledigheid zijn bij de aandeelhouders de nummers van hun aandelen vermeld. Overschrijvingen e.d. van vóór 1935 verwijzen naar de oude, van ná 1935 naar de nieuwe nummers. Daar dit zich min of meer vanzelf uitwijst, is in de lijst de vermelding van oud of nieuw achterwege gelaten.
1. Philips van Dorp 1410 - ?
Een der 6 deelhebbers, genoemd in de eerste uitgiftebrief.
2. Pieter Botlant 1410 - ?
Een der 6 deelnemers, genoemd in de eerste uitgiftebrief. Ook genoemd in de tweede uitgiftebrief van 1415. Volgens een later gegeven bezat hij een 1/8 deel (leenkamer). Vermoedelijk is hij de Pieter Botlant, die in 1427 samen met Gerrit van Zevenbergen de partij van Jacoba van Beieren gekozen had, in Zevenbergen door Philips van Bourgondië werd belegerd en na de overgave van de stad in gevangenschap naar Rijssel werd gevoerd. Pieter van Botlant, die in 1433 als ‘regent’ van het land van Vossemeer optreedt, is waarschijnlijk een andere persoon.
3. Laurens Dammas 1410 - ?
Een der 6 deelnemers, genoemd in de eerste uitgiftebrief.
4. Helwich van Doornik 1410 - (1414)
Een der 6 deelnemers, genoemd in de eerste uitgiftebrief. Komt in 1415 niet meer voor (zie ook 1431).
5. Guy de bastaard van Bloys 1410 – 1421
Een der 6 deelnemers, genoemd in de eerste uitgiftebrief. Hij stierf op 18 october 1421; is in het aandeel vermoedelijk opgevolgd door zijn vrouw Clara van Botlant. Zijn grafsteen bevindt zich in de kerk van Tholen.
6. Jan de Bastaard van Bloys, heer van Treslonge 1410 – 1437
Een der 6 deelhebbers, genoemd in de eerste uitgiftebrief. Ook genoemd in de tweede uitgiftebrief van 1415. Zijn goederen zijn in 1437 verdeeld tussen zijn kinderen: Adriaan, Jan en Johanna van Treslonge (Leenk.).
7. Gerrit van Zeijl (1413) – 1417
Wordt als deelhebber genoemd in de tweede uitgiftebrief van 1415. Volgens een register van de Leenkamer bezat hij in 1413 een 1/12 deel. Zijn aandeel gaat in 1417 over op Mr. Jan Gilliszoon (Leenkamer).
8. Jan Heerman (Jan van Goch) 1415 - ?
Genoemd in de tweede uitgiftebrief van 1415. In de registers van de Leenkamer wordt een Jan van Goch genoemd, die een 1/36 deel bezat. Deze is in 1415 met een deel begiftigd, dat in 1429 en 1436 werd bevestigd, “omdat hij met de anderen op zijn kosten bedijkt had”. In 1417 wordt Mr. Jan Gilliszoon genoemd als opvolger van een deel van Jan Heerman. Het aandeel blijkt in 1452 in bezit te zijn van Adriaan Willemszoon van Zommerzeer, die het van zijn vader gekregen had, doch tussen hem en Jan Heerman moet vermoedelijk nog een eigenaar aangenomen worden.
9. Laureys van Overvest 1415 - (1429)
Wordt in 1415 beleend met een 1/12 deel; vermoedelijk bezat hij het 1/12 deel van Gerrit van Zeijl. Een deel van zijn aandeel is in 1415 overgegaan op Johanna van Treslonge. Een ander deel is in 1417 overgegaan op Mr. Jan Gilliszoon, deken van Middelburg. Volgens latere gegevens is een ander deel van zijn aandeel in 1429 overgegaan op Jan de Wit Lauriszoon (leenkamer).
10. Johanna van Treslonge 1415 - ?
Bezit 1/4 deel van een 1/ 12 deel, dat zij in 1415 van Laureys van Overvest verkreeg. Het aandeel is overgegaan op Jan van Treslonge. In 1437 verkreeg zij een deel in het aandeel van haar vader Jan van Bloys, heer van Treslonge (leenkamer). (Zie ook 1437).
11. Dirk Ofhuis 1416 – 1420
Wordt in 1416 beleend met 1/54 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer. De helft van dit deel gaat in 1420 over (of blijft over?) op Dirk Ofhuis (leenkamer).
12. Mr. Jan Gilliszoon (1417 - (1420)
Deken van Middelburg. Wordt in 1417 beleend met een deel van het aandeel van Gerrit van Zeijl en een deel van het aandeel van Jan Heerman. Zijn aandeel gaat in 1420 of 1429 over op Mr. Gillis van Wissenkerke,ook deken van Middelburg, die zijn broer wordt genoemd (Leenk.)
13. Dirk Ofhuis 1420 - (1436)
Wordt in 1420 beleend met de helft van een 1/54 deel, afkomstig van Dirk Ofhuis. Het aandeel gaat in 1436 over op Jacob van Bleiswijk (Leenkamer).
14. Pieter Standert 1420 – 1439
Wordt in 1420 beleend met de helft van een 1/72 deel, dat in 1439 overgaat op zijn zoon Claes Pieter Standerszoon (Leenkamer).
15. Mr. Gillis van Wissenkerke (1420) - (1451)
Deken van Middelburg. Wordt in 1420 of 1429 beleend met een 1/12 deel, afkomstig van zijn broer Mr. Jan Gilliszoon. Een deel van zijn aandeel gaat in 1430 over op Jan van Soutengijs. Treedt in 1433 op als “regent” van de heerlijkheid. Hij stelt in dat jaar, namens de heren, een statuut op voor de uitgifte van te bedijken land, welke dijkage vermoedelijk niet is doorgegaan. Wordt in 1443 als bezitter vermeld van een 1/24 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer. Wordt in 1437 beleend met een 1/36 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, afkomstig van Mr. Jan van Leiden. Dit aandeel gaat in 1451 over op Claes Hendricxszoon van Wissenkerke. Wordt in 1446 beleend met de helft van 1/72 deel, afkomstig van Claes Pieter Standerszoon. Dit deel gaat in 1446 over op Willem Pieterszoon van Baersdorp, die de andere helft verkreeg van Daem Bartelmeuszoon en Margriete Simons dochter van Dalem (Leenkamer).
16. Simon Damaszoon ? – 1429
Bezit 1/4 van een 1/12 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer. Blijkens latere gegevens schijnt dit het aandeel te zijn van Laureys van Overvest. Het aandeel gaat in 1429 over op Jan de Wit Lauriszoon (Leenkamer).
17. Clara van Botland 1421 – 1435
Vrouw van Guy de bastaard van Bloys. Volgde vermoedelijk haar man in het aandeel op. Zij is op 20 september 1435 overleden. De grafsteen van haar en haar man ligt in de kerk van Tholen.
18. Jan de Wit Lauriszoon 1429 – 1431
Wordt in 1429 beleend met 1/4 deel van een 1/12 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, afkomstig van Simon Damaszoon. Volgens latere gegevens schijnt dit het deel te zijn van Laureys van Overvest. Het aandeel gaat in 1431 over op Hendrik van Groesbeek (Leenkamer).
19. Hugo van Dalem ? – 1430
Bezit 1/24 deel van de tienden, dat hij in 1430 overdraagt aan zijn zoon Cornelis van Dalem (Leenkamer).
20. Jacob Ofhuis 1430 – 1436
Wordt in 1430 beleend met de helft van 1/36 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, vermoedelijk afkomstig van Dirk Ofhuis. Het aandeel gaat in 1436 over op Jacob van Bleiswijk (Leenkamer).
21. Aernt Thouw Alewijnszoon 1430 - (1436)
Wordt in 1430 beleend met de helft van een 1/31 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer. Het deel gaat (in 1436?) over op Jacob van Bleiswijk (Leenkamer).
22. Jan van Soutengijs 1430 – 1437
Wordt in 1430 beleend met een 1/12 deel, afkomstig van Mr. Gillis van Wissenkerke. Zijn aandeel gaat in 1437 over op Jkvr. Johanna van Treslonge (Leenkamer).
23. Cornelis van Dalem 1430 – 1468
Wordt in 1430 beleend met een 1/24 deel van de tienden, afkomstig van zijn vader Hugo van Dalem. Het aandeel gaat in 1468 over op zijn zoon Pieter van Dalem (Leenkamer).
24. Dammas Laureszoon ? – 1431
Bezit de helft van een 1/16 deel, de helft van een 1/72 deel, en de helft van een 1/72 deel, welk aandeel in 1431 overgaat op zijn zoon Simon Damaszoon (Leenkamer).
25. Simon Damaszoon 1431
Wordt in 1431 beleend met de helft van een 1/16 deel, de helft van een
1 /72 deel en de helft van een 1/72 deel, welk aandeel hij in hetzelfde jaar overdraagt aan Daem Bartelmeuszoon (Leenkamer). Mogelijk is hij identiek met Simon Damaszoon (zie 1429 en 1440).
26. Hendrik van Groesbeek 1431 – 1441
Wordt in 1431 beleend met een 1/4 van een 1/12 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, afkomstig van Jan de Wit Lauriszoon. In 1440 vestigt hij er een lijftocht op ten gunste van zijn vrouw. Het aandeel gaat in 1441 over op Willem Pieterszoon van Baersdorp (Leenk.).
27. Helmich van Doornik 1431 – 1448
Draagt in 1431 de helft van zijn eigen vrij goed, erven en vroonlanden, die hij in Vossemeer heeft, aan de graaf op en krijgt deze in leen. Het vormt 1/12 deel van de heerlijkheid. De andere helft was in het bezit van Claes Bartelmeuszoon. Zijn aandeel gaat bij zijn overlijden in 1448 over op zijn zoon Jan van Doornik (Leenkamer). Mogelijk is hij identiek met Helmich van Doornik, in de eerste uitgiftebrief genoemd.
28. Daem Bartelmeuszoon 1431 – 1470
Wordt in 1431 beleend met de helft van 1/16 deel, de helft van een 1/72 deel en de helft van een 1/72 deel, afkomstig van Simon Damaszoon. In 1540 schijnt er (volgens de Leenkamer) een overdracht te hebben plaats gevonden door Maria Cornelis Claes Stoyts dochter. Het aandeel gaat in 1470 over op zijn neef Claes Jacobszoon (Leenkamer). Is identiek met Adam Bertelmees zoon, die genoemd wordt in 1458 in het geschil met de heer van Bergen op Zoom.
29. Hendrick Coppierszoon ? – 1432
Bezit een 1/24 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, dat in 1432 overgaat op zijn zoon Jacob Hendrick Coppierszoon (Leenk.).
30. Jacob Hendrick Coppierszoon 1432 – 1442
Wordt in 1432 beleend met een 1/24 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, afkomstig van zijn vader Hendrick Coppierszoon. Het aandeel gaat in 1443 over op Mr. Gillis van Wissenkerke (Leenkamer).
31. Pieter van Botlant 1433 - ?
Treedt in 1433 op als “regent” van het land van Vossemeer. Hij is vermoedelijk niet identiek met de eerste Pieter van Botlant.
32. Jacob en Dirk Ofhuis en Aernt Thouw ? – 1436
Bezitten gezamenlijk de helft van twee 1/31 delen en de helft van een 1/54 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer. Het aandeel gaat in 1436 over op Jan Willem Robbrechtzoon (Leenkamer).
33. Jacob van Bleiswijk 1436 – 1475
Wordt in 1436 beleend met de helft van een 1/30 deel en de helft van een 1/54 deel, afkomstig van Jacob en Dirk Ofhuis. Eveneens in de helft van een 1/31 deel, afkomstig van Aernt Thouw Alewijnszoon. Wordt in 1458 genoemd in het geschil met de heer van Bergen op Zoom. Is ook genoemd in een stuk van 1463. Zijn aandeel gaat in 1475 over op zijn zoon Willem van Bleiswijk (Leenkamer).
34. Jan Willem Robbrechtszoon 1436 – 1485
Wordt in 1436 beleend met een 1/24 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer. Het aandeel gaat in 1443 over op Mr. Gillis van Wissenkerke. De juiste successie is onzeker. Wordt in 1436 beleend met de helft van twee 1/31 delen en de helft van een 1/54 deel, afkomstig van Jacob en Dirk Ofhuis en Aernt Thouw. Het aandeel gaat in 1485 over op zijn zuster Sophie Willem Robbrechtsdoehter (Leenkamer).
35. Mr. Jan van Leiden ? – 1437
Bezit een 1/36 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, dat in 1437 overgaat op Mr. Gillis van Wissenkerke (Leenkamer).
36. Willem Janszoon ? – 1437
Bezit de helft van een 1/72 deel, dat in 1437 overgaat op Cornelis Claeszoon Boeyenszoon (Leenkamer).
37. Cornelis Claeszoon Boeyenszoon 1437 - ?
Wordt in 1437 beleend met de helft van een 1/72 deel, afkomstig van Willem Janszoon (Leenkamer).
38. Adriaan van Bloys, heer van Treslonge 1437 - ?
Wordt in 1437 beleend met de helft van een 1/24 deel en de tienden, afkomstig van zijn vader Jan van Bloys, heer van Treslonge. Wordt in 1458 genoemd in het geschil met de heer van Bergen op Zoom. Komt nog in een stuk van 1463 voor. Zijn aandeel gaat over op Cornelis van Treslonge (Leenkamer).
39. Jan van Treslonge 1437 - ?
Verkrijgt in 1437 een deel van het aandeel van zijn vader Jan van Bloys, heer van Treslonge (Leenkamer). De verdere successie van zijn aandeel is niet bekend.
40. Jkvr. Johanna van Treslonge 1437 - ?
Wordt in 1437 beleend met een 1/12 deel, afkomstig van Jan van Soutengijs. Haar aandeel gaat in 1478 over op Martijn Claeszoon van Wissenkerke, doch heeft tevoren op naam gestaan van diens vader Claes Danszoon van Wissenkerke (Leenkamer). Johanna krijgt in 1437 een deel van het aandeel van haar vader Jan van Bloys, heer van Treslonge. (zie ook 1415).
41. Claes Pieter Standerszoon 1439 – 1446
Wordt in 1439 beleend met de helft van een 1/72 deel, dat in 1446 op Mr.Gillis van Wissenkerke overgaat (Leenkamer).
42. Marie Cornelis Claes Stoyts dochter ? – 1440
Bezit een 1/32 en een 1/72 deel, dat in 1440 op Simon Damaszoon overgaat (Leenkamer).
43. Simon Damaszoon 1440
Wordt in 1440 beleend met een 1/32 en een 1/72 deel, afkomstig van Maria Cornelis Claes Stoyts dochter, dat hij hetzelfde jaar overdraagt aan zijn moeder Margriete Simons dochter van Dalem (Leenkamer). Mogelijk is hij identiek met Simon Damaszoon (zie 1431).
44. Margriete Simons dochter van Dalem 1440 – 1481
Wordt in 1440 beleend met een 1/32 en een 1/72 deel, afkomstig van haar
zoon Simon Damaszoon. Bij haar dood in 1481 gaat het aandeel over op haar zoon Dammas Simonszoon (Leenkamer).
45. Willem Pieterszoon van Baersdorp 1441 – 1476
Wordt in 1441 beleend met een 1/4 van een 1/12 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, afkomstig van Hendrik van Groesbeek. Wordt in 1446 beleend met de helft van een 1/72 deel, afkomstig van Daem Bartelmeuszoon en Margriete Simons dochter van Dalem. Het aandeel gaat over op Martijn Claeszoon van Wissenkerke. Volgens een ander gegeven gaan het eerste en het tweede deel over op zijn broer Harnoult Pieterszoon (Leenkamer).
46. Jan van Doornik 1448 – 1477
Wordt in 1448 beleend met een 1/12 deel, afkomstig van zijn vader Helmich van Doornik. In 1455 schijnt het aandeel als douairie verbonden te zijn voor zijn vrouw Jkvr. Lijsbet Jansdochter van Renesse (leenkamer). Hij is in 1458 genoemd in het geschil met de heer van Bergen op Zoom. Komt in een stuk van 1463 als heer voor (reg. 28). Bezit een 1/6 deel, dat in 1472 overgaat op Dammas Simonszoon. Hij draagt de wederhelft van de percelen, door Helmich van Doornik aan de graaf opgedragen, in 1472 over op Claes Jacob Bartelmeuszoon, alias de Waert. Zijn aandeel gaat in 1477 over op zijn zoon Jan van Doornik (Leenkamer).
47. Claes Hendricxszoon van Wissenkerke 1451 – 1465
Wordt in 1451 beleend met een 1/36 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer; in dezelfde opgave wordt vermeld, dat hij een 1/12 en een 1/18 deel bezit. Zijn aandeel gaat in 1465 over op Claes de Vriese (Leenkamer).
48. Adriaan Willemszoon van Zommerzeer 1452 – 1476
Wordt in 1452 beleend met een 1/36 deel, afkomstig van Jan van Gogh (Heerman?) Het deel gaat in 1476 over op de heer van Bergen op Zoom (Leenkamer).
49. Jkvr. Lijsbet Jansdochter van Renesse 1455 – 1477
Vrouw van Jan van Doornik. Heeft sinds 1455 een douairie in een 1/12 deel. Het aandeel gaat in 1477 over op Helmich van Doornik (Leenk.).
50. Jan Willemszoon 1458 - ?
Genoemd in het geschil met de heer van Bergen op Zoom.
51. Claes Henrix zoon van Wissenkerke 1458 - (1465)
Genoemd in het geschil met de heer van Bergen op Zoom. Zijn vrouw was Marie van Domburg; haar goederen in Vossemeer gaan in 1469 over op haar broer Dierik van Domburg, priester te Leuven, die ze overdraagt op zijn neef Vrancken van Domburg, natuurlijke zoon van Jan van Domburg (Beterams, Antwerpen Schepenbrieven, nr. 1709). Het leen van Vossemeer is bij het overlijden van Claes Hendrix zoon van Wissenkerke, dat omstreeks 1465 heeft plaatsgehad, aan de graaf van Holland teruggevallen, die er Claes de Vriese mee beleende.
52. Jan van Botlant Pieters zoon 1458 - (1497)
Genoemd in het geschil met de heer van Bergen op Zoom. Komt in de stukken van 1463 en 1489 voor (reg. nrs. 28, 39). Verschijnt voor de laatste maal in de vergadering van 1497. Was in 1489 commissaris van de heren.
53. Jan van Noirtwijck 1458 - (1500)
Genoemd in het geschil met de heer van Bergen op Zoom. Komt in de vergaderingen van 1492, 1494 en 1495 voor. In 1494 wordt hij om zijn hoge ouderdom door de heren geëxcuseerd voor het voorschrift, dat niemand in de vergadering aanwezig mag zijn, die het leen niet persoonlijk bezit. Vermoedelijk vertegenwoordigde hij een andere heer.
54. Jan II van Glymes, “Metten lippen”, heer van Bergen op Zoom (1463) – 1494
Fungeert minstens vanaf 1463 (reg. 28) als heer van Vossemeer. Verkrijgt in 1476 een 1/36 deel, afkomstig van Adriaan Willemszoon van Zommerzeer (Leenkamer). Wordt in 1492 in de vergadering genoemd. Is in 1494 overleden. Zijn aandeel gaat over op Jan III van Glymes.
55. Claes de Vriese 1465 – 1475
Wordt in 1465 beleend met een 1/36 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, afkomstig van Claes Hendricxszoon van Wissenkerke. Het aandeel gaat in 1475 over op zijn dochter Helwigh Claes de Vriese dochter (Leenkamer).
56. Mr. Jacob Cruesink 1470 - ?
Was volgens een stuk van 1470 (reg. 32) deelgenoot.
57. Mr. Anthonis Hanneron 1470 - ?
Proost van St. Donaas te Brugge. Was volgens een stuk van 1470 (reg. 32) deelgenoot.
58. Claes Jacobszoon, alias de Waert 1470 – 1493
Wordt in 1470 beleend met het aandeel, afkomstig van zijn oom Daem Bartelmeuszoon. Verkrijgt in 1472 een 1/6 deel, afkomstig van Jan van Doornik. Verkrijgt in 1480 1/4 deel van een 1/12 deel, afkomstig van Jan van Treslonge. Draagt in 1484 de helft van een 1/ 12 deel over aan Anthonis Janszoon van Wissenkerke. Zijn aandeel gaat in 1493 over op zijn zoon Mr. Jacob van Bleiswijk; het 1/6 deel gaat over op Jkvr. Alijdt Claes de Waarts dochter (Leenkamer). Is identiek met Nicolaus de Waert, die in een stuk van 1481 voorkomt.
59. Jkvr. Helwigh Claes de Vriese dochter 1475
Wordt in 1475 beleend met een 1/36 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, afkomstig van haar vader Claes de Vriese. Zij draagt het aandeel in hetzelfde jaar over op Willem van Bleiswijk (Leenkamer).
60. Willem van Bleiswijk 1475 – 1476
Wordt in 1475 beleend met een 1/36 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, afkomstig van Jkvr. Helwigh Claes de Vriese dochter. Eveneens met de helft van een 1/30 deel en de helft van een 1/54 deel afkomstig van zijn vader Jacob van Bleiswijk. Zijn aandeel gaat in 1476 over op zijn broer Jacob van Bleiswijk (Leenkamer).
61. Jacob van Bleiswijk (de oude) 1476 – 1515
Wordt in 1476 beleend met de helft van een 1/30 en de helft van een 1/54 deel, afkomstig van zijn broer Willem van Bleiswijk. Hij wordt in 1476 beleend met een 1/36 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, afkomstig van zijn broer Willem van Bleiswijk. Hij wordt in 1485 beleend met de helft van twee 1/31 delen en de helft van een 1/54 deel, afkomstig van Sophie Willem Robbrechtsdochter. Zijn aandelen gaan in 1515 over op zijn zoon Jacob van Bleiswijk (Leenkamer).
62. Harnoult Pieterszoon 1476 – 1479
Wordt in 1476 beleend met een 1/4 van een 1/12 deel, en de helft van een 1/72 deel, afkomstig van zijn broer Willem Pieterszoon van Baersdorp. Zijn aandeel gaat in 1479 over op Ydo Jacobszoon (Leenkamer).
63. Jan van Doornik 1477 - ?
Wordt in 1477 beleend met een 1/ 12 deel, afkomstig van zijn vader Jan van Doornik. Het aandeel gaat over op Helmich van Doornik en Marie Jacobs dochter van Bleiswijk (Leenkamer).
64. Helmich van Doornik 1477 – 1514
Wordt in 1477 beleend met een 1/12 deel, afkomstig van zijn moeder Jkvr. Lijsbet Jansdochter van Renesse. Is in 1513 overleden (res. 1514). Het aandeel gaat in 1514 over op zijn zoon Jan van Doornik. Hij bezat een 1/12 deel, afkomstig van Jan van Doornik, dat hij in 1413 samen met Maria Jacobs dochter van Bleiswijk overdraagt aan Jan de Waert, abt van St. Michiels te Antwerpen (Leenkamer).
65. Claes Janszoon van Wissenkerke ? – 1478
Bezit een 1/12 deel, afkomstig van Jkvr. Johanna van Treslonge, dat in 1478 overgaat op zijn zoon Martijn Claeszoon van Wissenkerke (Leenk.).
66. Martijn Claeszoon van Wissenkerke 1478 – 1491
Wordt in 1478 beleend met een 1/12 deel, afkomstig van zijn vader Claes Janszoon van Wissenkerke. Bezit een 1/4 van een 1/12 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, afkomstig van Willem Pieterszoon van Baersdorp. Dit aandeel gaat in 1491 over op zijn zoon Hendrik Martijnszoon van Wissenkerke. Het eerste deel is vroeger overgegaan op Anthonis Janszoon van Wissenkerke (Leenkamer). Hij treedt in 1489 als commissaris van de heren op.
67. Ydo Jacobs zoon 1479 - 1494
Wordt in 1479 beleend met een 1/4 van een 1/12 deel en de helft van een 1/72 deel, afkomstig van Harnoult Peters. Wordt in 1486 beleend met de helft van een 1/48 deel, afkomstig van Jan van Treslonge (Leenkamer). Was in 1481 deelgenoot (reg. 35). Treedt in 1483 als commissaris van de
heren op (reg. 39). Wordt in 1487 beleend met een 1/24 deel, afkomstig van Anthonis Janszoon van Wissenkerke. Hij is overleden in maart 1494; zijn grafsteen is in de kerk van Tholen. Zijn aandeel gaat in 1494 over op zijn zoon Pieter Ydo Jacobs zoon (Leenk.).
68. Jan van Treslonge (1481) - (1497)
Bezit 1/4 van een 1/12 deel, afkomstig van Johanna van Treslonge, dat in 1480 overgaat op Claes Jacobszoon de Waert. Verkrijgt in 1485 de helft van een 1/24 deel, afkomstig van zijn broer Cornelis van Treslonge (Leenkamer). Wordt in 1485 beleend met de helft van een 1/24 deel en de tienden, afkomstig van zijn broer Cornelis van Treslonge. Dit deel gaat in 1497 over op Jan van Glymes, heer van Bergen op Zoom. Bezit de helft van een 1/48 deel, dat in 1486 overgaat op Ydo Jacobszoon (Leenkamer). Treedt tussen 1494 en 1521 in de vergaderingen op; waarschijnlijk is na 1497 zijn gelijknamige zoon bedoeld.
69. Dammas Simonszoon (Van Over de Veste) 1481 – 1510
Wordt in 1481 beleend met een 1/32 en een 1/72 deel, afkomstig van zijn moeder Margriete Simonsdochter van Dalem. Het aandeel gaat in 1510 over op zijn zoon Laurens Dammaszoon (Leenkamer). Treedt tussen 1492 en 1509 in de vergaderingen op.
70. Petrus van Dalem 1481 - ?
Was volgens een stuk (reg. 35) in 1481 deelgenoot.
71 Anthonis Janszoon van Wissenkerke (1484) – 1489
Bezit een 1/12 deel, afkomstig van Martijn Janszoon van Wissenkerke. Wordt in 1484 beleend met de helft van een 1/12 deel, afkomstig van Claes Jacobszoon, alias de Waert. Een 1/24 van een 1/48 deel en een 1/24 deel gaan in 1487 over op Ydo Jacobs zoon. Zijn aandeel gaat in 1489 over op zijn zoon Francoys van Wissenkerke (Leenkamer). In 1500 worden zijn kinderen als absent genoteerd.
72. Sophie Willem Robbrechtsdochter 1485
Wordt in 1485 beleend met de helft van twee 1/31 delen en de helft van een 1/54 deel, afkomstig van haar broer Jan Willem Robbrechtszoon. Het aandeel gaat in hetzelfde jaar over op Jacob van Bleiswijk (Leenk.).
73. Cornelis van Treslonge ? – 1485
Bezit de helft van een 1/24 deel, afkomstig van Adriaan van Treslonge, dat in 1485 overgaat op zijn broer Jan van Treslonge (Leenkamer).
74. Francoys van Wissenkerke (1489) – 1510
Bezit een 1/12 deel en de helft van een 1/12 deel, afkomstig van zijn vader Anthonis Janszoon van Wissenkerke. Volgens de rekening van 1504/05 bezit hij een 1/12 en een 1/96 deel. In 1511 treedt Anthuenis uten Wijngaerde voor zijn weeskind op. Zijn aandeel gaat in 1510 over op zijn zoon Anthonis Francoyszoon van Wissenkerke (Leenkamer).
75. Van Domburg 1489 - (1507)
De vader van ridder Jacob van Domburg bezit sinds 1489 een aandeel, dat in 1507 op de zoon overgaat.
76. Cornelis de Waert ? – 1491
In 1491 wordt voor hem een Requiemmis opgedragen (rek. 1491/92). Van zijn aandeel is verder niets bekend.
77. Hendrik Martijnszoon van Wissenkerke 1491 - (1504)
Wordt in 1491 beleend met een 1/4 van een 1/ 12 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, afkomstig van zijn vader Martijn Claeszoon van Wissenkerke. Het aandeel gaat bij zijn overlijden over op Jan Willemszoon Zoete (Leenkamer). Treedt tussen 1492 en 1504 in de vergaderingen op.
78. Pieter Ydoens (Ydozoon, Yezoon) (1492) – 1510
Treedt tussen 1492 en 1507 in de vergaderingen op. In de vergadering van 1508 is hij als heer geschorst, omdat hij in Bergen op Zoom een rechtszaak aanhangig had gemaakt tegen Pieter Geerts zoon de Heerde, wonend onder Vossemeer, wat tegen de keur was. Zijn broer is om eenzelfde zaak uitgesloten, doch deze is na zijn verdediging weer aanvaard. Hij is in 1494 beleend met een 1/24 in een 1/48 en een 1/24 deel, eveneens een 1/4 in een 1/12 deel, afkomstig van zijn vader Ydo Jacobszoon. Zijn aandeel gaat in 1505 door overdracht en bij zijn overlijden in 1510 door vererving over op zijn broer Adriaan Jacobszoon (Leenkamer).
79. Cornelis Pieterszoon van Dalem 1492 – 1517
Treedt tussen 1492 en 1517 in de vergaderingen op. Is op 28 december 1518 overleden. Zijn grafsteen bevindt zich in de kerk van Tholen.
80. Jan Willemszoon Zoet (Zoete, Suet) 1492 – 1524
Treedt tussen 1492 en 1524 in de vergaderingen op. Wordt in 1498 beleend met een 1/4 van een 1/12 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, afkomstig van Hendrik Martijnszoon van Wissenkerke. Dit aandeel gaat in 1525 over op zijn dochter Margriete Jan Zoete dochter (Leenkamer).
81. Jan de Waert 1493 – 1500
Abt van St. Michiels te Antwerpen. Wordt in 1493 beleend met een 1/12 deel, afkomstig van Helmich van Doornik. Wordt tussen 1492 en 1498 bij de ter vergadering aanwezige heren vermeld. Bij de resolutie van 1492 staat, dat hij in 1499 overleed, doch dat hij “soude zijn gedeputeerde van Trellongeswege”. Zijn aandeel gaat in 1500 over op Jacob van Elsakker, abt van St. Michiels (Leenkamer).
82. Mr. Jacob van Bleiswijk 1493 – 1501
Wordt in 1493 beleend met een aandeel, afkomstig van zijn overleden vader Claes Jacobszoon, alias de Waert. Zijn aandeel gaat in 1501 over op Jan Pels (Leenkamer). Hij is niet identiek met Jacob van Bleiswijk, die onder 1476 genoemd is.
83. Jkvr. Alijdt Claes de Waertsdochter 1493 - ?
Wordt in 1493 beleend met een (1/6) deel, afkomstig van haar overleden vader Claes Jacob Bartelmeuszoon, alias de Waert (Leenkamer).
84. Lodewijk van Bloys, heer van Treslonge (1494) – 1505
Bezit een 1/6 deel, dat in 1505 overgaat op zijn zoon Lodewijk van Treslonge (Leenkamer).Treedt tussen 1494 en 1504 in de vergaderingen op. Vanaf 1505 tot 1549 worden de kinderen van Loys van Treslonge als deelgenoten vermeld.
85. Jan III van Glymes, heer van Bergen op Zoom 1494 – 1531
Volgde zijn vader, Jan II van Glymes, in het aandeel op. Verkrijgt in 1497 de helft van een 1/24 deel en tienden, afkomstig van Jan van Treslonge. Verkrijgt in 1505 een 1/12 deel, afkomstig van Jacob van Elsakker. Verkrijgt in 1523 een 1/32 en een 1/72 deel, afkomstig van Jan van Ovenhof. Verkrijgt in 1525 een 1/4 en een 1/12 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, afkomstig van Margriete Jan Zoete dochter. Hij wordt tussen 1504 en 1514, daarna tussen 1523 en 1532 regelmatig in de vergaderingen genoemd. Hij heeft waarschijnlijk niet persoonlijk zitting gehad, doch zich laten vertegenwoordigen door een raadsheer. In 1517 leende keizer Karel van hem een som van 10,000 gld., met onderpand op de heerlijkheid van Vossemeer (R.A. Zeeland, Copulaatboeken IV, fol. 378). Mogelijk verklaart dit, naast het grote aandeel, de sterke positie, die de heer van Bergen op Zoom een tijd in de heerlijkheid heeft gehad. Zijn aandeel gaat in 1532 over op Anthonie van Glymes, heer van Bergen op Zoom.
86. Heyndric Janse 1498
Komt alleen in de vergadering van 1498 voor.
87. Jan van Botlant ? – 1500
Bezit een 1/3 van een 1/8 deel, voorheen afkomstig van Pieter van Botlant, die in 1415 een geheel 1/8 deel bezat. Het aandeel gaat in 1500 over op zijn zoon Joost van Botlant (Leenkamer).
88. Joost van Botlant 1499 – 1523
Wordt in 1500 beleend met een 1/3 van een 1/8 deel, afkomstig van zijn vader Jan van Botlant. Treedt tussen 1499 en 1523 in de vergaderingen op. Volgens een register der Leenkamer gaat zijn aandeel in 1500 over op Joost van Bloys, doch dit is vermoedelijk niet juist. Hij bezit de helft van een 1/8 deel, dat in 1524 overgaat op zijn dochter Catharina van Botlant.
89. Jacob van Elsakker 1500 – 1505
Abt van St. Michiels te Antwerpen. Wordt in 1500 beleend met een 1/12 deel, afkomstig van Jan de Waert, abt van St. Michiels. Het aandeel gaat in 1505 over op de heer van Bergen op Zoom (Leenkamer).
Jan III van Glymes, heer van Bergen op Zoom en heer van Vossemeer.
Naar een schilderij in het stadhuis van Bergen op Zoom.
90. Kinderen van Anthonis Jansse van Wissenkerke (1500) - ?
Worden in de vergadering van 1500 als absent vermeld.
91. Jan van Bleiswijk 1501 – 1502
Is aanwezig op de vergaderingen van deze jaren, doch is vermoedelijk langer deelgenoot geweest.
92. Joost van Bloys 1500 – 1524
Wordt in 1500 beleend met een 1/8 deel, volgens de Leenkamer afkomstig van Joost van Botlant, wat niet zeker is. Wordt in 1501 toegelaten; legt de eed af. Treedt tot 1522 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1524 over op zijn neef Joost van Vernewijk (Leenkamer).
93. Jan Pels 1501 – 1509
Wordt in 1501 beleend met een 1/24 deel, afkomstig van Mr. Jacob van Bleiswijk. Treedt tussen 1500 en 1506 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1509 over op zijn zoon Lievin Pels (Leenkamer).
94. Jan van der Meere (Mare) 1504
Treedt slechts eenmaal in een vergadering op, doch is vermoedelijk langer deelgenoot geweest.
95. Kathrijne van Treslonge 1505 – 1506
Pieter van der Duust treedt in 1505 als haar vertegenwoordiger op (reg. 196). In 1506 wordt zij vrouwe van Treslonge genoemd. Misschien was zij de weduwe van Lodewijk van Treslonge, wiens kinderen in 1505 vertegenwoordigd worden.
96. Adriaen Ydozoon 1505 – 1520
Treedt tussen 1505 en 1507 in de vergaderingen op. Hij wordt in 1508, samen met zijn broer Pieter Ydozoon door de heren uitgesloten, omdat hij buiten de heerlijkheid een proces aanhangig had gemaakt tegen Leyn Adriaenszoon, inwoner van Vossemeer, wat tegen de keur was. Toen hij echter aanvoerde, dat hij ten tijde van het proces nog geen heer van Vossemeer was, is hij weer toegelaten. Wordt in 1510 beleend met het aandeel, afkomstig van zijn broer Pieter Ydo Jacobszoon (Leenkamer). Hij is vóór juni 1520 overleden (res.). Met zijn aandeel wordt in 1517 Antonia Adriaen Ydens beleend (Leenkamer). In 1522 treedt Mr. Raes van Leydekerke als voogd van zijn kinderen op (reg. 298).
97. Kinderen van Lodewijk van Bloys, heer van Treslonge 1505 – 1549
Worden als zodanig vanaf 1505 tot 1549 in de vergaderingen genoemd. Aanvankelijk trad Cornelis Cornelis Pieterszoon, hun rentmeester, als hun vertegenwoordiger op. De juiste successie der Bloys, heren van Treslonge, is onduidelijk.
98. Jhr. Lodewijk van Treslonge Lodewijkszoon 1505 – 1549
Wordt in 1505 beleend met een 1/6 deel, afkomstig van zijn vader Lodewijk van Treslonge. Het aandeel gaat in 1549 over op zijn zoon Boudewijn (Leenkamer).
99. Cornelis van Treslonge ? – 1506
Bezit 1/4 van een 1/12 deel, dat in 1506 overgaat op zijn broer Jan van Treslonge (Leenkamer). Het is niet duidelijk, of hij identiek is met Cornelis van Treslonge, op 1485 vermeld.
100. Jan van Treslonge 1506 – 1517
Wordt in 1506 beleend met een 1/4 van een 1/12 deel, afkomstig van zijn broer Cornelis van Treslonge (Leenkamer). Is in 1510 toegelaten. Treedt tot 1517 in de vergaderingen op. In 1513 blijkt, dat hij eerst afgewezen was, doch weer aangenomen, omdat hij tengevolge van een accoord met Lodewijk van Treslonge Raeszoon een 1/48 deel op zijn naam had. Tegelijk met hem verschijnen Lodewijk van Treslonge en de “heer van Treslonge”, zodat er drie personen te onderscheiden zijn, wat wegens de onduidelijkheid der gegevens niet altijd mogelijk is. Misschien is hij identiek met Jan van Treslonge, op 1485 vermeld. Zijn aandeel gaat in 1517 over op Nicolaas Vierlingh (Leenkamer).
101. Jacob van Domburg 1507 - (1512)
Wordt in 1507 toegelaten. Treedt tussen 1507 en 1512 in de vergaderingen op. In 1509 spant hij een geding aan tegen de andere heren en klaagt bij de keizer, dat hij gestoord wordt in het bezit en het genot van zijn aandeel. Uit zijn request blijkt, dat zijn ouders sinds 1489 in het bezit van een
aandeel waren. Tevens dat hij optrad als man en voogd van Agnes van den Werve, die vermoedelijk ook een aandeel bezat. De moeilijkheden waren ontstaan, omdat in een rechtsgeding beslag op de baten van zijn aandeel was gelegd. De uitslag van het geding tegen de heren van Vossemeer is niet bekend; wel dat Jacob daarna deelgenoot is gebleven.
102. Laureys Damaszoon 1510 – 1514
Wordt in 1510 toegelaten in een 1/6, een 1/32 en een 11 72 deel, afkomstig van zijn overleden vader Dammas Simonszoon. Treedt tot 1514 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1514 over op Marcelis van Ovenhof. Het 1/6 deel gaat over op Anthuenis van Doornik (Leenk.).
103. Anthuenis van Wissenkerke Francoys zoon 1510 – 1537
Wordt in 1510 beleend met een 1/12 deel, afkomstig van zijn vader Francoys van Wissenkerke. Is in 1511 toegelaten; is dan nog een kind. Aanvankelijk treedt Anthuenis uytten Wijngaerden voor hem op. In 1523 is hij persoonlijk toegelaten; tot 1557 treedt hij in de vergaderingen op. Hij heeft lang als voorzitter van de vergaderingen gefungeerd; bestuurde de heerlijkheid in een moeilijke tijd. Volgens een register der Leenkamer gaat zijn aandeel (of een deel ervan?) in 1539 over op zijn zoon Francoys van Wissenkerke. In 1546 heeft hij nog een 1/12 deel. Na zijn overlijden is het heerlijkheidsarchief uit zijn huis gehaald (rek. 1561/62).
104. Lodewijk van Treslonge Raeszoon 1513 – 1526
Wordt in 1513 toegelaten, omdat hij nu mondig is. Treedt tussen 1513 en 1526 in de vergaderingen op. In 1513 sluit hij met Jan van Treslonge een accoord, waardoor deze een 1/48 deel verkrijgt. Komt tot 1521 onder zijn eigen naam voor, en tot 1526 met aanwijzingen, dat hij nog zitting had. Daarna, tot 1548 wordt de “heer van Treslonge” genoemd. Het is niet duidelijk, wie hiermede bedoeld is. Waarschijnlijk is wel, dat die benoeming op een oudere deelgenoot slaat.
105. Marcelis van Ovenhof 1514 – 1522
Wordt in 1514 toegelaten in een 1/32 en een 1/72 deel, afkomstig van Laureys Damaszoon. In enkele vergaderingen treedt hij als vertegenwoordiger van de heer van Bergen op Zoom op. Zijn aandeel gaat in 1522 over op zijn zoon Jan van Ovenhof (Leenkamer).
106. Jan van Doornik 1514 – 1534
Wordt in 1514 beleend met een 1/12 deel, afkomstig van zijn vader Helmich van Doornik. Treedt tussen 1514 en 1533 in de vergaderingen op. Een 1/4 van een 1/12 deel gaat in 1516 over op Frederik van Renesse. Het aandeel gaat in 1534 over op zijn broer Anthuenis van Doornik. Jkvr. Geertruyt van Broekhuijsen houdt er een douairie in (Leenk.).
107. Jan Pels zoon 1514 - ?
In 1514 treedt Geleyn Janszoon als zijn vertegenwoordiger op; vermoedelijk was hij nog minderjarig. Hij moet dus wel een andere zijn dan de eerder genoemde Jan Pels.
108. Jacob van Bleiswijk 1515 – 1518
Wordt in 1515 beleend met een 1/36 deel, afkomstig van zijn vader Jacob van Bleiswijk. Het aandeel gaat in 1516 over op Simon Anthuenis zoon. Wordt beleend met de helft van een 1/30 en de helft van een 1/54 deel, en de helft in twee 1/31 delen en de helft van een 1/54 deel, afkomstig van zijn vader Jacob van Bleiswijk. Dit aandeel gaat over op zijn dochter Bale van Bleiswijk. Wordt beleend met het aandeel, voorheen afkomstig van Sophie Robbrechtsdochter. Dit aandeel gaat in 1518 over op Cornelis Jan Adriaanszoon (Leenkamer).
109. Simon Anthuenis zoon 1516 – 1537
Wordt in 1516 beleend met een 1/36 deel, afkomstig van Jacob van Bleiswijk. Treedt tussen 1517 en 1536 in de vergaderingen op. Het aandeel gaat in 1537 over op zijn kleinzoon Marinus Marinuszoon (Leenk.).
110. Frederik van Renesse 1516 – 1538
Wordt in 1516 beleend met een 1/4 van een 1/12 deel, afkomstig van Jan van Doornik. Het aandeel gaat in 1538 over op zijn zoon Johan van Renesse, heer van Mal. Wordt in 1524 beleend met een 1/4 van een 1/12 deel, dat (in 1538) overgaat op zijn zoon Johan van Renesse (Leenk.).
111. Nicolaas Vierlingh 1517 – 1522
Wordt in 1517 beleend met een deel, afkomstig van Jan van Treslonge (Leenkamer). Is in 1518 als heer toegelaten. Treedt tot 1522 in de vergaderingen op.
112. Jkvr. Antonia Adriaen Ydens 1517 – 1563
Wordt in 1517 beleend met een 1/24 deel in een 1/48 deel, afkomstig van haar vader Adriaen Ydenszoon. Haar aandeel gaat in 1563 over op haar zonen Karel en Bernard Pels, ieder voor de helft (Leenkamer).
113. Cornelis Jan Adriaenszoon 1518 – 1543
Wordt in 1518 beleend met de helft van twee 1/31 delen en de helft van een 1/54 deel, afkomstig van Jacob van Bleiswijk. Is in 1519 toegelaten. Treedt tot 1541 in de vergaderingen op. In 1542 besluiten de heren, zijn zoon voor de volgende vergadering te dagvaarden. Zijn aandeel gaat in 1543 over op zijn zoon Jan Adriaenszoon (Leenkamer).
114. Cornelis van Dalem ? – 1519
Priester. Bezit een 1/24 deel, voorheen afkomstig van Mr. Gillis van Wissenkerke, dat in 1519 op zijn zoon Pieter van Dalem overgaat (Leenk.).
115. Pieter van Dalem 1519 – 1561
Wordt in 1519 beleend met een 1/24 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, afkomstig van zijn overleden vader Cornelis van Dalem. Zijn aandeel gaat in 1516 over op Jhr. Cornelis van Dalem (Leenkamer).
116. Joos van Bleiswijk 1520
Wordt in 1520 in de vergadering genoemd. Is misschien identiek met Jacob van Bleiswijk (zie 1515).
117. Jkvr. Jaqueline Pels 1520 - (1559)
Wordt in 1520 beleend met het aandeel, afkomstig van haar overleden broer Jan Pels. Het aandeel gaat bij haar dood (in 1559?) over op haar zoon Jan Pieterszoon (Leenkamer).
118. Willem Pietersse zoon 1521 – 1540
Is in 1521 toegelaten in een 1/24 deel (rek. 1523/24). Treedt tot 1539 in de vergaderingen op. In 1541 wordt de zoon van Willem gedagvaard voor de volgende vergadering. Zijn aandeel is eerst overgegaan op Jacobmijne Pels, zijn weduwe.
119. Kinderen van Adriaen Ydozoon 1522
In 1522 treedt Mr. Raes van Leydekerke als hun voogd op.
120. Jan van Ovenhof 1522 – 1523
Priester. Treedt in 1522 op in het aandeel van zijn overleden vader, dat hij in 1523 aan de heer van Bergen op Zoom overdraagt (Leenkamer).
121. Joost van Vernewijk 1524 – 1526
Wordt in 1524 beleend met een 1/3 van een 1/8 deel, afkomstig van zijn oom Joost van Bloys. Zijn aandeel gaat in 1526 over op zijn broer Lodewijk van Vernewijk (Leenkamer).
122. Catharina van Botlant 1524 – 1540
Wordt in 1524 toegelaten in de helft van een 1/8 deel, afkomstig van haar vader Joost van Botlant. Haar aandeel gaat in 1540 over op haar zoon Anthuenis Janszoon van der Vicht (Leenkamer).
123. Bernard Pels 1524 – 1540
Wordt in 1524 toegelaten als man van Jkvr. Antonie Adriaen Ydo zoon dochter. Treedt tot 1540 in de vergaderingen op. Het aandeel gaat in 1563 over op zijn zonen.
124. Margriete Jan Zoete dochter 1525
Wordt in 1525 verheven in een 1/4 van een 1/12 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, afkomstig van haar vader Jan Willemszoon Zoete. Haar aandeel gaat in hetzelfde jaar over op de heer van Bergen op Zoom (Leenkamer).
125. Jacob Willems zoon van Schengen ? – 1526
Doet in 1526 afstand van een 1/12 deel in de tienden van Oud en Nieuw Vossemeer, waarmede keizer Karel V Gillis van Borre beleent (reg. 313). Misschien is hier toch van een ambachtsportie sprake.
126. Jhr. Lodewijk van Vernewijk (Vaarnewijk) 1526 – 1533
Wordt in 1526 beleend met een 1/3 van een 1/8 deel, afkomstig van zijn broer Joost van Vernewijk (Leenkamer). Wordt in 1527 toegelaten. Betaalt 20 schellingen blijde inkomste (rek. 1530/31). Treedt tot 1533 in de vergaderingen
op. Zijn aandeel gaat in 1533 over op de heer van Bergen op Zoom.
127. Gillis van Borne 1526 - ?
Keizer Karel V beleent hem in 1526 met een 1/ 12 deel in de tienden van Oud en Nieuw Vossemeer, van welk leen Jacob Willems zoon van Schengen afstand had gedaan (reg. 313). Misschien is hier toch van een ambachtsportie sprake.
128. Jkvr. Bale van Bleiswijk ? – 1528
Bezit de helft van een 1/30 en de helft van een 1/54 deel, afkomstig van haar vader Jacob van Bleiswijk, welk aandeel zij in 1528 overdraagt op Anthuenis Jan Adriaenszoon (Leenkamer).
129. Anthuenis Jan Adriaenszoon 1528 – 1539
Wordt in 1528 beleend met de helft van een 1/30 en de helft van een 1/54 deel, afkomstig van Jkvr. Bale van Bleiswijk. Is in 1529 toegelaten. Betaalt 20 schellingen blijde inkomste. Treedt tot 1536 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1539 over op zijn zoon Cornelis Anthuenis Jan Adriaenszoon (Leenkamer).
130. Andries Jan Adriaenszoon 1529 – 1546
Wordt in 1529 beleend met de helft van een 1/54 deel, afkomstig van zijn broer Anthuenis Jan Adriaenszoon. Betaalt in 1532 20 schellingen blijde inkomste. Treedt in 1544 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1546 over op zijn zoon Adriaen Adriaens Adriaenszoon (Leenk.).
131. Pieter van Dalem Pieters zoon 1529 – 1555
Wordt in 1529 toegelaten. Betaalt 20 schellingen blijde inkomste. Treedt tot 1555 in de vergaderingen op.
132. Anthonie van Glymes, heer en markies van Bergen op Zoom 1532 – 1541
Volgt zijn vader, Jan III van Glymes, in de heerlijkheid op. Verkrijgt in 1533 een 1/3 van een 1/8 deel, afkomstig van Lodewijk van Vernewijk, Wordt tot 1541 in de vergaderingen vertegenwoordigd. Is in 1537 voor de eerste maal markies genoemd. Overlijdt in 1541; zijn aandeel gaat eerst over op zijn weduwe Jacqueline de Croy.
Antonius van Glymes,
markies van Bergen op Zoom
en heer van Vossemeer.
Naar een schilderij in
Belgisch bezit.
133. Anthuenis van Doornik 1534 – 1569
Wordt in 1534 beleend met een 1/12 deel, afkomstig van zijn broer Jan van Doornik. Is in 1534 toegelaten; betaalt 20 schellingen blijde inkomste (rek. 1535/36). Treedt tot 1562 in de vergaderingen op. In 1546 bezit bij een 1/24 en een 1/48 deel. Zijn aandeel gaat in 1569 over op zijn zoon Anthuenis van Doornik. Hij bezat een 1/6 deel, afkomstig van Laurens Damaszoon, dat eveneens in 1569 op zijn zoon overgaat (Leenkamer).
134. Van Botlant 1536
Wordt niet nader genoemd. In 1536 wordt gezegd, dat hij het volgend jaar de eed moet afleggen.
135. Marynus Symonsse ? – 1537
Wordt in 1538 en 1541 aangezegd het volgend jaar te verschijnen. In 1543 is zijn zoon toegelaten.
136. Marinus Marinuszoon 1537 – 1547
Wordt in 1537 beleend met een 1/36 deel, afkomstig van zijn grootvader Simon Anthuenis zoon. Is in 1543 toegelaten. Treedt tot 1546 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1547 over op Pieter Corneliszoon van Dalem (Leenkamer). Is misschien identiek met Marinus Adriaens (Marinusse) (zie 1546).
137. Jan van der Vichte (Viechte, Vuchte) 1537 – 1550
Wordt in 1537 toegelaten, vermoedelijk als voogd van Anthonis (Janszoon) van der Vichte. Treedt tot 1544, daarna nog eens in 1550 in de vergaderingen op. Bezat in 1546 een 1/12 deel.
138. Jan van Renesse 1538 - (1557)
Heer van Mal. In 1536 is bepaald, dat hij het volgend jaar zou worden toegelaten. Wordt in 1536 aangezegd, dat hij het volgend jaar moest verschijnen. Wordt in 1538 beleend met de helft van een 1/12 deel, afkomstig van zijn vader Frederik van Renesse. Treedt tussen 1554 en 1557 in de vergaderingen op. Bezit in 1546 een 1/24 deel. Zijn aandeel gaat over op zijn zoon Johan van Renesse (Leenkamer).
139. Cornelis Anthuenis Jan Adriaenszoon 1539 – 1545
Wordt in 1539 beleend met de helft van een 1/31 en de helft van een 1/54 deel, afkomstig van zijn vader Anthuenis Jan Adriaenszoon. Is in 1539 toegelaten. Treedt tot 1543 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1545 over op zijn zoon Gerrit Cornelis Anthuenis zoon (Leenk.).
140. Francoys van Wissenkerke 1539 – 1551
Wordt in 1539 beleend met een 1/12 deel, afkomstig van zijn vader Anthonis Francoyszoon van Wissenkerke. Zijn aandeel gaat in 1551 over op zijn zoon Anthuenis van Wissenkerke (Leenkamer).
141. Anthuenis van der Vichte Janszoon (Viechte, Vuchte) 1540 – 1575
Wordt in 1540 beleend met de helft van een 1/8 deel, afkomstig van zijn moeder Catharina van Botlant. Zijn aandeel gaat in 1575 over op zijn zoon Jan van der Vichte (Leenkamer) (zie ook 1562).
Jan IV van Glymes, markies van Bergen op Zoom en heer van Vossemeer.
Naar een schilderij in het stadhuis van Bergen op Zoom
142. Jacobmijne Pels, weduwe van Willem Pieters 1540 - ?
Volgt in 1540 haar man op in een 1/24 deel, dat zij in 1546 nog bezit.
143. Peter (Jan) Adriaens 1541 - (1549)
Treedt in de vergaderingen van 1541 en 1549 op.
144. Jacqueline de Croy, markiezin van Bergen op Zoom 1541 – 1550
Volgt in 1541 haar overleden man Anthonie van Glymes in het aandeel op, dat zij tijdens de minderjarigheid van haar zoon tot 1550 beheert. Zij wordt elk jaar in de vergadering vertegenwoordigd. In 1548 is zij persoonlijk toegelaten. Zij bezit in 1546 een 1/3 min een 1/72 deel; volgens een andere bron een 1/3 en een 1/72 deel. Haar aandeel gaat in 1550 over op Jan IV van Glymes, markies van Bergen op Zoom.
145. Jkvr. Anthonie Ydo, weduwe van Bernard Pels (1541) – 1554
Bezit circa 1541 een 1/36 en een 1/48 deel, voorheen beheerd door haar man. Is in 1546 nog deelgenote. Treedt in de vergaderingen van 1550, 1551, 1554 en 1555 op.
146. Jan (Cornelisse) Adriaenszoon 1543 – 1556
Wordt in 1543 beleend met de helft van twee 1/31 delen en de helft van een 1/54 deel, afkomstig van zijn vader Cornelis Jan Adriaenszoon. Is in 1543 toegelaten. Treedt tot 1552 in de vergaderingen op. Bezit in 1546 een 1/24 deel. Zijn aandeel gaat in 1556 over op zijn zoon Jan Adriaen Adriaenszoon (Leenkamer).
147. Gerard Cornelis Anthuenis zoon 1545 - ?
Wordt in 1545 door keizer Karel beleend met enkele lenen, hem aanbestorven van zijn vader Cornelis Anthuenis zoon; de helft van een 1/30 deel en de helft van de helft van een 1/54 deel, uitgezonderd de tienden in Oud Vossemeer (R.A. Zeeland, Copulaatboeken). Bezit in 1546 een 1/48 deel.
148. Adriaen Adriaens Adriaenszoon 1546 – 1556
Wordt in 1546 beleend met de helft van een 1/54 deel, afkomstig van zijn vader Andries (Jan) Adriaenszoon. Treedt tussen 1546 en 1555 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1556 over op zijn zoon Jan Adriaen Adriaenszoon (Leenkamer).
149. Marinus Adriaens (Marinusse) 1546 - ?
Treedt in de vergadering van 1546 op; wordt voor 1547 geëxcuseerd. Bezit in 1546 een 1/36 deel. Is misschien identiek met Marinus Marinusse (zie 1537).
150. Pieter Corneliszoon van Dalem 1547 – 1562
Wordt in 1547 beleend met een 1/36 deel, afkomstig van Marinus Marinuszoon. Is in 1547 toegelaten. Treedt tot 1555 in de vergaderingen op. In 1546 bezit hij een 1/24 deel. Het aandeel gaat in 1562 over op zijn zoon Mr. Clement van Dalem (Leenkamer).
151. Boudewijn van Treslonge 1549 – 1556
Wordt in 1549 beleend met een 1/6 deel, afkomstig van zijn vader Lodewijk van Treslonge. Het aandeel gaat in 1556 over op zijn zoon Johan van Treslonge (Leenkamer).
152. Jan IV van Glymes, markies van Bergen op Zoom 1550 – 1567
Wordt tussen 1550 en 1567 in de vergaderingen vertegenwoordigd. Heeft de heerlijkheid in belangrijke zaken bijgestaan. Is in 1567 in Spanje overleden. Zijn aandeel gaat over op zijn weduwe Maria de Lannoy.
153. Anthuenis van Wissenkerke 1551 – 1562
Wordt in 1551 beleend met een 1/12 deel, afkomstig van zijn vader Francoys van Wissenkerke. Zijn aandeel gaat in 1562 over op zijn zoon Huijbrecht Anthuenissen van Wissenkerke (Leenkamer). Misschien is hij identiek met Anthuenis Francoyszoon van Wissenkerke (zie 1510).
154. Cornelis van Bergen, coadjutor van Luik (1554)
Blijkens de rekening van 1554/55 was de neef van de markies van Bergen op Zoom ook heer van Vossemeer. Zijn deel is onbekend. Mogelijk ontving hij slechts een uitkering uit het aandeel van de markies.
155. Cornelis Adriaenss (van Duvelandt) 1554 - 1581
Treedt tussen 1554 en 1571 en 1577 en 1581 in de vergaderingen op. Wordt sinds 1577 “Van Duvelandt” genoemd. Misschien moet aan twee onderscheiden personen worden gedacht, mede omdat tussen 1571 en 1577 een hiaat ligt.
156. Heer van Elere 1555
Komt in 1555 als zodanig voor; een nadere aanduiding ontbreekt.
157. Gurt Adriaenss 1555
Komt eenmaal in de vergadering voor. Misschien is hij identiek met Gerard Cornelis Adriaenszoon (zie 1545).
158. Johan van Treslonge 1556 -1560
Wordt in 1566 beleend met een 1/6 deel, afkomstig van zijn vader Boudewijn van Treslonge. Het aandeel gaat in 1560 over op zijn broer Loys van Treslonge (Leenkamer).
159. Jan Adriaens Adriaenszoon 1556 - 1581
Wordt in 1556 beleend met de helft van een 1/54 deel, afkomstig van zijn vader Adriaen Adriaens Adriaenszoon. Wordt in 1556 beleend met de helft van twee 1/31 delen en de helft van een 1/54 deel, afkomstig van zijn vader. Dit deel gaat in 1562 over op Huijbrecht Anthueniszoon van Wissenkerke. Treedt tussen 1567 en 1581 in de vergaderingen op. Het eerste deel gaat in 1581 over op Gillis van Wolffwinckel (Leenkamer).
160. Jan de Pieters 1559 - 1580
Wordt (in 1599) beleend met een aandeel, afkomstig van zijn moeder Jaqueline Pels. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1559/60). Treedt tot 1578 in de vergaderingen op. Draagt in 1580 zijn aandeel over op Ferdinando de Pieters (Leenkamer).
161. Loys van Treslonge 1560 - 1579
Wordt in 1560 beleend met een 1/12 deel, afkomstig van zijn broer Johan van Treslonge. Het aandeel gaat in 1579 over op Gregorio del Plano (Leenkamer).
162. Weduwe Pels (1561) - (1562)
Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1561/62). Is vermoedelijk identiek met Jkvr. Anthonie Ydo, weduwe van Bernard Pels (zie 1541). Haar aandeel is vermoedelijk in 1562 overgegaan op Bernard Pels.
163. Jhr. Cornelis van Dalem 1561 – 1574
Wordt in 1561 beleend met een 1/24 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, afkomstig van zijn vader Pieter van Dalem. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1561/62). Treedt tot 1573 in de vergaderingen op. Hij draagt in 1561 de helft van een 1/24 deel over aan zijn broer Lodewijk van Dalem. Zijn aandeel gaat in 1574 over op zijn zoon Vredevorst van Dalem (Leenkamer).
164. Jhr. Ferdinando Eduwairts van der Dilst 1561 – 1577
Wordt in 1561 door de leenkamer van Holland beleend met een erfelijke rente van 625 ksg. per jaar, gevestigd op de aandelen van de heer van Bergen op Zoom in de heerlijkheid van Vossemeer. Misschien is deze rente als een aandeel in de heerlijkheid beschouwd. De rente gaat in 1577 over op zijn broer Eduward van der Dilst (Leenkamer).
165. Jhr. Lodewijk van Dalem 1561 – 1586
Wordt in 1561 beleend met de helft van een 1/24 deel, uitgezonderd de tienden, afkomstig van zijn broer Cornelis van Dalem. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1561/62). Treedt tot 1582 in de vergaderingen op. Is in 1587 overleden. Het aandeel gaat in 1586 over op zijn zoon Pieter van Dalem (Leenkamer).
166. Jhr. Huijbrecht Anthuenissen van Wissenkerke 1562 - ?
Heer van Couwerve. Wordt in 1562 beleend met een 1/12 deel, afkomstig van zijn vader Anthuenis van Wissenkerke, en de helft van twee 1/31 delen en de helft van een 1/54 deel, afkomstig van Jan Adriaens Adriaenszoon. In 1588 belast hij zijn aandeel met een rente van 10 ksg. ten gunste van Catharina van Haamstede. In 1589 wordt hij beleend met de helft van een 1/24 deel, uitgezonderd de tienden, afkomstig van Pieter van Dalem (Leenkamer).
167. Laureys de Bloys 1562 – 1566
Treedt tussen 1562 en 1566 in de vergaderingen op.
168. Anthonis van der Vichten 1562 – 1571
Heer van Nieuwenhove. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1561/62). Treedt tot 1571 in de vergaderingen op. Wordt ook Anthonis van Nieuwenhove genoemd. Daar zijn toelating als heer pas in 1562 geschiedt, is hij vermoedelijk niet identiek met Anthuenis Janszoon van der Vichte (zie 1540). Het aandeel gaat in 1575 over op Jan van der Vichte.
169. Jhr. Lodewijk van Treslonge 1562 – 1571
Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1561/62). Wordt tot 1571 regelmatig beboet wegens non-comparitie. Is misschien identiek met Loys van Treslonge (zie 1560).
170. Mr. Clement (Petri) van Dalem 1562 – 1574
Wordt in 1562 beleend met een 1/36 deel, afkomstig van zijn overleden vader Pieter Corneliszoon van Dalem. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1563/64). Treedt tot 1571 in de vergaderingen op. Het aandeel gaat in 1574 over op zijn neef Pieter Jasperszoon van Dalem (Leenkamer).
171. Bernard Pels 1563 – 1596
Wordt in 1563 beleend met de helft van het aandeel van zijn moeder Antonia Adriaen Ydens (Leenkamer). Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1563/64). Treedt tot 1596 in de vergaderingen op, met een hiaat tussen 1584 en 1593. Is in 1596 overleden. Zijn aandeel gaat over op zijn zoon Bernard Pels.
172. Karel Pels 1563 - ?
Wordt in 1563 beleend met de helft van het aandeel van zijn moeder Antonia Adriaen Ydens (Leenkamer). Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1563/64).
173. Mayken (Maria) van den Abeele, weduwe van Anthonis van Wissenkerke 1564 – 1577
Treedt tussen 1564 en 1577 in de vergaderingen op. Heeft persoonlijk zitting gehad. Zij is de eerste vrouw, die volledig als “heer” is toegelaten. Haar geval wordt later aangehaald, als vrouwen beslissings- en stemrecht vragen.
174. Mr. Claude van Daale (Dalem?) 1567
Treedt eenmaal in de vergadering op. Misschien is hij identiek met Mr. Clement van Dalem (zie 1562).
175. De wees van Anthonis van Wissenkerke 1567
Wordt in 1567 onder de deelgenoten genoemd.
176. Maria de Lannoy, weduwe van Jan IV van Glymes, markiezin van Bergen op Zoom 1567 - (1577)
Volgt in 1567 haar man op in het aandeel. Na het overlijden van de markies is de heerlijkheid van Bergen op Zoom door de koning van Spanje geconfisceerd. Het is niet duidelijk of ook de aandelen van Vossemeer in beslag zijn genomen. De confiscatie heeft geduurd tot 1577. In deze periode is de heer van Bergen op Zoom wel in de vergaderingen vertegenwoordigd geweest. Na de opheffing der confiscatie is het markizaat (tevens de aandelen van Vossemeer) gekomen aan Margriete van Merode.
177. Mr. Gerard Adriaens van Duveland 1567 – 1606
Treedt tussen 1567 en 1581, en in 1593 in de vergaderingen op. Draagt in 1593 een deel van zijn aandeel over aan zijn zoon. Is in 1606 overleden.
178. Jacob van Gelre 1569 – 1577
Treedt tussen 1569 en 1577 in de vergaderingen op. In 1578 verschijnt Frederik van Renesse voor zijn erfgenamen.
179. Anthuenis van Doornik 1569 - ?
Woont te Kampen. Wordt in 1569 beleend met een 1/12 en een 1/6 deel, afkomstig van zijn vader Anthuenis van Doornik (Leenkamer). Is misschien identiek met Jhr. Anthonis van Doornik (zie 1577).
Maria van Lanoy, echtgenote van Jan IV van Glymes, markiezin van Bergen op Zoom en vrouwe van Vossemeer. Naar een schilderij in het stadhuis van Bergen op Zoom.
180. Pieter Jasperszoon van Dalem 1574 – 1582
Wordt in 1574 beleend met een 1/36 deel, afkomstig van zijn overleden oom Mr. Clement van Dalem. Het aandeel gaat in 1582 over op zijn neef Johan Vaillant (Leenkamer).
181. Vredevorst van Dalem 1574 - ?
Wordt in 1574 beleend met een 1/24 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, afkomstig van zijn overleden vader Jhr. Cornelis van Dalem (Leenkamer).
182. Jhr. Huijbrecht van Wissenkerke 1575 – 1597
Wordt in 1575 toegelaten. Betaalt 20 schellingen blijde inkomste (rekening 1577/78). Treedt tot 1597 in de vergaderingen op. Koopt in 1589 een aandeel van Pieter van Dalem. Zijn aandeel gaat in 1597 over op zijn weduwe Jkvr. Anna van Wolffwinckel.
183. Jan van der Vichte 1575 - ?
Wordt in 1575 beleend met de helft van een 1/8 deel, afkomstig van Anthuenis Janszoon van der Vichte (Leenkamer).
184. Margriete van Merode markiezin van Bergen op Zoom, en haar man Jan van Wythem 1577 – 1580
Het markizaat van Bergen op Zoom, van 1567 tot 1577 door de Spaanse koning in beslag genomen, kwam na de teruggave aan de erfgename van Jan IV van Glymes, Margriete van Merode. Zij wordt in 1578 persoonlijk toegelaten. Betaalt 20 schellingen blijde inkomste (rekening 1577/78). In 1580 verkopen zij en haar man de aandelen van het huis van Bergen op Zoom, die uit een 1/3 en een 1/72 deel bestaan, aan Gregorio de Plano en Gillis van Wolffwinckel (resolutie 1580).
185. J. Jaspersen 1577 – 1581
Treedt tussen 1577 en 1581 in de vergaderingen op. Misschien heeft hij geen persoonlijk aandeel gehad, doch is hij opgetreden als vertegenwoordiger van de markiezin van Bergen op Zoom.
186. Ferdinando de Pieters 1577 – 1583
Wordt in 1577 toegelaten. Betaalt 20 schellingen blijde inkomste (rekening
1577/78). Treedt tot 1580 in de vergaderingen op. Verkrijgt in 1580 een aandeel, afkomstig van Jan de Pieters. Zijn aandeel gaat in 1583 na zijn overlijden over op zijn broer Jan de Pieters Janszoon (Leenkamer).
187. Pieter Jaspers 1577 – 1582
Burgemeester van Goes. Is in 1577 toegelaten. Betaalt 20 schellingen blijde inkomste (rekening 1577/78). Treedt tot 1581 in de vergaderingen op. Is overleden in 1582. Zijn aandeel gaat in 1582 over op Jan Vaillant. In de resolutie van 1587 is sprake van goederen, die hij de armen van Goes gelegateerd had.
188. Jhr. Eduward van der Dilst 1577 – 1603
Wordt in 1577 beleend met de rente van 625 ksg., gevestigd op de aandelen van de heer van Bergen op Zoom in de heerlijkheid Vossemeer. Daar de aandelen van de heer van Bergen op Zoom in 1580 zijn verkocht en de rente gevestigd bleef, is de mogelijkheid aan te nemen, dat de rente als een aandeel in de heerlijkheid is beschouwd. De rente gaat in 1603 over op zijn dochter Clara van der Dilst (Leenkamer).
189. Jhr. Anthonis van Doornik 1577 – 1629
Wordt in 1577 toegelaten. Betaalt 20 schellingen blijde inkomste (rekening 1577/78). Treedt tot 1629 in de vergaderingen op. Is misschien identiek met Anthuenis van Doornik (zie 1569).
190. Erven van Jacob van Gelre 1578 – 1579
In 1578 treedt Frederik van Renesse voor hen op; zij worden nog in 1579 genoemd.
191. Gillis van Wolffwinckel 1578 – 1586
Wordt in 1578 toegelaten. Betaalt 20 schellingen blijde inkomste (rekening 1578/79). Koopt in 1580 de helft van een 1/24 deel en de tienden, afkomstig van de markies van Bergen op Zoom, voorheen van Jan van Treslonge; een 1/36 deel, voorheen afkomstig van Adriaen Willemszoon van Zommerzeer; een 1/4 van een 1/12 deel, uitgezonderd de tienden van Oud Vossemeer, voorheen afkomstig van Margriete Jan Zuete dochter; een 1/23 en een 1/72 deel, voorheen afkomstig van Jan van Ovenhof;
een 1/3 van een 1/8 deel, voorheen afkomstig van Lodewijk van Vernewijk. Verkrijgt in 1581 de helft van een 1/54 deel, afkomstig van Jan Adriaen Adriaenszoon. Treedt tot 1585 in de vergaderingen op. Zijn aandeel wordt in 1586 door de Staten van Zeeland in beslag genomen. In 1597 wordt Jkvr. Anna van Wolffwinckel door de heren als zijn erfgename erkend. Zijn aandeel is in 1632 en 1633 door de heren voor gemeenschappelijke rekening aangekocht.
192. Gregorio del Plano 1578 – 1586
Wordt in 1578 toegelaten in een 1/6 deel, afkomstig van de heren van Treslonge. Betaalt 20 schellingen blijde inkomste (rekening 1578/79). Koopt in 1580 een 1/12 deel van het aandeel van de markies van Bergen op Zoom, voorheen afkomstig van Jacob van Elsakker, abt van St. Michels. Treedt tot 1586 in de vergaderingen op. Zijn aandeel is in 1586 door de Staten van Zeeland in beslag genomen. Een 1/6 deel gaat in 1601 over op Jhr. Nicolaas van Boshuijse.
193. Jhr. Frederik van Renesse 1579 – 1612
Wordt in 1579 toegelaten. Betaalt 20 schellingen blijde inkomste (rekening 1578/79). In 1578 vertegenwoordigt hij de erfgenamen van Jacob van Gelre. Zijn aandeel gaat in 1612 over op zijn zoon Jhr. Nicolaas van Renesse.
194. Anna van Couwerff 1581
Wordt in 1581 als deelgenote vermeld.
195. Johan Vaillant 1582 – 1590
Burgemeester van Middelburg. Wordt in 1582 beleend met een 1/36 deel, afkomstig van zijn overleden neef Pieter Jaspers zoon van Dalem. Betaalt 20 stuivers blijde inkomste (rekening 1582/83). Het aandeel gaat in 1590 over op zijn neef Cornelis Joachumssen (Leenkamer).
196. Willem Gerrits Stuyver ? – 1583
Was tot 1583 in het bezit van een 1/48 deel, dat in dit jaar overgaat op zijn zoon. Misschien betreft het hier tienden, en geen deel in de ambachtsheerlijkheid.
197. Jan de Pieters Jans zoon 1583 - ?
Wordt in 1583 beleend met het aandeel, afkomstig van zijn overleden vader Ferdinando de Pieters (Leenkamer).
198. Marten Stuyver 1583 – 1610
Wordt in 1583 beleend met een 1/48 deel, afkomstig van zijn vader Willem Gerrits Stuyver. Het aandeel gaat in 1610 over op Cornelis Geertss.
199. Pieter van Dalem 1586 – 1589
Wordt in 1586 beleend met de helft van een 1/24 deel, uitgezonderd alle tienden, afkomstig van zijn vader Lodewijk van Dalem. Het aandeel gaat in 1589 over op Jhr. Huijbrecht van Wissenkerke, heer van Couwerve (Leenkamer).
200. Ferdinando Aleman 1586 – 1593
Treedt tussen 1586 en 1593 in de vergaderingen op voor de Staten van Zeeland in de aandelen, die door de Staten in beslag genomen waren. Betaalt 20 stuivers blijde inkomste (rekening 1586/87). Zijn plaats wordt in 1594 ingenomen door Joos Marinus Zuydland.
201. Sr. Cornelis Joachumssen 1589 – 1601
Wordt in 1586 toegelaten in een 1/36 deel, afkomstig van Johan Vaillant (resolutie 1589). Betaalt 20 stuivers blijde inkomste (rekening 1589/90). Treedt tot 1601 in de vergaderingen op. Wordt in 1590 met het aandeel beleend (Leenkamer).
202. Adriaan van Duvelande 1593 – 1606
Wordt in 1593 door zijn vader gepresenteerd en toegelaten. Betaalt 20 stuivers blijde inkomste (rekening 1592/93). Treedt tot 1606 in de vergaderingen op. Hij woonde in Haarlem. Zijn vader, Mr. Gerard Adriaens, die gelijktijdig met hem een aandeel bezat, is in 1606 overleden. Adriaen is in 1607 overleden.
203. Joos Marinus Zuydland 1594 – 1608
Wordt in 1594 toegelaten. Betaalt 20 stuivers blijde inkomste (rekening 1594/95). Volgt raadsheer Aleman op als vertegenwoordiger van de Staten
van Zeeland; hij schijnt geen persoonlijk aandeel gehad te hebben. Sinds 1603 is dit in de notulen vermeld; dan is hij op de vergaderingen aanwezig ‘over de gedeelten van de heren hen houdende bij den viandt’. Als zodanig treedt hij op tot 1608.
204. Bernard Pels 1596 – 1605
Wordt in 1596 na het overlijden van zijn vader Bernard Pels toegelaten. Betaalt 20 stuivers blijde inkomste (rekening 1597/98). Treedt tot 1605 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1605 over op Jhr. Boudewijn van de Weerde.
205. Mr. Jeronimus van Borre ? – 1596
Is in het bezit van een aandeel, dat in 1596 op zijn zoon overgaat.
206. Mr. Jan van Borre 1596 – 1610
Treedt in 1596 op in het aandeel, afkomstig van zijn vader Mr. Jeronimus van Borre. Zijn aandeel gaat in 1610 over op Franchois van Aertssen.
207. Jkvr. Anna van Wolffwinckel, weduwe van Huijbrecht van Wissenkerke
1597 – 1600
Wordt in 1597 als weduwe van haar man en als dochter en erfgename van Gillis van Wolffwinckel toegelaten. Betaalt 20 stuivers blijde inkomste (rekening 1597/98). Treedt tot 1600 in de vergaderingen op; in 1600 vertegenwoordigt zij tevens haar kinderen. Zij hertrouwt met Jhr. Nicolaas van Boshuijse, die sinds 1601 in haar aandeel optreedt, doch vermoedelijk ook eigen aandelen had.
208. Heer van Malle 1600 – 1610
Wordt in 1610 toegelaten. Hij woonde in het hertogdom Gelre en was niet op de vergaderingen aanwezig. Is vermoedelijk uit het geslacht van Renesse. In 1601 verbleef hij op bevel van de Prins van Oranje in het land van Luik. Is in 1610 overleden. Om enige bijzonderheden kan hij vermoedelijk niet identiek zijn met Jhr. Frederik van Renesse.
209. Gillis van Wissenkerke 1601 – 1631
Heer van Couwerve. Wordt in 1601 geëxcuseerd van de boete, omdat hij in Frankrijk verblijft. Daar hij toen 18 jaren was, moest hij op de volgende vergadering verschijnen. Zijn voogd, Jhr. Wolffert van Borsselen, verzoekt hem te mogen vertegenwoordigen, doch dit wordt afgewezen. Verzoekt in 1603 te worden toegelaten; zijn leenbrieven waren nog niet in orde. Betaalt 20 stuivers blijde inkomste (rekening 1605/06). Zijn leenbrieven zijn in 1607 aangenomen. Treedt tot 1631 in de vergaderingen op. Hij was in dienst van de koning van Spanje en sneuvelde op 13 september 1631 in de vlucht na de slag op het Slaak, dicht bij Vossemeer. Zijn aandelen, afkomstig van zijn vader Gillis van Wissenkerke, wiens portie door de Staten van Zeeland in beslag waren genomen, een 1/6 en een 1/24 deel, zijn in 1632 op bevel van de Staten verkocht.
210. Jhr. Nicolaas van Boshuijse 1601 – 1636
Wordt in 1601 toegelaten in het aandeel van Jkvr. Anna van Wolffwinckel, weduwe van Huijbrecht van Wissenkerke, met wie hij in 1600 trouwt. Betaalt 20 stuivers blijde inkomste (rekening 1601/02). Persoonlijk heeft hij een 1/6 deel in bezit, afkomstig van Gregorio del Plano. Treedt tot 1636 in de vergaderingen op. In 1629 blijkt hij via zijn vrouw een 1/4 deel te bezitten. In zijn huis te Vossemeer zijn meermalen herenvergaderingen gehouden. Heeft zich verdienstelijk gemaakt bij de herdijking van Nieuw Vossemeer en de dijkage van de Heen.
211. Margaretha Vaillant, weduwe van Jochum Jochumssen (1602) - ?
Wil zich in 1602 laten vertegenwoordigen in de vergaderingen doch de heren wijzen dit af.
212. Clara van Dilst 1603 - ?
Wordt in 1603 beleend met de rente van 625 ksg., gevestigd op de goederen, voorheen in het bezit van de heer van Bergen op Zoom (Leenk.).
213. Jhr. Boudewijn van de Weerde 1606 – 1612
Koopt in 1606 een 1/36 en een 1/48 deel, afkomstig van Jhr. Bernard Pels. Wordt op verzoek van Mr. Jacob Peck en diens huisvrouw, zijn schoonvader en -moeder, toegelaten. Betaalt 20 stuivers blijde inkomste (rekening
1606/07). Treedt tot 1612 in de vergaderingen op. In 1612 verzoekt Aelbrecht Feyth, curator van zijn boedel, hem in de vergadering te mogen vertegenwoordigen; dit wordt afgewezen. Zijn aandeel gaat in 1612 over op Jhr. Marinus van de Weerde.
214. Christiaen Tibaut ? – 1608
Zijn 1/36 deel gaat in 1608 over op zijn zoon Heynrick Tibaut.
215. Heynrick Tibaut 1608 - ?
In 1608 verzoekt Sr. Gregorio Gillis om toegelaten te worden als voogd van Heynrick Tibaut, zoon van wijlen Christiaen, met volmacht van Jkvr. Jacquemijn Herve, weduwe van C. Tibaut. Heynrick bezit een 1/36 deel; de leenbrief staat op zijn naam. De vertegenwoordiging wordt afgewezen.
216. Mr. Jan van der Vichten 1609 – 1612
Heer van Nieuwenhoven. Wordt in 1609 als aandeelhouder vermeld (rekening 1609/10). Hij bezit een 1/12 deel. Treedt tot 1612 in de vergaderingen op.
271. Jhr. Johan de Pieters (Peters) 1609 – 1620
Wordt in 1609 toegelaten in een 1/24 deel, dat tot dan toe geconfisceerd was door de Staten van Zeeland, vermoedelijk het aandeel van Ferdinando de Pieters. Betaalt 20 stuivers blijde inkomste (rekening 1609/10). Treedt tot 1614 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1620 over op Cornelis Gheertssen Plancke.
218. Jhr. Roeloff van Arkel 1609 – 1623
Drossaard van Gorcum en het land van Arkel. Wordt in 1609 toegelaten in een 1/48 deel. Betaalt 20 stuivers blijde inkomste (rekening 1609/10). Treedt tot 1616 in de vergaderingen op. In 1623 gaat zijn aandeel over op zijn weduwe.
219. Jhr. Cornelis Croeser ? – 1610
Bezit 1/12 deel, dat in 1610 overgaat op zijn zoon Jhr. Jan de Croeser. (Mogelijk was dit alleen een aandeel in de tienden en niet in het ambacht).
Francois van Aerssen, heer van Sommelsdijk, heer van Vossemeer, 1572-1641.
Naar een gravure uit de collectie Zelandia Illustrata van het Zeeuws Museum te Middelburg.
220. Jhr. Jan de Croeser 1610 – 1618
Heer van Dennebrugge. Wordt in 1610 toegelaten in een 1/12 deel (alleen tienden?), afkomstig van zijn vader. Komt niet in de vergaderingen. Zijn aandeel gaat in 1618 over op Johannes Pontinus de Jonge.
221. Franchois van Aerssen 1610 – 1642
Was gehuwd met Petronella van Borre. Wordt in 1610 toegelaten in een 1/12 deel, afkomstig van zijn neef Mr. Jan van Borre.Zijn aandeel gaat in 1642 over op zijn zoon Cornelis van Aerssen. (Mogelijk betreft dit alleen tienden.)
222. Cornelis Geertss 1610 - ?
Wordt in 1610 toegelaten in een 1/48 deel, afkomstig van Marten Stuyver. Is mogelijk identiek met Cornelis Gheertssen Plancke (zie 1620).
223. Jhr. Marinus van de Weerde 1612 – 1631
Wordt in 1612 toegelaten in de helft van een 1/36 en de helft van een 1/48 deel. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1612/13). Treedt tot 1631 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1632 over op zijn weduwe.
224. Jhr. Nicolaas van Renesse 1612 - (1640)
Heer van der Aa. Wordt in 1612, 18 jaren oud, toegelaten in het aandeel van zijn overleden vader Jhr. Frederik van Renesse. Treedt tussen 1620 en 1632 in de vergaderingen op. Doet in 1640 afstand van de helft van zijn aandeel ten gunste van zijn nicht Maria Anna Freyling, gravin van Bronkhorst tot Anholt.
225. Gregorio del Plano 1614 – 1617
Wordt in 1614 (weer?) toegelaten in een 1/12 deel. Treedt tot 1617 in de vergaderingen op. Waarschijnlijk is hij dezelfde wiens aandeel in 1586 door de Staten van Zeeland in beslag werd genomen.
226. Daniel Schellekens 1616 – 1623
Treedt tussen 1616 en 1623 in de vergaderingen op.
Philibert van Tuyll van Serooskerke, burggraaf van Zeeland, rentmeester-generaal van Zeeland Beoosterschelde, vermoedelijk heer van Vossemeer en vader van Nr. 228.
Naar een tekening uit de collectie Zelandia Illustrata van het Zeeuws Museum te Middelburg.
227. Jan van Wissenkerke 1616 – 1627
Heer van Hayman en Noortmonster. Treedt tussen 1616 en 1627 in de vergaderingen op.
228. Jhr. Philibert van Tuyll van Serooskerke 1617 – 1638
Wordt in 1617 toegelaten in een 1/24 deel. Treedt tot 1638 in de vergaderingen op. In 1632 is hij tevens present als vertegenwoordiger van de Staten van Zeeland.
229. Jhr. Philips van Eynatten 1618 – 1620
Heer van Schoonhoven. Wordt in 1618 toegelaten in een 1/24 deel. Treedt tot 1620 in de vergaderingen op.
230. Jhr. Hendrik van Tuyll van Serooskerke 1618 – 1626
Heer van Stavenisse. Wordt in 1618 toegelaten in een 1/24 deel. Treedt tot 1626 in de vergaderingen op.
231. Dr. Johannes Pontinus de Jonge 1618 – 1632
Wordt in 1618 toegelaten in een 1/12 deel, afkomstig van Jan de Croeser. In de vergaderingen is hij niet aanwezig geweest. Bezat vermoedelijk alleen tienden, geen aandeel in het ambacht. Zijn deel gaat in 1632 over op Jhr. Pieter van Tuyll van Serooskerke.
232. Heer van der Nadt 1619 - 1633
Bezit een 1/48 deel. Wordt tussen 1619 en 1633 in de boete wegens non-comparitie aangeslagen. In 1633 is zijn vrouw vermeld.
233. Heer van Eldre 1619 - ?
Een niet nader genoemde wordt in 1619 tot de boete wegens non-comparitie veroordeeld.
234. Cornelis Gheertssen Plancke 1620 – 1621
Wordt in 1620 toegelaten in een deel, afkomstig van Jhr. Jan de Peters uit Bergen (Henegouwen). Zijn aandeel gaat in 1621 over op zijn weduwe. Misschien is hij identiek met Cornelis Geertse (zie 1610 ).
235. Cornelia Andries Claessen, weduwe van Cornelis Gheertss Plancke 1621 – 1622
Wordt in 1621 toegelaten in het aandeel, afkomstig van haar man. Haar aandeel gaat in 1622 over op Hendrick de Puttere.
236. Hendrick de Puttere 1622 – 1628
Wordt in 1622 toegelaten in het aandeel, afkomstig van de weduwe Cornelis Gheertss Plancke. Hij heeft de vergaderingen niet bijgewoond. Zijn aandeel gaat in 1628 over op zijn zoon Hubrecht de Puttere.
237. Anna van Steelant, weduwe van Jhr. Roeloff van Arckel 1623 – 1626
Wordt in 1623 en 1625 aangeslagen in de boete wegens non-comparitie. Haar man bezat een 1/48 deel. Haar aandeel gaat in 1626 over op Jhr. Jan van Arckel.
238. Jhr. Adriaan van Manmaeker 1624 - 1645
Heer van Hofwegen. Wordt in 1624 toegelaten in een 1/12 deel. Treedt tot 1645 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1646 over op zijn zoon Jhr. Charles van Manmaker.
239. Jhr. van Arckel 1626 – 1644
Wordt in 1626 toegelaten in een 1/48 deel, afkomstig van zijn moeder Anna van Steelant. Treedt tot 1643 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1644 over op Johan de Knuijdt.
240. Hubrecht de Puttere 1628 – 1629
Wordt in 1628 toegelaten in het aandeel, afkomstig van zijn vader Hendrick de Puttere. Zijn aandeel gaat in 1629 over op zijn zoon Hendrick de Putter.
241. Marinus Corvincx 1628 - (1638)
Baljuw van de stad Tholen. Treedt tussen 1628 en 1632 in de vergaderingen op. Hij bezat een 1/48 deel. Sinds 1639 worden de wezen vele jaren wegens non-comparitie beboet.
242. Jhr. Jacob van Boshuijsen 1628 – 1641
Treedt tussen 1628 en 1641 in de vergaderingen op. Hij bezit een 1/24
deel. Zijn aandeel gaat in 1642 over op zijn weduwe Jkvr. Anna Maria van Schore.
243. Jhr. Jacob van Berchem 1628-1652
Treedt tussen 1631 en 1652 in de vergaderingen op, doch was al sinds 1628 in het bezit van een 1/24 deel. Hij heeft in 1632 zijn intrede gedaan (rekening 1631/32).
244. Jhr. Verus van Cats 1629 – 1638
Heer van Bruwelis. Wordt in 1629 toegelaten in een 1/24 deel. Treedt tot 1638 in de vergaderingen op. Sinds 1639 worden zijn erfgenamen vermeld.
245. Jhr. Helmich van Doornick 1629 – 1641
Wordt in 1629 in een 1/16 deel toegelaten. Hij is tot 1641 als absent vermeld.
Hendrik Thibaut, heer van Aagtekerke, burgemeester van Middelburg, rentmeester van Zeeland Beoosterschelde, raad van Vlaanderen, heer van Vossemeer, 1604-1667.
Naar een gravure uit de collectie Zelandia Illustrata van het Zeeuws Museum te Middelburg.
246. Jkvr. Heilwich van Oostrum, weduwe van Serooskerke 1629 – 1644
Wordt in 1629 in een 1/48 deel toegelaten; legt het volgend jaar de eed af. Zij heeft tot 1644 de vergaderingen bijgewoond.
247. Hendrick Tibaut 1629 – 1666
Burgemeester van Middelburg en rentmeester van Bewesterschelde. Wordt in 1629 toegelaten in een 1/36 deel. Treedt tot 1661 in de vergaderingen op. Wordt in 1666 nog eens vermeld;mogelijk is dan zijn opvolger bedoeld.
248. Hendrick de Putter 1629 - ?
Wordt in 1629 toegelaten in een aandeel, afkomstig van zijn vader Hubrecht de Puttere.
249. Jhr. Maerten van de Waerde 1632 – 1635
In 1632 wordt besloten hem aan te schrijven dat hij zitting moet nemen. Is een neef van juffrouw van de Waerde. In 1635 verzoekt zijn moeder, N. van Wachtendonk, vrouw van Jhr. Jan Mornauw, admissie, ingevolge de meer dan 10 jaar oude resolutie, die de toelating alleen openstelt voor deelgenoten, die een aandeel op hun naam hebben, wordt dit afgewezen.
250. Livina Coopers, weduwe van Jhr. Marinus van de Waerde 1632 – 1635
Wordt in 1632 toegelaten in het aandeel van haar man. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1632/33). Tot 1635 heeft zij de vergaderingen bijgewoond. Haar aandeel is vermoedelijk in 1639 overgegaan op Maria en Martinus van de Waerde.
251. Johan de Knuijdt (Cnuijdt) 1633 – 1654
Vervalt in 1633 - 1635 in de boete van non-comparitie. Treedt in 1654 in de vergaderingen op. Vanaf 1638 heeft hij tevens zitting als vertegenwoordiger van de adel in de Staten van Zeeland. Verwerft in 1644 het aandeel van Jhr. Jan van Arckel. Zijn aandeel gaat in 1655 over op zijn kleinzoon Johan Huyssen.
252. Vrouwe van der Nadt 1634 – 1640
Treedt tussen 1634 en 1640 op in het aandeel, afkomstig van haar man. In 1641 is zij opgevolgd door Jhr. Cornelis van der Nadt.
253. Graaf van Anholt 1637 – 1645
Wordt tussen 1637 en 1645 wegens non-comparitie beboet.
254. Martinus van de Waerde 1639 – 1640
Wordt in 1639 wegens non-comparitie beboet. Zijn aandeel gaat in 1640 over op Mr. Jacob Campe.
255. Erven van Jhr. Verus van Cats 1639 – 1642
Worden tussen 1639 en 1642 wegens non-comparitie beboet.
256. Kinderen van Marinus Corvincx 1639 – 1653
Worden tussen 1639 en 1653 wegens non-comparitie beboet. In 1653 vraagt een van hen toegelaten te worden, doch dit wordt afgewezen, omdat hij nog niet uit de voogdij ontslagen was (zie 1654).
257. Jhr. Pieter van Tuyll van Serooskerke 1639 – 1656
Heer van Maalstede. Wordt in 1639 toegelaten ineen 1/24 deel, afkomstig van zijn vader Jhr. Philibert van Tuyll van Serooskerke. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1638/39). Treedt tot 1656 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1657 over op zijn weduwe Maria van Liere. In 1632 kocht hij een aandeel van Dr. Johannes Pontinus de Jonge; dit was vermoedelijk een deel in de tienden en geen ambachtsportie.
258. Maria van de Waerde 1639 - ?
Wordt in 1639 wegens non-comparitie beboet.
259. Mr. Jacob Campe 1640 – 1656
Wordt in 1640 toegelaten in een aandeel, afkomstig van Jhr. Maarten van de Waerde. Treedt tot 1656 in de vergaderingen op. In 1657 is zijn aandeel op zijn wezen overgegaan.
260. Maria Anna Freyling, gravin van Bronkhorst 1641 – 1645
Wordt in 1641 toegelaten in een 1/48 deel, afkomstig van Jhr. Nicolaas van Renesse. In 1645 verkoopt zij haar deel aan verscheidene aandeelhouders.
Hendrik van Thuyll van Serooskerke, heer van Walland en Poppendamme, kapitein, commandant van Philippine, heer van Vossemeer, ? - 1649. Naar een portret uit de collectie Baron van Hardenbroek van Hardenbroek. Foto: Iconografisch Bureau.
261. Jhr. Cornelis van der Nadt 1641 – 1658
Heer van ‘s Graven Ambacht. Wordt tot 1658 wegens non-comparitie beboet. Vanaf 1659 worden zijn wezen genoemd.
262. Jkvr. Maria van Schore, weduwe van Jhr. Jacob van Boshuijse 1642 – 1655
In 1642 en 1643 is zij genoemd, doch niet in de vergaderingen toegelaten. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1644/65). Heeft tot 1655 de vergaderingen bijgewoond. Haar aandeel gaat in 1656 over op Magdalena van Boshuijsen, vrouw van Jhr. Pieter Thomas Pynssen van der Aa.
263. Jhr. Alexander Emanuel van Renesse 1642 – 1658
Wordt in 1642 toegelaten in een aandeel van hem of van zijn vrouw. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1642/43). Treedt tot 1658 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1659 over op zijn vrouw Johanna van Doornik.
264. Cornelis van Aerssen 1642 – 1663
Heer van Spyk en Sommelsdijk. Wordt in 1642 toegelaten in het aandeel, afkomstig van zijn vader Franchois van Aerssen. Het aandeel gaat in 1663 over op zijn zoon Cornelis van Aerssen.
265. Jhr. Arendt van Cats 1643 - ?
Is in 1643 op de vergadering aanwezig.
266. Pieter de Vroe 1644 – 1650
Pensionaris van de stad Tholen. Wordt in 1644 toegelaten in een deel, dat hij had gekocht. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1644/45). Zijn deel blijkt in 1652 overgegaan te zijn op zijn wezen.
267. Jhr. Henrick van Thuyll van Serooskerke 1645 – 1649
Heer van Wellandt. Wordt in 1647 toegelaten in een 1/24 deel, dat hij al sinds 1645 bezit. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1647/48). Wordt tot 1649 vermeld.
268. Jhr. Charles van Manmaker 1646 – 1648
Heer van Hoffwegen. Wordt in 1646 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van zijn vader Adriaan van Manmaker. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1646/47). Treedt tot 1648 in de vergaderingen op.
269. Jacob van Baerlandt 1647 – 1667
Heer van Dirksland. Is sinds 1647 in het bezit van een 1/48 deel. Is in 1648 op de vergadering zonder stemrecht, doch wenst de afhoring van de rekening bij te wonen. Wordt in 1649 toegelaten. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1649/50). Zijn aandeel gaat in 1663 over op Magdalena van Baerlandt.
270. Jhr. Philips Carel van Eynatten 1648 – 1685
Heer van Schoonhoven. Wordt in 1648 toegelaten in een 1/24 deel. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1649/50). Treedt in de vergaderingen op tot 1685. Zijn aandeel gaat in 1687 over op Jkvr. Anna van Eynatten.
271. Jhr. Adriaen van Thuyll van Serooskerke 1650 – 1662
Heer van Wellandt. Wordt in 1650 toegelaten in een 1/24 deel. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1650/51). Wordt tot 1662 vermeld. Zijn aandeel gaat in 1663 over op Laureys Huyssen.
272. Gilbert van Greve 1651 – 1679
Heer van Wetterbeek. Treedt in 1651 op in een 1/12 deel, in het bezit van zijn vrouw Anna Maria van Boshuijse. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1651/52). Treedt tot 1679 in de vergaderingen op.
273. Kinderen van Pieter de Vroe 1652 – 1667
Worden tussen 1652 en 1667 als deelgenoten vermeld.
274. Emerentia van Tuyll van Serooskerke ? – 1653
Vrouw van Jhr. Herpert van Lynden. Is tot 1653 in het bezit van een 1/48 deel, dat zij verkoopt, vermoedelijk aan Hendrik Tibaut.
275. Jhr. Willem van der Rijt 1653 – 1662
Heer van Brochum. Wordt in 1653 toegelaten in een 1/24 deel, in het bezit van zijn vrouw Elisabeth van Berchen. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1653/64). Hij is vermoedelijk in 1662 overleden, wanneer zijn vrouw weer in haar aandeel optreedt.
276. Marinus Corvincx 1654 – 1700
Wordt in 1654 en 1656 wegens non-comparitie beboet. Verzoekt in 1657, geassisteerd door zijn schoonvader Van den Brande, toegelaten te worden in een 1/48 deel, afkomstig van zijn vader. Wordt in 1658 toegelaten ondanks de resolutie van 1635, waarbij bepaald was dat voor het stemrecht minstens een 1/24 deel nodig was, omdat zijn deel tevoren verstorven was. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1658/59). Treedt tot 1677 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1700 over op Jhr. Johan Frederik de Mauregnault.
277. Johan Huyssen 1655 – 1661
Wordt in 1655 toegelaten in een aandeel, afkomstig van zijn grootvader Johan de Knuijdt. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1655/56). Treedt tot 1661 in de vergaderingen op. Zijn aandeel is in 1662 door Mevrouw Huyssen gekocht.
278. Jhr. Pieter Thomas Pynssen van der Aa 1656 – 1670
Wordt in 1656 toegelaten in een 1/12 deel, toegevallen aan zijn vrouw Magdalena van Boshuijssen bij de kaveling der goederen van Jacob van Boshuijsen. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1655/56). Treedt tot 1670 in de vergaderingen op.
279. Jkvr. Louise van Boshuijsen 1656 – 1685
Wordt in 1656 wegens non-comparitie beboet. Is misschien identiek met de vrouw van Jhr. Joachum Hoppers, die vanaf 1659 deelgenoot is. Is waarschijnlijk identiek met Louisa van Boshuijsen, vrouw van Dalem, die in 1685 haar 1/24 deel overdraagt op Maria Anna van Craen, vrouw van Jhr. J.P. de Spangen, ridder van Dalem.
280. Maria van Liere, weduwe van Jhr. Pieter van Tuyll van Serooskerke 1657
Treedt op in een 1/24 deel, afkomstig van haar man. Het aandeel gaat in 1657 over op haar zwager.
281. Jhr. Jeronimus van Thuyll van Serooskerke 1657 – 1661
Heer van Stavenisse. Wordt in 1657 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van zijn broer Jhr. Pieter van Thuyll van Serooskerke. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1657/58). Treedt tot 1661 in de vergaderingen op.
282. Kinderen van Mr. Jacob Campe 1657 - 1677
Worden tussen 1657 en 1677 in de vergaderingen genoemd.
283. Heer van Bassevelde 1659 – 1661
Wordt tussen 1659 en 1661 wegens non-comparitie beboet.
284. Johanna van Doornik, weduwe van Jhr. Alexander Emanuel van Renesse 1659 – 1665
Is opgevolgd in het aandeel van haar man. Zij vraagt in 1660 om tot de vergaderingen te worden toegelaten, doch dit wordt uit kracht van vroegere resoluties geweigerd. Tot 1665 wordt zij wegens non-comparitie beboet.
285. Kinderen van der Nadt 1659 – 1667
Worden tussen 1659 en 1667 wegens non-comparitie beboet.
286. Jhr.Joachum Hoppers 1659 - 1675
Wordt in 1659 wegens non-comparitie beboet. Is in 1660 toegelaten in het aandeel van zijn vrouw Louisa Maria van Boshuijsen. Wordt tot 1675 wegens non-comparitie beboet.
287. Vrouwe van Serooskerke 1662 - ?
Blijkt in 1662 deelgenote te zijn.
288. Mevrouw Huyssen 1662 - ?
Koopt in 1662 een 1/24 deel.
289. Cornelis van Aerssen van Sommelsdijk 1663 – 1666
Heer van Spijk en Sommelsdijk. Wordt in 1663 toegelaten in een deel, afkomstig van zijn vader Cornelis van Aerssen. Zijn aandeel gaat in 1666 over op Hendrik Thibault.
290. Elisabeth van Berchen, (weduwe?) van Jhr. Willem van der Rijt 1663 – 1674
Treedt tot 1663 in een aandeel op. Dit gaat in 1674 over op Jhr. Jacob de Rijdt.
291. Magdalena van Baerlant, barones van Wissenkerke 1663 – 1680
Wordt in 1663 toegelaten in een 1/48 deel, afkomstig van Jacob van Baerlant. In 1679 protesteert zij, dat zij als niet-stemgerechtigde niet deelt in alle revenuen, o.a. van de vergaderingen en de recognities. Haar aandeel gaat in 1680 over op Jhr. Francois Charel van Wissenkerke. Blijkens een ander gegeven bezat zij twee 1/48 delen.
292. Laureys Huyssen 1663 - ?
Wordt in 1661 toegelaten in een 1/24 deel, gekocht van de voogden van Jhr. Godart van Thuyll van Serooskerke, heer van Wellandt. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1663/64).
293. Jhr. Helmich van Renesse 1666 – 1674
Heer van Eerden. Wordt in 1666 toegelaten in een 1/16 deel, afkomstig van zijn moeder Johanna van Doornik. Treedt tot 1674 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1674 over op Reinier Schaap.
294. Hendrik Thibault 1666 - ?
Treedt in 1666 op in een deel, afkomstig van Cornelis van Aerssen van Sommelsdijk. In 1669 heeft Frederik Huyssen, heer van Ravels, een 1/36 deel van Thibault op zijn naam, doch zijn verzoek om toelating wordt afgewezen.
295. Adriaen de Vroe 1666 - ?
In 1666 belenen de gecommitteerde Staten van Zeeland hem, middels zijn oom Johan Lesage, met een 1/24 deel (R.A. Zeeland, Aanwinsten).
296. Jhr. Jacob Campen. 1670 - ?
Wordt in 1670 toegelaten. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1670/71). Verkrijgt in 1674 een 1/48 deel, afkomstig van Jhr. Helmich van Renesse, doch dit kan een deel in de tienden zijn geweest en geen ambachtsportie.
297. Jhr. Jacob de Rijdt 1674 – 1675
Heer van Wuustwezel. Wordt in 1674 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van zijn moeder Elisabeth van Berchen. Zijn aandeel gaat in 1675 over op Antony de Huijbert.
298. Renier Schaep 1674 – 1680
Heer van Winssen. Wordt in 1676 toegelaten in een 1/16 deel, via zijn vrouw afkomstig van Jhr. Helmich van Renesse, dat hij al in 1674 bezat. Treedt tot 1680 inde vergaderingen op.
299. Jhr. Johan Huyssen 1674 - ?
Krijgt in 1674 een deel der tienden van Oud Vossemeer op zijn naam, waardoor het waarschijnlijk is, dat hij ook een ambachtsportie bezat.
300. Antony de Huybert 1675 – 1683
Heer van Kruiningen. Wordt in 1675 toegelaten in een 1/24 deel, gekocht van Jhr. Jacob de Rijdt, heer van Brochum. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1675/76). Treedt tot 1683 in de vergaderingen op.
301. Jhr. Justus Philibert de Spangen, baron van Herent 1676 – 1691
Heer van Wetterbeek. Wordt in 1676 toegelaten in een 1/12 deel, gekocht van de heer van Grave (?). Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1676/77). Treedt tot 1691 in de vergaderingen op.
302. Jhr. Albertus Happert de Diegem 1678 – 1689
Wordt in 1678 toegelaten. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1678/79). Treedt tot 1689 in de vergaderingen op.
303. Jhr. Francois Charel van Wissenkerke 1680 - ?
Heer van Sprang. Wordt in 1680 toegelaten in twee 1/48 delen, afkomstig van zijn moeder Magdalena van Wissenkerke-van Baerlant.
304. Pieter Campe 1682 – 1685
Wordt in 1682 toegelaten in een 1/36 en een 1/48 deel. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1682/83). Treedt tot 1685 in de vergaderingen op.
305. Johan Hieronymus Huyssen 1682 – 1714
Heer van Zaamslag en Grijpskerk. Is in 1668 in de vergadering geweest en 8 jaar oud zijn vader opgevolgd in diens aandeel. Wordt in 1682 toegelaten, ofschoon nog geen 24 jaren oud, omdat hij reeds raad van Middelburg was. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1682/83). Treedt tot 1714 in de vergaderingen op. Hij bezat een 1/6 deel.
306. Adriaan Gustaaf graaf van Flodorff 1683 – 1707
Heer van Stavenisse. Wordt als man van Margaretha Huyssen toegelaten, die een 1/24 aandeel bezit. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1683/84). Volgens de rekening van 1691/92 bezat hij een 1/16 deel. Treedt tot 1707 in de vergaderingen op.
307. Laurentien Huyssen 1684
Wordt in 1684 deelgenote genoemd in twee 1/48 delen, die zij in dat jaar aan Johan de Mauregnault overdraagt.
308. Maximiliaan Philips Joseph Ingens de Boulogne de Licques, graaf van Rupelmonde 1685 – 1692
Wordt in 1685 toegelaten in een 1/48 deel, afkomstig van Magdalena van Baerland. Volgens de rekening van 1691/92 bezat hij een 1/12 deel.
309. Jhr. Johan de Mauregnault 1685 – 1717
Heer van St. Philipsland. Wordt in 1685 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van Laurentien Huyssen. Hij was gehuwd geweest met Margrieta Huyssen. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1685/86). Treedt tot 1717 in de vergaderingen op.
310. Jhr. Louis Franchois Pynssen van der Aa 1685 – 1722
Burgemeester van Mechelen. Wordt in 1685 toegelaten. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1685/86). Volgens een gegeven bezat hij een 1/8 deel. Vraagt in 1706 opheffing der confiscatie door de Staten van Zeeland. Treedt tot 1722 in de vergaderingen op. Wordt in 1723 als overleden vermeld. Zijn aandeel gaat in 1723 over op Philips Louis Joseph baron van Spangen.
311. Maria Anna van Craen en Jhr. J.P. de Spange 1685 - ?
Op verzoek van Jhr. J.P. de Spange wordt zijn vrouw Maria Anna van Craen in 1685 toegelaten in een 1/24 deel, haar toegekomen ingevolge testament van Louisa van Boshuijse, vrouw van Dalem.
312. Jacob M. Campe 1686 – 1721
Wordt in 1686 toegelaten in een 1/36 en een 1/48 deel. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1686/87). Zijn aandeel is in 1721 door de heren van Vossemeer aangekocht.
313. Jkvr. Anna van Eynatten 1687 - (1711)
Vrouwe van Schoonhoven. Wordt in 1687 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van Jhr. Philip Carel van Eynatten. Vraagt in 1706 opheffing der confiscatie van haar deel door de Staten van Zeeland. Haar aandeel gaat (in 1711) over op het kind van baron van Sprange.
314. Pieter Carel de Bils 1688 – 1703
Wordt in 1688 toegelaten. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1687/88). Volgens de rekening van 1691/92 bezat hij een 1/24, een 1/48 en twee 1/36 delen. Treedt tot 1703 in de vergaderingen op.
315. Jhr. Johan Huyssen 1688 - 1721
Heer van Ravels. Wordt in 1688 toegelaten. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1687/88). Bezat volgens de rekening van 1691/92 een 1/6, twee 1/24 delen. Wordt in 1721 als overleden vermeld. In 1691 is een 1/24 deel op Johanna Huyssen overgegaan. In 1721 gaan zijn delen over: een 1/24 op Iman Cau; een 1/24 op Carel Philips graaf van Flodorf ; een 1/24 op Alexander Johan Hieronymus Huyssen, heer van Kattendijke; een 1/24 op Willem Ferleman
voor zijn vrouw Cornelia Maria de Mauregnault. In 1724 is een 1/48 deel door de heren van Vossemeer aangekocht.
316. Johanna Huyssen 1691 - ?
Wordt in 1691 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van Johan Huyssen.
317. Johan Lesage 1691 - ?
Wordt als oom van Adriaen de Vroe in 1666 beleend met een 1/24 deel. In 1691 bezit hij persoonlijk een 1/48 deel (rekening 1691/92).
318. Hendrikus Huyssen 1691 – 1708
Wordt in 1691 toegelaten in een 1/24 deel. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1691/92). Treedt tot 1708 in de vergaderingen op.
319. Graaf van Spangen en Uyternesse 1695 – 1701
Wordt in 1695 in een 1/12 deel toegelaten. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1695/96). Treedt tot 1701 in de vergaderingen op. Is misschien identiek met Carel Louis Joseph graaf van Spangen (zie 1710 ).
320. Jkvr. Anna Maria van Wissenkerke 1700 – 1725
Wordt in 1700 toegelaten in een 1/24 deel. Verkrijgt in 1707 de helft van een 1/36 deel, afkomstig van Jkvr. Magdalena van Boshuijsen. Zij vraagt in 1707 opheffing der confiscatie van haar aandeel door de Staten van Zeeland. Een 1/24 deel schijnt in 1707 overgegaan te zijn op Jkvr. Anna van Eynatten en Charles Bonaventura van der Noot. Na haar overlijden gaat haar aandeel in 1725 over op haar zoon Don Melchior Josephus Hiacinthus Philippus de Villegas.
321. Jhr. Johan Frederik de Mauregault 1700 – 1753
Heer van Hoedekenskerke. Schepen en raad van Middelburg. Vanaf 1736 hoogbaljuw en rentmeester-generaal van Bewesterschelde. Wordt in 1704 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van Marinus Corvincx, dat hij al in 1700 bezat. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1704/ 05). Treedt tot 1752 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1753 over op Jkvr. Johanna Margaretha de Mauregnault.
322. Jkvr. Josina van Vrijberghe ? – 1701
Bezit een aandeel, dat overgaat in 1701 op Henrietta Jacoba Turcq.
323. Henrietta Jacoba Turcq 1701 – 1703
Wordt in 1701 toegelaten in een 1/12 deel, afkomstig van haar tante Jkvr. Josina van Vrijberghe. Haaraandeel gaat in 1703 over op haar broer Jhr. Jan Turcq.
324. Jhr. Johan Turcq 1703 - (1738)
Wordt in 1703 toegelaten in een deel, afkomstig van zijn zuster Henriette Jacoba Turcq. Verkrijgt in 1705 een deel, afkomstig van zijn overleden nicht Johanna Maria Rosevelt. Verkrijgt in 1729 een deel, afkomstig van zijn oom Marinus Jan van Vrijberghe. Verkrijgt in 1738 een deel, afkomstig van Mr. Johan van Vrijberghe.
325. Johanna Maria Rosevelt ? – 1705
Na haar overlijden gaat haar aandeel over op haar neef Jhr. Johan Turcq.
326. Louis graaf van Corswarem 1706 - ?
Bezit sinds 1706 een 1/12 deel uit het erfdeel van zijn vrouw Theresia Philippina van Spangen, weduwe van Carel graaf van Spangen en Uyternesse. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1706/07). Treedt in de vergaderingen van 1707 en 1708 op. In 1709 maken de heren bezwaar, daar
zijn vrouw overleden is en het aandeel niet op zijn naam staat. In 1710 is het aandeel overgeschreven en wordt hij weer toegelaten. Vraagt in 1706 opheffing der confiscatie van zijn aandeel door de Staten van Zeeland.
327. Cornelia van Dusseldorp ? – 1707
Bezit in 1707 zeven 1/144 en een 1/36 delen , die in dat jaar overgaan op Simon van der Stel.
328. Jkvr. Magdalena van Boshuijsen ? – 1707
Bezit in 1707 de helft in een 1/36 deel, dat in dat jaar overgaat op Jkvr. Anna Maria van Wissenkerke.
329. Simon van der Stel 1707 – 1781
Treedt in 1707 op in zeven 1/144 en een 1/36 delen, afkomstig van Cornelia van Dusseldorp. Heeft de vergaderingen niet bijgewoond.
330. Carel Louis Joseph graaf van Spangen 1710 – 1750
Bezit in 1710 een 1/12 deel. Is misschien identiek met de graaf van Spangen (zie 1695). Zijn aandeel gaat in 1750 over op Jhr. Charles Francois Pierre baron van Spangen.
331. Willem Lesage ? – 1711
Bezit de helft van een 1/48 deel, dat bij zijn overlijden overgaat op zijn vrouw Agnes de Vroe.
332. Kind van baron van Spangen (1711)
Wordt (in 1711) toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van Jkvr. Anna van Eynatten.
333. Agnes de Vroe, weduwe van Willem Lesage 1711 – 1727
Treedt na het overlijden van haar man in de helft van een 1/48 deel op. Na haar overlijden is het aandeel overgegaan op Joan Willem Evertse.
334. Charles Bonaventura van der Noot 1711 - ?
Wordt in 1711 mede verheven in een 1/24 deel, in het bezit van zijn vrouw Jkvr. Anna van Eynatten. Dit deel, dan van Jkvr. Anna Maria
van Wissenkerke genoemd, gaat in 1725 over op Don Melchior Josephus Hiacinthus Philippus de Villegas.
335. Carel Philips graaf van Flodorff 1711 - ?
Wordt in 1711 toegelaten in een 1/16 deel, in het bezit van zijn vrouw Jenetta M. Huyssen. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1711 /12). Wordt in 1721 toegelaten in een 1/16 deel, afkomstig van Johan Huyssen (vermoedelijk hetzelfde deel). Heeft de vergaderingen niet bijgewoond.
336. Willem Adriaen van der Stel 1711 - ?
Wordt in 1711 toegelaten, vermoedelijk in het aandeel van zijn vrouw, de Hase genoemd. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1711 /12). Heeft de vergaderingen niet bijgewoond. Volgens een gegeven bezat hij een 1/16 en twee 1/36 delen.
337. Maximilien Philip Joseph Boulogne de Licques 1713 – 1728
Graaf van Rupelmonde. Wordt in 1713 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van zijn vader. Heeft in 1717 zitting genomen. Heeft de vergaderingen niet bijgewoond. Zijn aandeel gaat in 1728 over op zijn weduwe. Volgens een gegeven bezat hij een 1/12 deel.
338. Willem Frederik Huyssen 1714 – 1720
Heer van Kattendijke. Wordt in 1714 toegelaten in een 1/24 deel. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1714/15). Treedt tot 1720 in de vergaderingen op.
339. Charles Louis graaf van Spangen 1717 – 1746
Heeft in 1717 zitting genomen; bezat een 1/12 deel. Legt in 1725 de eed af. Treedt tot 1746 in de vergaderingen op.
340. Mr. Johan Hieronymus Huyssen 1717 – 1755
Heer van Zaamslag en Grijpskerk; burgemeester en raad van Veere. Bezat sinds 1714 een 1/24 deel, afkomstig van zijn moeder. Wordt in 1717 toegelaten. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1717/18). Treedt tot 1752 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1755 over op Mr. Cornelis Godin.
341. Baron van Hovorst, Pellenbergh en Sprang 1717 – 1757
Wordt in 1717 toegelaten in een 1/12 en een 1/36 delen, staande op naam van zijn vrouw Anna Maria van Wissenkerke. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1717/18). Treedt tot 1757 in de vergaderingen op.
342. Willem Lesage 1717 - ?
Heer van Oostkapelle. Heeft in 1717 zitting genomen. Bezat 1/48 deel.
343. Gerrit de Mauregnault 1718 – 1729
Burgemeester van Veere. Rekenmeester van de Generaliteits Rekenkamer te ‘s-Gravenhage. Wordt in 1718 toegelaten in een 1/24 deel. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1718/19). Heeft slechts enkele vergaderingen bijgewoond. Zijn aandeel gaat in 1729 over op Henriette Margriete de Mauregnault.
Kasteel van Hovorst, in het bezit van de familie de Villegas, heren van Pellenberg, geliëerd met de familie Van Wissenkerke, die aandelen in Vossemeer bezat.
Gravure uit: Le Roy, 1730.
344. Alexander Johan Hieronymus Huyssen 1720 – 1763
Heer van Kattendijke. Wordt in 1720 toegelaten in drie 1/48 delen, afkomstig van zijn overleden vader Jhr. Johan Huyssen. Hij heeft de vergaderingen niet bijgewoond. In 1763 gaan zijn aandelen over op zijn weduwe Anna Hurgronje en zijn zoon Jhr. Johan Hieronymus Huyssen.
345. Jeanette Margrieta Huyssen (1721) – 1724
Gravin van Flodorf. Bezit een 1/24 deel, afkomstig van Johan Huyssen, dat na haar overlijden in 1721 overgaat op haar zoon Carel Philip graaf van Flodorf.
346. Iman Cau 1721 – 1726
Wordt in 1721 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van Johan Huyssen. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1721/22). Zijn aandeel gaat in 1729 over op zijn zoon Iman Cau.
347. Carel Philip graaf van Flodorff 1721 – 1733
Verkrijgt in 1721 een 1/24 deel, afkomstig van zijn moeder Jeanetta Margriete Huyssen. Dit deel gaat in 1733 over op Charles graaf van Wartensleben.
348. Don Melchior Josephus Hiacinthus Philippus de Villegas 1721 – 1758
Wordt in 1721 toegelaten in een 1/48 deel, afkomstig van Johan Huyssen. In 1725 ontvangt hij een 1/24 deel en de helft in een 1/36 deel, afkomstig van zijn moeder Jkvr. Anna Maria van Wissenkerke. Verkrijgt in 1731 een 1/12 deel, afkomstig van de weduwe Boulogne de Licques.
Heeft de vergaderingen niet bijgewoond. Zijn aandelen gaan in 1758 over: de helft in een 1/36 deel op Adriana Catharina de Beukelaer, weduwe van Joan Mathias de Crane. Een 1/24 deel is in 1758 door de heren van Vossemeer genaast.
349. Willem Ferleman 1722 – 1742
Rekenmeester in de Generaliteits Rekenkamer. Wordt in 1722 toegelaten in een 1/24 deel, in het bezit van zijn vrouw Cornelia Maria de Mauregnault, welk deel afkomstig was van Johan Huyssen. Treedt tot 1742, het jaar van zijn overlijden, in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1742 over op Jan Willem Ermerins.
350. Willem Adriaan van der Stel 1724 – 1734
Koopt in 1724 een 1/24 deel. Dit gaat in 1734 over op zijn zoon Simon van der Stel.
351. Philip Louis Joseph baron van Spangen 1724 – 1743
Wordt in 1724 toegelaten in drie 1/24 delen, afkomstig van Jhr. Louis Francois Pinssen van der Aa. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1724/25). Zijn aandeel gaat in 1743 over op Jhr. Cornelis Justus Philibert baron van Spangen.
352. Frederik graaf van Flodorf 1724 – 1736
Wordt in 1724 toegelaten in een 1/16 deel, afkomstig van zijn moeder Jeanetta Margrieta Huyssen. Hij heeft de vergaderingen niet bijgewoond. Zijn aandeel gaat in 1736 over op Willem graaf van Flodorf en Wartensleben.
353. Johan Willem Evertse 1727 – 1728
Treedt in 1727 op in de helft van een 1/48 deel, afkomstig van Agnes de Vroe. Hij draagt dit deel in 1728 over op Joan Matheus de Crane.
354. Maria Margrieta Elisabeth markiezin d’Alegra, weduwe van Maximilien Philip Joseph Boulogne de Licques 1728 – 1731
Wordt in 1728 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van haar man. Haar aandeel gaat in 1731 door verkoop over op Maria Hazart, weduwe van Pieter van Rosevelt.
355. Joan Matheus de Crane 1728 – 1755
Bezit sinds 1728 de helft van een 1/48 deel, afkomstig van Joan Willem Evertse. Het deel gaat in 1755 over op zijn vrouw Adriana Catharina Beukelaer.
356. Henriette Margriete de Mauregnault 1729 – 1730
Wordt in 1729 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van Gerrit de Mauregnault. Haar aandeel gaat in 1730 over op Pieter van Rosevelt.
357. Jhr. Iman Cau 1729 – 1733
Wordt in 1729 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van zijn vader Iman Cau. Zijn aandeel gaat in 1733 over op Willem Pieter Studelmij.
358. Pieter van Rosevelt 1730 – 1731
De rentmeester van de heerlijkheid heeft voor zichzelf van Henrietta Margrieta de Mauregnault een 1/24 deel aangekocht en vraagt om toelating. Hij wordt toegelaten, doch de overige heren vragen zich af, of hij wel rentmeester kan blijven. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1730/31). Is in 1731 overleden. Zijn aandeel gaat in 1731 over op zijn zoon Joan Willem van Rosevelt. Deze wordt in 1733 toegelaten.
359. Maria Hazart, weduwe van Pieter van Rosevelt 1731 – 1743
Treedt in 1731 op in een 1/24 deel, afkomstig van graaf Boulogne de Licques. Het aandeel gaat in 1743 over op Catharina Elisabeth van Rosevelt.
360. Johanna Hermina van Rosevelt 1731 – 1755
Is bezitster van of deelgenote in een 1/24 deel, afkomstig van Boulogne de Licques. Haar aandeel gaat in 1755 over op haar zoon Dionisius Pieter Rexstoot.
361. Mr. Johan Willem van Rosevelt 1731 – 1790
Schepen, raad en (sinds 1733) pensionaris van Goes. Wordt in 1733 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van zijn vader, dat hij al vanaf 1731 bezat. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1733/34). Treedt tot 1790 in de vergaderingen op. Zijn wapenschild bevindt zich op de schouw van de
rechtszaal. Zijn aandeel gaat in 1792 over op zijn dochter Maria Hermina van Rosevelt, vrouw van Mr. Willem Canisius.
Mr. Johan Pieter Recxstoot, burgemeester van Tholen, secretaris der staten van Zeeland, raadspensionaris van Zeeland, heer van Vossemeer. Naar een gravure uit de collectie Zelandia Illustrata van het Zeeuws Museum te Middelburg.
362. Willem Pieter Studelmij 1733 – 1737
Schepen en raad van Veere. Wordt in 1733 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van Jhr. Iman Cau. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1733/34). Treedt tot 1737 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1738 over op Mr. Alexander Johan Hieronimus Huyssen.
363. Ludovicus baron van Spangen 1733 – 1748
Heer van Valkenisse. Wordt in 1733 toegelaten in een 1/12 deel en de helft van een 1/12 en een 1/24 deel. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1733/34). Zijn aandeel gaat in 1748 over op zijn oudste zoon Charles Francois Gilbert Joseph graaf van Spangen.
364. Charles Louis graaf van Flodorff en Wartenslebe 1733 – 1752
Wordt in 1733 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van Carel Philip graaf van Flodorf. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1733/34). In 1750 gaat een deel van zijn aandeel over op zijn neef Charles Francois Pieter baron van Spangen. De rest gaat in 1752 over op Amelia Espérance gravin van Rens, geboren gravin van Flodorff Wartenslebe.
365. Mr. Jan Pieter Recxstoot 1733 – 1755
Burgemeester en raad van de stad Tholen. Wordt in 1733 toegelaten in een 1/24 deel, staande op naam van zijn vrouw Johanna Hermina van Rosevelt. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1733/34). Na zijn overlijden gaat zijn aandeel in 1755 over op zijn zoon Mr. Dionisius Pieter Recxstoot.
366. Simon van der Stel 1734 – 1780
Wordt in 1734 toegelaten in twee 1/36 en een 1/18 delen, afkomstig van zijn vader Willem Adriaan van der Stel. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1734/35). Treedt tot 1750 in de vergaderingen op. Zijn wapen bevindt zich op de schouw van de rechtszaal. Zijn aandeel gaat in 1780 over op zijn weduwe Catharina Keijzer, en is in 1780 door de heren van Vossemeer aangekocht.
367. Willem graaf van Flodorff en Wartenslebe 1736 – 1750
Schepen en raad van Veere. Wordt in 1736 toegelaten in een 1/16 deel, afkomstig van Jhr. Frederik graaf van Flodorff. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1735/36). Zijn aandeel gaat in 1750 over op Alexander Carel graaf van Flodorff Wartensleben.
368. Mr. Alexander Johan Hieronymus Huyssen 1738 – 1763
Heer van Kattendijke; raad der stad Middelburg. Wordt in 1738 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van W.P. Studelmij. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1739/40). Treedt tot 1761 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1763 over op zijn weduwe Anna Hurgronje.
369. Johan Willem Ermerins 1743 – 1756
Schepen in het Vrije van Sluis. Wordt in 1743 in een 1/24 deel toegelaten, afkomstig van Mr. Willem Ferleman, ofschoon hij dat deel samen met andere erfgenamen bezit en het nog niet exclusief op zijn naam staat. In 1746 is zijn deelgenootschap conform de voorschriften geregeld. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1743/44). Treedt tot 1756 in de vergaderingen op. Draagt in 1757 het aandeel over aan zijn broer Jacobus Ermerins.
370. Cornelis Justus Philibert baron van Spangen 1743 – 1759
Wordt in 1743 toegelaten in drie 1/24 delen, afkomstig van zijn vader Philips Louis Joseph baron van Spangen. Hij heeft de vergaderingen niet bijgewoond. Zijn aandeel gaat in 1759 over op: Gerrit ten Hage, Jacob Hurgronje en Adriaan Izak Hurgronje.
371. Catharina Elisabeth van Rosevelt 1743 – 1754
Verkrijgt in 1743 een 1/24 deel, afkomstig van de weduwe van Pieter van Rosevelt. Zij wordt vertegenwoordigd door haar man Johan Isebree. Na haar overlijden in 1754 gaat het aandeel over op haar man.
372. Johan Isebree 1743 – 1777
Wordt in 1743 toegelaten in een 1/24 deel, staande op naam van zijn vrouw Catharina Elisabeth van Rosevelt. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1742/43). Na de dood van zijn vrouw in 1754 staat het aandeel op zijn naam. Treedt tot 1777 in de vergaderingen op. Als voorzitter van de raad van beheer plaatste hij in 1767 de eerste steen in de hal van het
nieuwe ambachtsherenhuis. Zijn wapen bevindt zich op de schouw van de rechtszaal. Zijn aandeel gaat in 1778 over op Catharina Isebree.
373. Alexander Carel graaf van Flodorff Wartensleben 1750 – 1752
Wordt in 1752 toegelaten in een 1/16 deel, afkomstig van Willem graaf van Flodorff en Wartensleben. Zijn aandeel gaat in 1752 over op Amelie Espérance van Rens, gravin van Flodorff Wartensleben.
374. Charles Francois Pïeter baron van Spangen d’Uyternesse 1750 - (1793)
Wordt in 1750 toegelaten in twee 1/24 delen, afkomstig van zijn neef Charles Louis graaf van Spangen. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1750/51). Hij woonde de vergaderingen niet bij. Zijn wapen (1767 of 1771) bevindt zich op de schouw in de rechtszaal. Zijn aandeel gaat in 1793 over op Francois Louis Amory graaf van Spangen.
375. Charles Francois Gilbert Joseph graaf van Spangen 1750 - ?
Wordt in 1748 (of 1750?) toegelaten in het aandeel van zijn vader Ludovicus baron van Spangen.
376. Amelie Esperance gravin van Rens, gravin van Flodorff Wartenslebe 1752 – 1753
Wordt in 1750 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van Charles Louis graaf van Flodorff en Wartenslebe, en een 1/16 deel, afkomstig van Alexander Carel graaf van Flodorff Wartenslebe. Haar aandeel gaat in 1753 over op Johan Pieter van den Brande Sr. en Jr.
377. Jkvr. Johanna Margaretha de Mauregnault 1753 – 1759
Wordt in 1753 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van Jhr. Johan Frederik de Mauregnault. Haar aandeel gaat in 1759 over op Mr. Johan Guilelmus Schorer.
378. Mr. Johan Pieter van den Brande Sr. 1753 - (1760)
Wordt in 1753 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van Amelie Espérance gravin de Rens, geboren gravin van Flodorff Wartenslebe. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1754/55). Hij verkrijgt in 1754 een 1/16 deel; aan zijn zoon geeft hij het 1/24 deel. Er is aanwijzing, dat hij in 1760 overleed; dan krijgt de zoon de aandelen op zijn naam.
Jan Pieterszoon van den Brande, voorvader van Nr. 378. Naar een gravure uit de collectie Zelandia Illustrata van het Zeeuws Museum te Middelburg.
379. Johan Pieter van den Brande Jr. 1754 – 1793
Wordt in 1754 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van Amelie Espérance gravin de Rens, geboren gravin van Flodorff Wartenslebe. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1754/55). Krijgt in 1760 de aandelen van zijn overleden vader op zijn naam. Treedt tot 1793 in de vergaderingen op. Zijn wapen bevindt zich op de schouw van de rechtszaal. Wordt in 1793 als overleden vermeld; mogelijk is hij vroeger overleden, daar een bron in 1790 een 1/16 en een 1/24 delen van de erven van den Brande noemt. Zijn aandeel gaat in 1794 over op zijn dochter Maria Petronella van den Brande.
380. Mr. Dionisius Pieter Recxstoot 1755 – 1762
Wordt in 1755 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van zijn moeder Johanna Hermina van Rosevelt. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1755/56). Treedt tot 1760 in de vergaderingen op. Is in 1760 overleden. Zijn aandeel gaat in 1762 over op Cornelius Caen.
381. Mr. Cornelius Godin 1755 – 1770
Burgemeester en raad van Veere. Wordt in 1755 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van Jhr. Johan Hieronymus Huyssen. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1756/57). Zijn wapen bevindt zich op de schouw van de rechtszaal. Treedt tot 1766 in de vergaderingen op. Zijn aandeel gaat in 1770 over op zijn zoon Guillaume Godin.
382. Adriana Catharina de Beukelaar, weduwe van Joan Matheus de Crane 1755 – 1772
Wordt in 1755 toegelaten in de helft van een 1/48 deel, afkomstig van haar man. Verkrijgt in 1758 de helft van een 1/36 deel, afkomstig van Don Melchior Josephus de Villegas. Het wapen van De Crane bevindt zich op de schouw van de rechtszaal. Haar aandelen gaan in 1772 over op haar zoon Mr. Joan Daniël de Crane.
383. Jacobus Ermerins 1757 – 1788
Schepen en (sinds 1768) secretaris van Veere. Wordt in 1757 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van zijn broer Jan Willem Ermerins. Treedt tot 1787 in de vergaderingen op. Zijn wapen bevindt zich op de schouw van de rechtszaal. Hij is de eerste geschiedschrijver van de ambachtsheerlijkheid. Zijn aandeel gaat in 1788 over op Samuël Boeije.
384. Jkvr. Jacoba van den Brande 1758 – 1796
Wordt in 1758 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van Don Melchior Josephus Hiacinthus Philippus de Villegas. Haar aandeel gaat in 1796 over op Jkvr. Wilhelmina Carolina van den Brande.
385. Jacob Hurgronje 1759
Wordt in 1759 toegelaten in een 1/24 deel, afkomstig van Jhr. Cornelis Justus Philibert baron van Spangen. Zijn aandeel gaat in 1759 over op zijn zoon Adriaan Izak Hurgronje.
386. Adriaan Izak Hurgronje 1759 – 1778
Wordt in 1759 toegelaten in twee 1/24 delen, afkomstig van zijn vader Jacob Hurgronje. Betaalt 1 pond blijde inkomste (rekening 1759/60). In 1760 verkoopt hij een deel van zijn aandeel aan zijn broer Steven Mathijs Hurgronje. In 1778 bezat hij nog een 1/24 deel. Het wapen Hurgronje bevindt zich op de schouw van de rechtszaal. (De juiste successie der aandelen in de families Hurgronje en Snouck Hurgronje is niet duidelijk).