VIERDE HOOFDSTUK
IV HET BESTUUR VAN DE DORPEN
25 IN HET ALGEMEEN
De heren van Vossemeer hebben zich daadwerkelijk en zeer intensief beziggehouden met het besturen van de beide dorpen, die op hun grondgebied zijn ontstaan. Oud Vossemeer bestaat bewijsbaar sinds het jaar 1433, als wij afgaan op het feit, dat in dit jaar schepenen van Vossemeer worden genoemd. Daar het dorp in de Kerkpolder ligt, die vermoedelijk pas omstreeks 1450 is bedijkt, moet het ontstaan van het dorp omstreeks die tijd worden gesteld. Dit behoeft niet in tegenspraak te zijn met het bestaan van een schepenbank in 1433; elders hebben wij gezien, dat Vrijberghe ook een schepenbank heeft gehad, waar zelfs geen dorp is ontstaan. Nieuw Vossemeer is in 1567 gesticht; de eerste huizen zijn er in 1569 gebouwd. In de tijd van Ermerins (1764 of 1784)
1 had Oud Vossemeer 150 huizen, een molen en twee meestoven; het telde 564 personen boven de drie jaren.

Gezicht in het dorp Oud Vossemeer, 18e eeuw. Naar een tekening van A. Schoenmaker. Collectie: Zelandia Illustrata
Nieuw Vossemeer, ongeveer anderhalve eeuw later gesticht, had toen 84 huizen en een molen; daar woonden 401 personen. Relatief gezien, hebben de ontwikkelingskansen in Nieuw Vossemeer gunstiger gelegen.
Uit de eerste eeuw is er weinig bekend over het dorp en zijn inwoners. Tegen het midden van de 15e eeuw had Vossemeer zich reeds ontwikkeld tot een dorp, waaronder verscheidene in de polders verspreide huizen en hoeven ressorteerden. De voortdurende zorg van de heren was een goede gang van zaken in hun heerlijkheid te bevorderen, er orde en welvaart te doen heersen; anderzijds verloren zij hun eigen belangen niet uit het oog. Vanzelfsprekend konden zij zich niet het gehele jaar door inzetten voor het dagelijks bestuur; volgens hun uitgiftebrief moesten zij in het land een bestuur instellen, overeenkomend met de gangbare besturen en schepenbanken in het gehele land.
Steeds hebben de heren er op bedacht moeten zijn, dat de door hen aangestelde officieren en beambten hun bevoegdheden niet overschreden; zij moesten juist genoeg en niet te veel doen. Dikwijls kwam het voor, dat zij op hun plicht gewezen moesten worden, als zij te laks waren. Doch talrijker zijn de gevallen, dat de magistraat in zijn geheel of de afzonderlijke functionarissen ingetoomd moesten worden, als zij volgens de mening van de heren hun boekje te buiten gingen.
Het dagelijks bestuur van de dorpen bestond uit de baljuw, een burgemeester (zo werd sinds 1699 de oudste schepen genoemd),
2 zeven of acht schepenen, een secretaris en twee of drie boden. Van de schepenen waren er vijf uit Oud en drie uit Nieuw Vossemeer afkomstig. Zij werden elk jaar benoemd of herbenoemd.
3 De baljuw en de secretaris werden vanaf de 17e eeuw voor het leven benoemd. Deze functionarissen worden elders uitvoeriger behandeld.
In het begin hebben de landmeesters een voorname plaats in het dorpsbestuur ingenomen. Deze functie is later vervallen,
daar zij opgegaan is in het bestuur van de polders. Aanvankelijk was er immers geen onderscheid merkbaar tussen dorps- en polderbestuur. De landmeesters hadden het beheer over het land en over de werken, die nodig waren om dit te behouden en tegen het water te beschermen. Voor deze werken stelden zij de bestekken op; zij voerden het toezicht op het onderhoud ervan. Anderzijds was hun functie ook van financiële aard, daar zij de lasten moesten omslaan over de ingelanden van de afzonderlijke polders.
Er werd onderscheid gemaakt tussen gezamenlijke lasten, waarin allen bij te dragen hadden – de feitelijke gemeente – en de lasten,
die elke polder afzonderlijk betroffen. Ingevolge een besluit van de heren werden in het jaar 1510 twee landmeesters aangesteld.
4 Zij kregen het beheer over alle uitgaven ten behoeve van het dorp.
5 Zij werden uit de schepenen gekozen en moesten alle gewone en buitengewone werken van dijkage
samen met de dijkgraaf opnemen en doen uitvoeren.
6 Tussen 1505 en 1515 zijn enige rekeningen van hen bewaard gebleven.
7 Daarin vermelden zij de inkomsten en uitgaven van het land. Onder de uitgaven zijn de totale financiën van het dorp verantwoord; het “kaproenlaken” (de ambtskleding van de schepenen, meestal bestaande uit een kap d.i. kaproen); het stellen van de klok; het loon van de schutter (van het vee); een steenglooiing aan de dijk; het ruimen van de sluisvliet; het ruimen van de sluis in de Kerkpolder; het verhogen van de dam aan het veer; het opmaken van de landsrekening. Al deze posten werden over de verschillende polders verdeeld; naar gelang zijn schotbare grootte betaalde elke polder zijn deel in de gemeenschappelijke lasten. De rekeningen van de landmeesters werden afgehoord door de baljuw, de schepenen en de gezamenlijke
ingelanden. Het financiële beheer, hiermede gepaard gaande, raakte alleen de polders of de ingezetenen en ging geheel aan de heerlijkheid voorbij. Een enkele maal, zoals in het jaar 1509, geschiedde de afhoring van de rekening in tegenwoordigheid van de heren.
8 De landmeesters worden in 1496 voor de eerste maal vermeld.
9 Als in 1510 twee landmeesters worden aangesteld, wordt tevens gesproken van twee “hevenmeesters”.
10 Hun functie wordt uit de stukken niet geheel duidelijk. Vermoedelijk hadden zij tot taak bij een inpoldering de onderscheiden kavels en percelen af te bakenen en na dijkage op de eenmaal vastgestelde maat te houden. Zij fungeerden als een verre en min of meer primitieve voorloper van het kadaster. Af en toe komt in de stukken het werkwoord “hevenen” voor.
Omstreeks het jaar 1530 begon men onderscheid te maken tussen de landmeesters ten westen en ten oosten van de rivier; deze laatsten werden meestal die “over ’t water” genoemd.
11 Nog in 1587 werd het schot gezet (vastgesteld) door de baljuw, de schepenen en de landmeesters. Tegen het einde van de 16e eeuw ging hun functie ongemerkt op de gezworenen over; dan is zij van zuiver waterstaatkundige aard geworden.
Het dorpsbestuur, uitgeoefend door de baljuw en schepenen heeft vrijwel geen veranderingen ondergaan.
In 1735 werd het gevormd door de baljuw, een burgemeester, acht schepenen, drie gezworenen voor Oud en drie gezworenen voor
Nieuw Vossemeer, twee keurmeesters voor de mede en een armenmeester voor de beide dorpen.
14
Dit eigen en slechts aan de heren van Vossemeer verantwoordelijke bestuur was het zichtbare teken van een zelfstandigheid, die de heren van Vossemeer altijd als het hoogste goed hebben beschouwd. Als de rentmeester de uitergorzen verpacht, moet hij in de voorwaarden zetten, dat de huurders hun “Sacrament” moeten halen in Vossemeer, beslisten zij in het jaar 1500.
15 Sacrament halen betekent: de Pasen houden; dit moest in de eigen parochiekerk geschieden. Het wijst er op, dat de heren bij voorkeur de gorzen aan de eigen inwoners wilden verpachten. Misschien lag er eveneens de opzet in, een precedent te scheppen voor sommige omstreden gebieden. Onlangs hadden de heren immers een lang en kostbaar proces moeten voeren over de kwestie, of sommige landen ten oosten van de Eendracht onder hun jurisdictie vielen. Daarbij had de vraag een belangrijke rol gespeeld, of die landerijen en gorzen onder de parochie van Halsteren of van Vossemeer ressorteerden.
In zoverre men in de eerste tijd van de ambachtsheerlijkheid van een gemeentebestuur spreken kan, was dit in de handen van de
baljuw en de schepenen. Hun voornaamste taak echter bestond in het toezicht op de naleving van de keur en in het uitoefenen van
de rechtspraak. Beide taken verrichtten zij op bevel en als gedelegeerden van de heren. Tegen de heren mochten zij geen zaak aanspannen, noch een arrest opleggen, noch anderszins hen persoonlijk doen aantasten. Zou er tussen de magistraat of de inwoners en de heren verschil van mening ontstaan, dan diende dit op de naaste vergadering van de heren behandeld te worden, waar zij met de schepenen recht zouden spreken.
16 Ogenschijnlijk duidt deze bepaling op een bedenkelijke exemptie ten eigen bate, die de kans in zich sloot, dat de heren zich gezamenlijk of afzonderlijk aan het recht konden onttrekken. In dit opzicht hebben de heren van Vossemeer nooit misbruik gemaakt van deze voorschriften, ofschoon er wel zaken aan te wijzen zijn, waar zij een voor hen gunstige beslissing verkregen hebben door hun al te eenzijdig overwicht op de magistraten en de ingelanden. De bepaling was er voornamelijk op gericht, dat een conflict inzake het bestuur niet tegen hun persoon of goederen
uitgespeeld kon worden.
Voor en na stelden de heren de bevoegdheden van de magistraat vast. Tussen 1574 en 1577 hoorden de baljuw en het gerecht de
rekeningen af van de kerkmeesters en H. Geestmeesters.
17 De heren gaven daartoe zelf opdracht. In deze tijd hadden verschillende
van oudsher kerkelijke en roomse instellingen onder heftige beroeringen te lijden. Het lijkt er op, dat de heren zich van dat
gekrakeel gedistantieerd hebben. Toen de omstandigheden rustiger waren geworden, hebben zij de bevoegdheden weer teruggenomen.
In 1618 bepaalden zij, dat de magistraat de rekeningen van kerk- en armbestuur moest afhoren in aanwezigheid van de rentmeester;
gebeurde dit niet, dan was de vaststelling van geen waarde.
18 Het kwam wel eens voor dat een bepaald voorschrift in vergetelheid raakte. In 1702 had de magistraat clandestien de rekening afgehoord; de heren eisten geen nieuwe afhoring, doch wel een afschrift van de rekeningen.
19 Over de som van de exue (betaling bij vertrek uit het dorp) mocht de magistraat met niemand een accoord of schikking maken dan in het bijzijn van de rentmeester. De dorpsrekening moest elk jaar met St. Jan door de heren worden afgehoord.
20 Met het vragen van een octrooi of een verlof van het hoger gezag mocht de magistraat zich niet inlaten; dit ging
alleen de heren aan en slechts in uitzonderingsgevallen droegen zij dit aan de magistraat en de ingezetenen op.
21 In hetzelfde jaar bepaalden zij, dat als er landerijen beneden de waarde gekocht of verkocht werden, de rentmeester deze voor de heren mocht naasten. Hierdoor wilden zij de waarde van de heerlijkheid op peil houden; in ongunstige omstandigheden konden zij ingrijpen, als er een hun onwelgevallige grondspeculatie dreigde.
Veelzijdig, men kan zelfs zeggen allesomvattend waren de bevoegdheden van de heren. Bij het verzetten van de kerkeraad wilden zij erkend worden. Daar de classis hiervan niet altijd gediend was, droegen zij de baljuw op tijdens hun afwezigheid met twee leden van de magistraat daarbij tegenwoordig te zijn; hetzelfde gold voor het afhoren van de armenrekening.
22 Meestal werden de magistraat, de schepenen en andere ambtsdragers voor één jaar aangesteld. Dat geschiedde op de herenvergadering omstreeks St. Jan.
In 1717 is bepaald dat zij wel op St. Jan benoemd werden, doch dat hun zittingsjaar inging op St. Jacob (24 juli)
23 Waarschijnlijk
is deze maatregel genomen, omdat de dag van St. Jacob vlak voor het zomerreces viel, als in de oogstperiode geen zittingen van de schepenbank werden gehouden. Van eventuele vacatures moest de rentmeester twee maanden vóór de vergadering aan alle heren kennis geven.
24 Ondanks hun jaarlijkse benoeming zaten de meeste schepenen toch lange tijd. Die jaarlijkse benoeming was echter een zwaard van Damocles; bij de minste misstap bleef de verlenging achterwege.
Met argusogen hebben de heren van Vossemeer toegezien op de inkomende personen. De baljuw en de schepenen hadden de plicht te letten
op alle vreemdelingen, vooral wanneer deze aanstalten maakten zich in de heerlijkheid te vestigen. Zij konden zelf geen toestemming
voor het verblijf geven, doch de rentmeester moest van elk geval aan de heren melding maken.
25 Er zijn tijden geweest, dat de heren
dit toezicht hebben laten verslappen. Doch in een periode van malaise, zoals tegen het midden van de 18e eeuw; werden categorisch
alle onvermogenden geweigerd, als men vreesde dat zij ten laste van de armenzorg zouden vallen. Aan de andere kant hebben de heren
maatregelen genomen om hun schaapjes bijeen te houden. Reeds in 1545 stelden zij een exue-geld vast.
26 Dit was een twintigste penning over de meubilaire goederen, die bij het vertrek van een
inwoner werd geheven. Het vertrek van een ingezetene met zijn boedel werd als een waardeverlies beschouwd, dat met een belasting enigszins werd goedgemaakt. Van deze exue-gelden kregen de heren 1/3 en de gemeente 2/3 deel.
27 Deze belasting is zeer impopulair geweest; zij werd talloze malen ontdoken en kon practisch niet meer ingevorderd worden als de schuldenaar eenmaal vertrokken was. In 1759, bepaalden de heren dat wie voor de kerkeraad als lidmaat was opgegeven en buiten Vossemeer woonde, een boete van 10 schellingen kreeg, die aan de diaconiearmen verviel.
28 Een der voornaamste taken van de heren was het handhaven van de orde en rust in de dorpen. In de keur waren hieromtrent vele en gedetailleerde voorschriften vastgelegd, doch af en toe deed zich de noodzaak gevoelen, dat bijzondere maatregelen moesten worden genomen.
Omstreeks 1550 was Vossemeer in rep en roer.
29 Groepen vagebonden, die toen door het land trokken, hadden gedreigd het dorp in brand te steken. De buurlieden van de “omloop” van Vossemeer (de kom van het dorp) klaagden hun nood bij de heren. Het “gewone popel” van de “omcingel” van het dorp bestond volgens hen uit kleine werklieden, die aan de ene kant bij een onverhoopte ramp
alles zouden verliezen, anderzijds niet bij machte waren om zich te verdedigen. Weliswaar was een jaar tevoren een bewaking
ingesteld, doch de kosten daarvan waren per hoofd omgeslagen. Nu vroegen de buurlieden, dat die kosten op de accijns (van de dranken) geheven zouden worden. De heren beslisten, dat voor de wacht een halve last turf ter beschikking kon worden gesteld, te betalen uit de gelden van de gemeente. Verder beriepen zij zich op het adagium (misschien voor deze gelegenheid uitgevonden): “Wie wake begeert, zal wake betalen”. Desgewenst mochten de buurlieden zelf de wacht houden. Wel werd een ordonnantie op de nachtwacht ingesteld. Elk uur zou geroepen worden: “Wacht uw vuur. . . uw licht.” De wakers moesten elk uur omgaan, ook als het vroor, eens buiten het dorp en eens om de ring. Waar zij licht zagen, moesten zij aanroepen. Kregen zij geen antwoord, dan moest het gerecht gewaarschuwd worden en konden de bewakers zich met een gerechtsbode toegang tot het huis verschaffen. In 1559 werden zeerovers gevangen genomen. Dit feit is met een tractatie op bier gevierd.
29a
In 1578 is een wapenschouw gehouden van alle strijdbare mannen, die zich van een wapen moesten voorzien.
30 Aan de magistraat werd opgedragen een verordening op de wacht vast te stellen. Uit latere gegevens blijkt, dat er vrij regelmatig een nachtwacht in het leven is gehouden.
31 De regenten van de stad Tholen hadden octrooi gekregen voor het organiseren van een “landwacht”, waartoe de heerlijkheden van het eiland financieel bijdroegen. Omstreeks 1685 heeft deze opgehouden te bestaan.
32 In 1675 werd voor de eerste maal een “diender” aangesteld, een veldwachter of politieagent.
33 Als men de betreffende resolutie leest,
blijkt dat het in de dorpen toch niet zó rustig was. De molenaar van Nieuw Vossemeer had er zich over beklaagd, dat heel wat van
zijn klanten zijn dwangmolen meden en elders lieten malen. De dorpsaccijns was de laatste jaren sterk afgenomen; de heren waren er
zeker van dat hier en daar ernstig gefraudeerd werd. Bovendien werden de eigendommen van de heren vaak geschonden; de jacht werd
overtreden; ruiten werden ingegooid, vee mishandeld en andere “godlosigheden” werden bedreven. Te oordelen naar de opsomming, waren het waarschijnlijk meer baldadigheden van de jeugd dan ernstige misdrijven. Om die tegen te gaan werd de diender aangesteld. Hij zou tevens de baljuw moeten helpen bij het uitoefenen van de rechtsmacht. Weliswaar was dit het werk van de boden, doch omwille van hun kleine tractement kon men van hen niet te veel vragen! De diender kreeg een jaarsalaris van 100 gulden, waar de baljuw en de rentmeester 50 gulden uit eigen zak bij moesten passen,
“waarmede hij genoegzaam zal kunnen leven”. De eerste diender was Jan Compere. Deze vertrok kort daarna naar Goes, waar hij een betere positie kon krijgen. Toen is Nicolaas van Boxel aangesteld.
34 De diender kreeg een grauwe rok met een degen en een “portespee” (degendrager).
35 In 1771 waren twee herendienaars
in functie; zij droegen een hoed, met goudgalon omboord.
36 De dienders werd in 1747 opgedragen ’s zaterdags rond te gaan om te zien, of ieder zijn straat had geveegd.
37Af en toe treft men merkwaardige bepalingen aan. Koeien mochten op straat niet gemolken worden, wel op de mestvaalt.
38 Deze bepaling werd gegeven omdat de koeien onder het melken de bast van de bomen afknaagden.
Door de heren werden “schutters” aangesteld, die tot taak hadden het losgebroken en verdwaald vee op te vangen, te bewaren
(in een schutbocht) en tegen betaling van de kosten aan de rechtmatige eigenaars terug te geven. In 1502 werden er twee benoemd.
39 Van de heren kregen zij een tabberd; op de mouw werd een vos afgebeeld met een “mare” in de
mond, zoals van ouds gebruikelijk was. Uit dit laatste blijkt wel, dat deze functie al langer bestond. In een latere periode werd de schutter door de ingelanden aangesteld, doch door de heren bevestigd. Zijn salaris kwam geheel ten laste van de ingelanden.
40 Toen een schutter door de ingelanden werd afgezet, kwamen de heren tussenbeide en handhaafden hem.
41 De rentmeester en de baljuw moesten toezien, dat hij niet verder gehinderd werd. Het volgend jaar verzetten de ingelanden zich tegen de aanstelling van een schutter door de baljuw, doch de heren beschouwden de benoeming als een herenrecht.
42 De schutter moest twee- of driemaal per week rondgaan en patrouilleren, de landlopers weren en zoveel mogelijk de klachten van de ingelanden voorkomen: De oorspronkelijke functie van het toezicht op het vee was toen al uitgegroeid tot die van veldwachter.
Als een maatregel van orde kan men eveneens de zorg voor de straten en
wegen beschouwen en de verkeersvoorschriften. Aan de wegen buiten de dorpen hebben de heren en de magistraat vrijwel nooit aandacht
geschonken; in het archief komen er althans geen gegevens over voor. Daar de meeste buitenwegen over de dijken liepen, is het
overigens zeer waarschijnlijk, dat die bij de polders in beheer en onderhoud waren. De steenstraat door Oud Vossemeer, van de molen
tot aan de dijk van Vogelenzang, is lange tijd de enige geweest, die Vossemeer rijk was. In 1504 bepaalden de heren dat de rentmeester geld zou reserveren voor de straten. De ingezetenen zouden de stenen en het zand aanvoeren bij de kerk op “de vrone”. Voor zijn huis moest ieder zelf meehelpen bij het bestraten. Wie een straatje tot aan het kerkhof wilde hebben, moest dat zelf aanleggen of bekostigen. Uit latere gegevens blijkt, dat de Molenstraat door de inwoners zelf was bekostigd. De heren van Vossemeer hadden hierin wel bijgedragen, onder andere door een groter deel van de dorpsaccijns af te staan en door het verlenen van andere faciliteiten.
44 In 1605 bepaalden de heren, dat de straat in de ring van het dorp uit het inkomen van de gemeente onderhouden moest worden.
45 In het jaar 1708 verwierf de magistraat van de Staten van Zeeland octrooi, om voor de tijd van zeven jaar een
stuiver per gemet te mogen heffen voor het onderhoud van de steenstraten ter lengte van circa 600 roeden.
46 Inmiddels hadden de heren het onderhoud van de straten vrijwel geheel op de gemeente geschoven.
De moderne mens van de 20e eeuw gelooft zijn ogen niet, als hij na naarstig speuren in een archief, dat ruim vijf eeuwen beslaat, welgeteld één verkeersvoorschrift vindt. In 1783 is bepaald,
47 dat het rijden met paarden in de dorpen slechts met “gaans paard en modestelijk” was toegestaan. Sloeg een paard op hol en werd iemand gekwetst, dan viel er een boete van 10 schellingen. Was er “smerte” toegebracht, dan werd de boete tot 33 schellingen verhoogd. Bij een dodelijk ongeval waren paard en wagen verbeurd verklaard en werd de voerman of eigenaar strafrechtelijk vervolgd.
Opmerkelijk is het toezicht van de heren op de bewoning en de bebouwing. Enigszins te begrijpen is dit wel, omdat zij de meeste
erven in de dorpen in erfpacht of erfcijns hadden uitgegeven. Nu leverden die cijnsen en pachten wel geen kapitale bedragen op,
doch alles bij elkaar waren zij niet te versmaden. Hadden de heren een erf eenmaal uitgegeven, dan wensten zij er ook de cijns van te trekken. Doch het veiligstellen van hun inkomsten is niet hun enige zorg geweest. Als een huis door brand of door een andere oorzaak in verval geraakte, zaten zij er achterheen, dat het zo snel mogelijk weer werd herbouwd. De heren wilden het dorp intact en bewoond houden; zij handhaafden er een zeker welvaartspeil en konden in tijden van regressie een eventueel verloop enigszins afremmen. Het huis van Crijn Jansse de Bode was omstreeks 1619 afgebrand; hij kreeg enige malen de aanzegging, dat hij herbouwen moest, anders zou zijn erf aan een ander gegeven worden.
48 Andries Mauriques kreeg verlof een huis af te breken op voorwaarde, dat hij in het dorp of op het platteland een nieuw zou stichten.
49 Digna Hartsens had een deel van haar huis afgebroken;
toen zij onwillig was het in zijn vorige staat te brengen, ontboden de heren een timmerman, die de opdracht kreeg het vóór de volgende vergadering te herbouwen, vanzelfsprekend op kosten van Digna.
50 De uitgegeven erven moesten binnen een zekere tijd bebouwd zijn; de rentmeester
ontving het bevel de kwaadwillenden gerechtelijk te doen vervolgen.
51 Door een brand waren in
1735 twee huizen vernield. Joris Pieterse wilde herbouwen en kreeg voor 20 jaren vrijdom van de huisschatting. Cornelis de Min
was niet zo vlug tot herbouw bereid. Hem werd gelast ook te herbouwen, anders was hij de grond en de stenen kwijt.
52 Aan Jan Verkuijl werd voor zes jaren vrijdom van huisschatting verleend voor de
wederopbouw van zijn schuur in de Achterstraat van Oud Vossemeer.
53 Met kwesties van
erfscheidingen en belendingen wensten de heren zich niet in te laten; deze lieten zij aan de magistraat ter beslissing over,
die zich door een timmerman moest doen assisteren.
54 Toen de heren voor twee erven vrijdom
van huisschatting gegeven hadden, maakten de herbouwers geen haast; de heren lieten hen aanzeggen te beginnen met de bouw, of
zij zouden de erven aan anderen in cijns uitgeven.
55 Voortaan, zo beslisten de heren in 1787,
zou voor nieuwe huizen 12 jaren vrijdom van huisschatting gegeven worden.
56
Stonden die huizen er eenmaal, dan was het zaak die in stand te houden. Vroeger was brand het grootste probleem en de grote
schrik van de huiseigenaren. Vossemeer kon er trouwens van meepraten. Op 7 october 1576 is het dorp van Oud Vossemeer vrijwel
geheel in de as gelegd.
57 Ditmaal was het de schuld van de soldaten. In 1591 verboden de heren,
vlas te zwingelen of graan te dorsen bij open licht; op de strodaken moest toezicht gehouden worden.
58 Doch veel effectieve verdediging tegen het brandgevaar
kende men nog niet. In 1638 bleek het dorp 34 brandemmers te hebben,
59 die nog eens werden opgeschilderd. Lang nadien was de brandweer alleen met emmers uitgerust.
Het onderhoud van deze emmers werd bekostigd uit een toeslag op de accijns van het bier.
60 Men is geneigd te vragen, welke grapjas dit uitgedacht heeft. Stromijten moesten op minstens 20 roeden buiten het dorp staan.
61 In 1725 is voor Oud Vossemeer de eerste brandspuit aangeschaft. De inwoners hadden daartoe aan de heren het verzoek gedaan; deze besloten de helft in de kosten bij te dragen.
62 Seigneur Stephanus Vilaan leverde de spuit, die ruim 24 pond kostte.
63 Kort nadien is een uitvoerig brandreglement vastgesteld, dat naast enige algemene bepalingen deze merkwaardigheden bevatte.
64 Men mag geen brandstoffen naast de schoorsteen leggen. In geval van brand moet de bewoner
terstond de straat oplopen en “brand” roepen. De buren moeten direct opstaan en meedoen aan het “brand” roepen. Als er brand is en de klok luidt, moet eenieder een ladder en een ton met water op zijn stoep zetten; als het nacht is, tevens een licht. Het aanwezige water in tonnen of regenbakken moet op het eerste aanzeggen beschikbaar worden gesteld. Niemand mag zijn meubels wegbrengen, als het vuur nog niet tot aan het vijfde huis genaderd is. Wie in geval van brand van de spuit gebruik maakt, moet ruim 4 pond betalen, als hij in de koop ervan niet heeft meebetaald.
In het jaar 1727 bepaalden de heren, dat de huizen en de schuren in de ring van het dorp niet meer met stro doch enkel met pannen gedekt mochten worden.
65 Tien jaren later bleek met dit voorschrift de hand te zijn gelicht; toen moesten de heren het vernieuwen en verscherpen. Het werd eveneens van toepassing verklaard op de Molenstraat.
66 Kort tevoren had een brand gewoed, die weliswaar niet tot een ramp was uitgegroeid, doch allen weer eens wakker had geschud. De oude daken mocht men nog laten bestaan, doch de nieuwe moesten van pannen zijn. Zelfs bij reparatie mocht geen stro meer gebruikt worden. De magistraat kreeg opdracht
Molenstraat te Oud Vossemeer, ca. 1910.
Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer.
hieraan streng de hand te houden. Het vroeger ingestelde brandreglement was niet doeltreffend; indertijd had men vergeten boeten te
bepalen op de overtredingen. Dit verzuim werd alsnog hersteld.
67 Later werd toegestaan schuren en stallen nog met stro te dekken,
doch de woonhuizen beslist niet
68 Toen in 1766 de brandspuit herstel nodig had, betaalden de heren de helft in de kosten.
69 Een nieuw herstel was in 1778 noodzakelijk;
ditmaal betaalden de heren alles. Na de reparatie is de brandspuit in de kerk geplaatst; tegen eventuele beschadiging werd er een hek omheen gezet.
70 Dit hebben de kerkgangers niet lang getolereerd. Het volgend jaar lieten de heren een brandspuithuisje bouwen, dat tevens als waag diende. Het mat ongeveer 5 x 3 meter. Een deel van 3 x 3 meter was bestemd voor de waag; de rest voor de brandspuit. Aan de voorkant had het twee deuren; aan de zijkanten een ovaal raam. Door een tussenschot was het in twee ruimten verdeeld. Het werd uitgevoerd in grauwe mopsteen. Voor de dakgoten en de regenpijpen werd blik genomen. De timmerman, die het bestek maakte, oordeelde loden goten en pijpen wel beter, doch vreesde, dat die “somtijds” gestolen werden, wat hier en elders regelmatig gebeurde. Dit huisje is vlak bij de kerk opgetrokken.
In de nacht van 11 op 12 juni 1781 woedde een felle brand in Oud Vossemeer. Zeven huizen en twaalf grote en kleine schuren gingen
volledig in vlammen op. Enige gedupeerden vroegen aan de heren een subsidie in de herbouw of een korting op de tienden, doch beide verzoeken werden afgeslagen. Wel stonden zij een korting op de cijns en de huisschatting toe voor 14 jaren. Voor de ergste noodgevallen stelden zij 53 pond ter beschikking. De vroegere minder strenge besluiten in verband met het brandweerreglement werden ingetrokken; voortaan zouden de schuren niet meer met riet of stro gedekt mogen zijn. De asbakken moesten verplaatst worden. Voor ieder dorp zouden 12 lederen emmers worden aangeschaft.
71 Aan de economische belangen van de heerlijkheid en de beide dorpen hebben de heren van Vossemeer voortdurend aandacht geschonken; op handel en nering hielden zij een scherp toezicht. In 1532 bepaalden zij, dat de tappers de eed moesten afleggen over de prijs van wijn en bier, zodat de magistraat de prijzen kon
vaststellen.
72 De tappers en herbergiers moesten zich aan de vastgestelde prijs houden,
of aanpassen aan de prijs, die in de dorpen gold.
73 Deze maatregelen beoogden enerzijds de opbrengst van de accijns op de dranken op een behoorlijk niveau te houden, doch waren evenzeer gericht op de belangen van de consumenten. In 1576 heerste er in de beide dorpen een grote duurte, daar er geen graan meer te krijgen was. Die van Vossemeer kochten voorheen altijd in de stad Tholen, doch daar was nu ook niets meer te halen. Op aandringen van pastoor Heijnrick van Bergeijck kwamen die van Vossemeer “onder Sacramente”; zij beloofden elkaar te helpen. Op de eerstvolgende vergadering schreven de heren voor, dat elke dinsdag markt gehouden zou worden, zodat de armen en de hulpbehoevenden iets konden kopen.
74 In 1593 stelden de heren de prijs van het bier vast;
75 nadien droegen zij dit aan de baljuw en de rentmeester op.
76 Toen in
1704 enige tappers klaagden over clandestiene herbergen, schreven de heren voor, dat de herbergiers een krans aan hun deur moesten
hangen en dat zij de jaarlijkse tapperslasten moesten betalen.
77 In huizen zonder dit merkteken
mocht geen drank verkocht worden. De herbergiers moesten een jaarlijkse recognitie van ruim 2 pond betalen,
78 doch deze belasting is in 1752 afgeschaft, waarschijnlijk omdat er toch niet de hand aan werd gehouden.
79 Een tijd tevoren hadden de heren bepaald, dat er in elk dorp slechts één herberg toegelaten zou worden.
80 Jacob Linthout werd voor Oud Vossemeer en Jan Blankenbergh voor Nieuw Vossemeer erkend. Toen Eduard Dronken in 1740 vroeg tapnering te mogen uitoefenen, werd zijn verzoek afgewezen, niet vanwege zijn naam, doch omdat er al een herberg was. Het volgend jaar nam hij de zaak van Blankenbergh over. In 1747 werd opgetreden tegen Paulus Smits, die tussen Tholen en Vossemeer herberg hield, waar onordentelijkheden voorvielen. In meerdere opzichten hadden de heren moeilijkheden met de herbergen; in 1752 wilden zij er niets meer mee te doen hebben en verklaarden zij de nering open voor iedereen.
82 In 1765 werd Dirk Stapel toegelaten als biersteker.
83 Deze functie was semi-officieel, daar zij nauw verband hield met de accijns.
Landerijen in Vossemeer mochten niet bezwaard worden dan met verlof van de heren.
84 Hun politiek was er op gericht bepaalde gronden in privé-eigendom te verkrijgen, als zich daartoe een gunstige gelegenheid voordeed. De gewichten op de stoof van het Nieuwe Veer, waar toen de dorpswaag gevestigd was, waren van Antwerpens gewicht; in 1613 zijn die vervangen door Tholens gewicht; er was tevens een nieuwe balans gemaakt.
85 Later is de waag een tijdlang in het ambachtsherenhuis gevestigd geweest; in de rechtskamer hing de weegschaal,
waarvoor in 1754 gewichten tot 300 pond werden aangeschaft; vóór 1671 waren er gewichten tot 1600 pond.
86 Enige tijd nadien is een
afzonderlijk waaghuisje gebouwd. De weekmarkt, in de nood van de Tachtigjarige Oorlog ingesteld, bleek in 1628 geheel verlopen te zijn;
hij werd in dit jaar hersteld. Aan de inwoners werd verboden “etelijke” waren naar buiten te brengen, die niet op de markt waren geweest. De marktdag werd op vrijdag gehouden.
87 In 1630 is aan de rentmeester, de baljuw en de secretaris opgedragen het brood te wegen.
88 Voor Oud Vossemeer moesten zij de keur van Tholen volgen, voor Nieuw Vossemeer die van Bergen op Zoom. In 1763 is in Oud Vossemeer een nieuwe meestoof opgericht, waarvoor de heren vermindering van de huisschatting verleenden, onder voorwaarde echter, dat die stoof zich in de prijszetting geheel op de reeds bestaande te richten had.
89 Onderlinge concurrentie van de beide meestoven werd door de heren niet gewenst. Nog in 1851 verleenden de heren medewerking aan de totstandkoming van een nieuwe meestoof in Oud Vossemeer.
90
Het ambacht en de nering hebben van de heren een duidelijke bescherming genoten. In 1689 verleenden zij de ambachtslieden preferentie in de insolvente boedels over vorderingen, die niet ouder waren dan twee jaren.
91 Enige jaren nadien
Naar een gravure uit het Rijks Prentenkabinet te Amsterdam.
vroegen enige personen verlof, om een brouwerij op te richten.
92 Toen de smid van Oud Vossemeer vroeg om zijn
verblijf te mogen verplaatsen, werd zijn verzoek in handen gesteld van de baljuw en de schepenen, die tot afwijzing adviseerden.
De heren stonden het toch toe, op voorwaarde dat de inrichting geen gevaar zou opleveren.
93 De directe bemoeienis van de heren met de toelating van nieuwe ambachtslieden begon pas later. In 1722 bepaalden zij, dat buiten de chirurgijn niemand mocht scheren.
94 In 1731 werd Cornelis Schijven als smid toegelaten, met uitsluiting van anderen. Tevoren waren er twee smeden geweest, waarvan er een overleden was; de heren waren van oordeel dat er voor twee geen redelijk bestaan was. Cornelis kreeg opdracht, de ingezetenen trouw, naarstig en “civiel” (d.w.z. niet te duur) te bedienen.
95 Het volgend jaar ontstond in Nieuw Vossemeer een hevige ruzie tussen de wagenmaker en de timmerman, met als pijnlijke aanleiding dat de eerste ook doodkisten maakte. De heren gelastten hen zich aan hun ambacht te houden. De wagenmaker mocht geen nieuw werk maken, derhalve geen doodkisten.
In 1761 verboden de heren de magistraat, eigenmachtig ambachtslieden of neringdoenden toe te laten; dit kon slechts op
admissie van de heren geschieden.
96 De nieuwe ambachtslieden vinden wij daarna in de resoluties.
Jacobus van Zimonsberge werd in 1672 als schilder en glasmaker in Oud Vossemeer toegelaten.
97
Het jaar daarna vestigde Jan van der Leck zich als timmermansbaas.
98 In Nieuw Vossemeer begon
Marinus Quist in 1768 als timmerman.
99 Hij werd in 1781 door Frans de Later opgevolgd.
100 Salomon Laserus, een jood, kreeg in 1787 toestemming om te blijven en zijn nering uit te oefenen.
101 In 1793 vestigde de jood Manuel Abrahams zich als koopman in Oud Vossemeer; hem werd wel de verplichting opgelegd een bewijs van goed gedrag over te leggen.
102 In 1787 verzochten de winkeliers van Oud Vossemeer een gilde te mogen oprichten, doch de heren wilden hier niet van horen.
103 Allerwegen werden krampachtige pogingen gedaan, om door het herstel van de middeleeuwse gilden een monopolie te verkrijgen, doch bij de meeste bestuurders waren inmiddels opvattingen over handelsvrijheid ontstaan, zodat zij een herleving van de
oude gilden niet wensten.
Nog nauwlettender hebben de heren toegezien op de schippers en de beurtschippers, omdat het bedrijf van deze zeer na aan het veer raakte, een oud recht van de heerlijkheid. In 1580 gaven zij een bepaling, die duidelijk de bescherming van de schippers van Vossemeer op het oog had.
104 Zij moesten van goede schepen voorzien zijn en de goederen tegen een redelijke prijs vervoeren. De baljuw had er op toe te zien, dat geen vreemde schippers vrachten van Vossemeer vervoerden. Deze uitsluiting van vreemde schippers is in 1689 nog eens met nadruk herhaald.
105 De vrachtprijzen werden door de heren vastgesteld;
106 de goederen van de heren werden gratis vervoerd.
107 In 1733 bleek, dat de schippers in afwachting van méér vracht te lang bleven liggen, zodat het tij soms verlopen was; dan waren de inwoners wel genoodzaakt bij anderen te bevrachten.
De heren geboden de schippers, ’s zaterdags bij het eerste gunstige tij af te varen.
108 In het begin van de 18e eeuw zijn vaste beurtschippers aangesteld, aanvankelijk één voor de gehele heerlijkheid;
109 later een voor Oud en een voor Nieuw Vossemeer.
110 Zij moesten een recognitie van ruim
2 pond per jaar betalen. In Nieuw Vossemeer is in 1744 een tweede beurtschipper toegelaten.
111 Merkwaardig genoeg, behielden de heren in de beurtschipperij nog veel zeggingsmacht, toen de heerlijkheid en de gemeente gescheiden waren. In 1824 requestreerden de ingezetenen van Oud Vossemeer voor een tweede beurtschipper, doch de heren wezen dit verzoek af.
112 In 1831 werden de onderhandelingen met de gemeente heropend.
De financiële verhouding tussen de ambachtsheerlijkheid en de gemeente is voor de meeste perioden verre van duidelijk. Het blijkt zelfs, dat op dit punt weinig of geen expliciete voorschriften zijn vastgelegd, doch dat een en ander incidenteel geregeld werd al naar gelang het uitkwam of nodig was. Zoals met betrekking tot verschillende andere zaken zal ook in de financiën aanvankelijk geen onderscheid tussen heerlijkheid en gemeente zijn gemaakt. In de materie van de waterstaat is al vroeg een splitsing ontstaan; van de zuivere polderaangelegenheden hebben de heren zich waarschijnlijk van meet af aan gedistantieerd.
In 1503 bepaalden zij, dat de rentmeester het geld van de accijns op het bier zou bewaren, om er te zijner tijd een straat mee aan te leggen.
113 Hieruit blijkt wel, dat toentertijd nog geen strikte scheiding bestond tussen de geldmiddelen van de heerlijkheid en die der gemeente. In het begin van de 16e eeuw zijn enige afspraken gemaakt; de accijns op de dranken kwam voor 1/3 aan het land en de schutterij, voor 2/3 aan de heren.
114 Tegen het einde van de 16e eeuw werd een accijns, ook wel de “brouwersplakke” genoemd, verpacht; hij werd geheven op alle bieren, die op de bodem van Vossemeer aan land werden gezet.
115 Daarnaast bleef een accijns op het tappen als verbruiksbelasting bestaan.
De magistraat had de bevoegdheid afzonderlijke lasten te heffen. In 1603 stelde hij, met verlof van de heren, een heffing van zes groten per gemet in, ter afdoening van de schulden der gemeente.
116 In 1632 trokken de heren de dorpsaccijns weer geheel aan zich, doch zij verplichtten zich daarentegen tot het onderhoud van het uurwerk en tot het vaste salaris van de vroedvrouw.
117 De dorpsaccijns werd met St. Jan verpacht, samen met de andere goederen van de heren. Uit latere gegevens blijkt, dat in 1632 de dorpen met zoveel financiële moeilijkheden zaten, dat zij er niet meer uitkwamen. De heren van Vossemeer hebben de dorpslasten geheel op zich genomen; vanzelfsprekend trokken zij ook de inkomsten naar zich toe. Op de huizen werd een huisschatting gelegd. Meestal gingen de inkomsten volledig aan de lasten op. In 1777 leverde de huisschatting een batig saldo op; de rentmeester kreeg opdracht dit in de domeinrekening op te nemen.
Ondanks de voortdurende zorg en waakzaamheid van de heren in het bevorderen van de welvaart, kwamen er in Vossemeer, naar het
woord van de Bijbel altijd armen voor; sukkelaars, wie het lot niet welgevallig was, of zieken, die zich geen redelijk bestaan
verwerven konden. Van oudsher bestond er een instituut van de H. Geest, dat de armenzorg aan zich had getrokken. Van oorsprong was dit een kerkelijke instelling, genoemd naar en gesteld onder het patronaat van de H. Geest, in de middeleeuwse liturgie de “Vader der Armen” genoemd. Dit armbestuur heeft waarschijnlijk vanaf de stichting van de parochie bestaan, al zijn er uit de eerste tijd geen gegevens bewaard gebleven. De eerst bekende feiten stammen uit het jaar 1504, toen de heren de H. Geest-meesters benoemden,
119 en uit het jaar 1506, toen zij bepaalden, dat de H. Geest mede-erfgenaam was van hen, die bij hun leven waren ondersteund.
120 Als de overledene kinderen had, kreeg de H. Geest een kindsdeel. De H. Geest-meesters werden voor één jaar aangesteld; hun benoemingen vindt men bij die der andere functionarissen.
In het archief van de heerlijkheid is een serie armenrekeningen bewaard die enige aardige bijzonderheden bevatten over de
armenzorg in Vossemeer.
121 De H. Geest bezat aanvankelijk één, later meer huisjes, waar
armlastigen gratis mochten wonen.
122 Het was maar een povere huisvesting; toen Zwarte Hendrik
er woonde, was de bedstede met stro gevuld.
123 Blijkens de rekening van 1569/70 had de H. Geest
verscheidene huisjes;
124 in dat jaar zijn zij opgeknapt. Zij lagen in Oud Vossemeer onder de molen. Als er geen arme in woonde, werden zij tegen een gewone huur verpacht.
125 Aan de andere kant van de dijk lag eenzelfde armenhuisje.
126 Toch werd er zorg aan de behuizingen besteed; er stonden 25 bomen omheen, zodat het er riant wonen was. 127 Nadien vermaakte Jacomijntje Jacobs, weduwe van Jan Piers Verlucht, een huisje aan de armen, dat eveneens onder de molen stond. 128 Enige jaren later lieten de armenmeesters aan het einde van de Molenweg een nieuw huis bouwen; het had een dubbele schouw en twee deuren; vermoedelijk bestond het uit slechts twee woonvertrekken.
129 Op dat tijdstip sprak men niet meer van de H. Geest, maar van de armen,
doch de volksmond bleek ook hier vasthoudend te zijn, zodat het nieuwe huis de naam van Geesthuisken kreeg.
130 In het jaar 1757 zijn deze armenhuizen verkocht; voor
Het Moleneind te Oud Vossemeer, met de reeds lang verdwenen molen, ca. 1910. Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer.
de opbrengst ervan werden Provinciale Zeeuwse obligaties genomen voor de algemene armen.
131
Tegen het einde van de 16e eeuw is de benaming van de H. Geest afgeschaft; het instituut van de armenzorg werd van de kerk losgemaakt
en door de armmeesters beheerd. Dit is in 1595 geheel doorgevoerd.
132 Doch reeds vanaf 1570 had de instelling zich van de heerlijkheid en het directe toezicht van de heren gedistantieerd. Voorheen werden de rekeningen van de H. Geest-meesters door de heren afgehoord, maar met ingang van 1570 geschiedde dit door de pastoor, de baljuw en de schepenen, al was er aanvankelijk nog een vertegenwoordiger van de heren bij,
133 die in 1573 al niet meer verscheen.
134 Het volgend jaar bekrachtigden de heren van Vossemeer dit trouwens met het besluit, dat, voortaan de baljuw en de schepenen de rekeningen van de H. Geest zouden afhoren.
135 Hun laatste directief hadden zij in het jaar 1571 gegeven, toen nog eens nadrukkelijk werd bepaald, dat de H. Geest-meesters “oost en west” (d.w.z. zowel in Oud als in Nieuw Vossemeer)
de uitdeling van de aalmoezen moesten doen.
136 Aan de andere kant was er een streven, de armenzorg geheel aan de leken toe te vertrouwen; nog eenmaal kwam er iemand vanwege het kapittel van Tholen aan te pas;
137 daarna valt de armenzorg geheel onder het beleid van de magistraat. De heren van Vossemeer staakten hun bemoeienis met de H. Geest voorgoed door in 1575 te bepalen, dat in het vervolg de H. Geest-meesters door de baljuw en het gerecht benoemd zouden worden.’
138 De H. Geest of de Armen hadden vaste inkomsten. De instelling bezat verschillende percelen land, die werden verpacht.
139 Andere
ontvangsten bestonden uit de opbrengst van de collecten, die op de grote feestdagen in de kerk werden gehouden.
Hieraan kwam door de hervorming een einde, toen er naast de algemene armen een diaconie werd gesticht, die eigen fondsen vormde.
In 1591 werden vier collectebussen gemaakt, die op verschillende plaatsen in het dorp hingen, waarin de bezoekers hun bijdragen voor de armenzorg konden storten.
140 Een van die bussen hing in de herenkamer; in één jaar bracht zij ruim 26 schellingen op.
141 Een tijd later waren zeven bussen geplaatst.
142 Het was tevens gebruik, dat bij bepaalde verkopen een gods- en armenpenning gegeven werd. Van sommige inkomsten van de ambachtsheerlijkheid kregen de armen bepaalde percenten, zoals van de rantsoenpenningen op de tienden, de accijns, de brouwersplak, het exue-geld, de lammertiende, het veer aan het Botshoofd, dijken en gorzen, de visserij en de vogelarij. Dit bracht bijvoorbeeld in 1631 ruim 18, in 1632 ruim 12 en in 1755 ruim 43 pond op.
143 In 1710 beslisten de heren, dat de inkomsten van de armen gelijk
verdeeld zouden worden tussen
In Vossemeer kwam volgens de stukken melaatsheid voor, of wat men daarvoor aanzag.
De H. Geest had voor deze zieken een apart huisje, dat verhuurd werd, als er geen melaatse te verplegen was.
150
In 1571 was het meisje Truije Kate Jonghe melaats bevonden;
151 zij was in Haarlem op onderzoek gegaan, waar de van melaatsheid verdachten van Tholen werden onderzocht. 152 Was hun melaatsheid vastgesteld, dan waren zij verplicht zich van de andere mensen af te zonderen, en aan andere regels van een overigens zeer summiere hygiëne te voldoen. De melaatse was een paria, uitgestoten door de normale gemeenschap. In hetzelfde jaar was er een melaatse jongen, die de troostende naam van Engel droeg. Hij stierf kort daarna en werd van de arme begraven, nadat het gerecht een onderzoek van het lijk had laten doen. De armmeester betaalde eveneens het “slaaplaken”, dat is het doodskleed.
153 De melaatsen gingen gekleed in een kleed en een mantel van grauw laken. Zulk een gewaad werd in 1574 aangeschaft voor de dochter van
Lopende Aechte. Een inwoner van het dorp gaf dit kind een jaar lang de kost voor de som van 1 pond, 18 schellingen en 2 groten.
154 Het lazerus-huisje had een hele en twee halve deuren; voor het dekken van het dak waren 23 schoven stro nodig.
155 Keijser,
wiens vrouw wij al ontmoet hebben, werd in Haarlem op melaatsheid onderzocht.
156 Enige jaren later spreken de archiefstukken voor het laatst over melaatsheid, als Crijn de Bode het kamertje schoonmaakte, waar een melaats meisje gestorven was.
157 Broeder Lenert, vermoedelijk uit Bergen op Zoom, kwam in 1573 een schamele vrouw visiteren en begraven, die aan de pest gestorven was.
158 Deze ziekte heeft meermalen in onze streek gewoed. In 1581 werd Adriaen Jaspers Rooseboom uit Turnhout als pestmeester in dienst genomen. Zulk een “pestmeester” moest de zieken verzorgen, de doden begraven en alle besmetting weren. Deze ziekte werd ook de “gau” genoemd, omdat zij plotseling verscheen en in korte tijd fataal was.
Tegen het einde van de 18e eeuw is in Vossemeer het zwaartepunt van de armenzorg verlegd naar het verplegen en opvoeden van weeskinderen. Het oude instituut van de H. Geest en van de Grote Armen werd sindsdien de Armen-Wezen genoemd.
159 Na het verhaal van ellende en ziekte wordt in de behoefte van een vrolijke noot voorzien door de schutterijen. Bij het horen van dit woord denkt men eer aan de sport van het schieten met de hand- of voetboog. Dat beeld van een portie onschuldige folklore met een groter portie (minder onschuldige!) drank is echter niet geheel juist. Vóór de 17e eeuw was de schutterij wel degelijk het apparaat der weerbaarheid van de burgerij; op vele plaatsen had zij een belangrijke politieke invloed. Het gilde van Vossemeer was aan St. Sebastianus toegewijd. Zelfs in de hervormde periode is men aan deze traditionele patroon blijven vasthouden.
In 1497 kreeg de schutterij uit de verhuur van de molen 3 achtendeel tarwe, en van de heerlijkheid twee tonnen bier.
160 Zes tonnen gaven de heren, als de schutters op de vogel schoten, die men de papagaai noemde.
161 Dit gebeurde op de zondag vóór St. Jan, als in Vossemeer kermis werd gehouden, en de meeste
heren aanwezig waren voor hun komende vergadering.
162 In 1520 werd door de heren bepaald,
dat de schutters niet meer op de molen mochten schieten.
163 De vogel of papagaai werd op een wiek geplaatst, die dan in zijn hoogste stand werd gedraaid. Dat de heren dit niet meer toelieten, betekent in feite, dat er nogal wat slechte schutters waren, die de molen raakten. Een vaste bijdrage kreeg de schutterij in 1534 voor het “opwaarts” schieten, dat is het jaarlijkse vogelschieten.
164 Tevoren had zij al een bepaalde gage ontvangen.
165 In 1536 is een nieuwe keur voor de schutterij vastgesteld, waarvan geen bijzonderheden bekend zijn gebleven.
166 Het zilver van het gilde werd het “juweel” genoemd.
In 1564 droegen de heren bij tot het inlossen ervan.
167 De schutter, die zich driemaal achtereen koning schoot, werd
keizer; dan had hij het zilver verworven, dat de schutterij van hem kon terugkopen.
Kort daarna is de schutterij tenietgegaan. In 1594 vroegen enige inwoners een schutterij van de handboog te mogen oprichten op een stuk land, aan de Molenweg gelegen, en daar doelen te zetten. Ook vroegen zij privileges te verkrijgen, die vanouds voor de schutterij gebruikelijk waren geweest. Het staat wel niet met zoveel woorden te lezen, doch het is wel zeer waarschijnlijk, dat het vroegere gilde niet meer bestond. Het nieuwe gilde wilde tevens van de voetboog op de handboog overstappen. De heren droegen de baljuw, de rentmeester en de schepenen op met de requestranten te spreken. De rentmeester moest tevens de boeken en de herenkist nazien, of hij nog stukken van het gilde vinden kon.
168 Het volgende jaar beslisten de heren, dat zij het verzoek vanwege de “harde tijden” nog in beraad hielden.
169 Pas in 1615 is het gilde van St. Sebastiaan heropgericht.
170 Het oude charter
werd uit de kist gehaald en aan het gilde teruggegeven. De schutterij mocht nieuwe doelen inrichten. Zij kreeg ook het zilver, de keur en de ordonnantie terug, die de heren in bewaring hadden genomen.
171 Een nieuwe ordonnantie stelden de heren in 1637 vast.
172 De bepalingen ervan maken duidelijk, dat het gilde geen folkloristisch spel doch bittere ernst was. De baljuw moest 33 goede en eerlijke mannen kiezen, die beëdigd zouden worden om met hun wapenen de heerlijkheid en haar inwoners te beschermen. De baljuw was overdeken; verder waren er een deken en twee gezworenen, die ieder een rot van 10 man commandeerden. Uit de gezellen werden een vaandrig en twee hellebaardiers gekozen. Elke schutter moest twee bogen hebben, een dozijn pijlen, een handschoen, een schietlap, een kwispel en een palveer of belteken. Tevens een geweer met 2 pond buskruit en een pond gegoten lood. Bij het vogelschieten, eens per jaar, mocht de schutterij van elke
biersteker een ton bier eisen. Wie tot schutter gekozen werd, was verplicht deze aanwijzing aan te nemen. Allen moesten verschijnen als zij door de baljuw en de schepenen werden opgeroepen. Elke maand oefenden zij één zondag op de doelen. Stierf een gildebroeder, dan vervielen zijn boog en pijlen aan de schutterij. Dan kozen de koning, hoofdman en dekens een nieuwe schutter, die door de baljuw en de schepenen moest worden toegelaten. Deze ordonnantie werd in 1651 bevestigd;
173 het octrooi werd vernieuwd; de accijns op het bier werd voor de doelen opgeheven; de keizer zou als premie de schilden van het span krijgen of de waarde daarvan.
Dit gilde heeft zich vermoedelijk niet goed gedragen, of een politiek gevoerd, die de heren niet welgevallig was.
In 1658 is het met één pennestreek opgeruimd.
174 De rentmeester kreeg opdracht, het gilde uit de eed te ontslaan en een nieuwe schutterij op te richten. Kort daarna is in Nieuw Vossemeer een gilde van de “bus” (met het geweer) opgericht.
175 Het is niet bekend hoe lang dit bestaan heeft. In 1718 was dit nog het geval; toen kreeg het een verbod in de school te vergaderen, omdat de schutters de banken en ruiten vernield hadden.
176 Het St. Sebastiaansgilde van Oud Vossemeer had omstreeks 1710 opgehouden te bestaan. De baljuw en de secretaris hadden een deel van het zilver en van het archief verduisterd.
177 Daarna treft men in Oud Vossemeer geen sporen meer aan van een schutterij. In 1737 vroegen de ingezetenen de rest van het zilver te mogen verkopen, om daarvan een koperen kroon voor de kerk aan te schaffen. Dit stonden de heren toe; het zilver was in bewaring
bij de baljuw Ferleman.
178 De kroon prijkt nog in de kerk.
Het enige blijk van cultureel leven bestaat in de rederijkerskamer of “Kamer van Rhetorica”, die in 1609 met verlof van de heren is opgericht. Volgens het besluit hadden de leden van deze vereniging zich te onthouden van “smadige, schimpige, vuile en oneerlijke woorden”. De spelen die zij wilden opvoeren, moesten eerst aan de magistraat ter lezing worden gegeven. In het ambachtsherenhuis bevindt zich een schilderstuk uit het jaar 1612, dat waarschijnlijk het blazoen is van de rederijkerskamer. Het bevat een afbeelding van St. Jan, de patroon van Vossemeer, en het devies: “Christus ’s mensch voedsel”. Deze kamer zou de naam gedragen hebben van: ’t Coren Bloyt,
178a wat juist kan zijn, daar op het blazoen St. Jan afgebeeld is tussen bloeiende korenaren.
Blazoen van de rederijkerskamer. Naar een schilderij in het ambachtsherenhuis.
De gezondheidszorg was in handen van een chirurgijn en een vroedvrouw. Mr. Jasper de Hondt is de eerst bekende chirurgijn
van Oud Vossemeer, die in 1639 een gage van 2 pond kreeg voor het cureren van de schamele lieden.
179 In 1644 is zijn gage tot 4 pond verhoogd.
180 Mr. Joost Heijns volgde hem in 1646 tegen dezelfde gage op.
181 Uit het jaar 1650 is Pieter de Vos bekend, die hetzelfde salaris ontving op voorwaarde dat hij de armen gratis bediende.
182 Enige jaren daarna waren twee chirurgijns aanwezig, vermoedelijk een in Oud en een in Nieuw Vossemeer.
183 Uit het jaar 1654 is Geeraerts Wielmaker bekend.
184 Mr. Dirck Blankenburg kreeg in 1682 continuatie voor Oud Vossemeer; hij was derhalve al langer gevestigd.
185 In 1688 is Claude Duplessé in Nieuw Vossemeer aangesteld, de heren waren niet scheutig en verdeelden het oude tractement van 4 pond tussen de beide
Kerk te Oud Vossemeer, ca. 1900. Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer.
chirurgijns. Duplessé is vermoedelijk opgevolgd door Mr. Paulus Ferson, die in 1698 in dienst was. 185a Blankenburg kreeg “uit gunst” bovendien een kwart last turf per jaar.
186 In 1694 berichtte hij de heren, dat de chirurgijn van Nieuw Vossemeer geen dienst meer deed en eerstdaags zou vertrekken; hij vroeg diens practijk met de gage te mogen overnemen, hetgeen werd toegestaan.
187 Na het overlijden van Dirk van Blankenburg is in 1707 Pieter Mortier aangesteld.
188 In hetzelfde jaar vestigde Jacobus van Bakelgem zich in Nieuw Vossemeer.
Dat men zich van deze chirurgijns niet veel hoeft voor te stellen, blijkt uit de resolutie van de heren uit het jaar 1714.
189 Niemand mocht het ambt uitoefenen dan die kon aantonen, dat hij voor een dokter en een chirurgijn examen had gedaan. Beide chirurgijnen waren ongediplomeerd; de heren legden hen op, binnen drie maanden het vereiste examen af te leggen. De rentmeester kreeg strikte opdracht, het gebruikelijke salaris aan de bekwaamste te geven. In 1719 is Jacobus Maurial op het gewone tractement benoemd.
190 Deze schijnt na korte tijd vertrokken of overleden te zijn; in 1720 is Pieter Servaas voor Oud en Nieuw Vossemeer aangesteld.
191 Mr. Michel Middelhoven is in 1722 voor beide dorpen toegelaten; tevens werd ieder ander verboden te scheren, op straffe van de inbeslagname van het scheergerei en een boete.
192 Hieruit blijkt wel, dat de chirurgijn niets meer was dan de dorpsbarbier, die misschien met kruiden en zalfjes experimenteerde. In 1732 bleek er geen chirurgijn te zijn;
de heren besloten naar een bekwaam persoon om te zien.
193
Nieuw Vossemeer kreeg in 1735 het eerst een nieuwe chirurgijn in de persoon van Jacob Reiffer;
194 het volgend jaar werd hij ook voor Oud Vossemeer benoemd.
195 De rentmeester stelde in 1750 Jean Rimors d’Apa aan, hetgeen door de heren is goedgekeurd.
196 In dat jaar fungeerde Reiffer nog in de beide dorpen; hij werd in 1776 opgevolgd voor Oud Vossemeer door Cornelis Henricus Engelen, die in Nieuw Vossemeer gevestigd was.
197 C. de Neve was in 1762 erkend; verder blijkt niet, waar en hoe lang hij fungeerde.
198 Engelen was in 1771 voorlopig aangesteld;
199 in 1772 werd hij tevens tot vroedmeester benoemd voor de tijd dat er geen vroedvrouw was.
200 Na de omwenteling van 1795 hebben de heren van Vossemeer geen bemoeienis meer gehad met de chirurgijns.
“Om ongelukken te voorkomen”, besloten de heren in 1663, moet de baljuw eerstdaags de eed afnemen van de vroedvrouw Antonette Spilgaarts.
201 Haar salaris was vastgesteld op 8 pond per jaar; zij kreeg dus meer dan de chirurgijns. De eed werd niet vereist voor de richtige en medisch-verantwoorde uitoefening van haar functie, doch voor het geval dat een ongehuwde moeder in de kraam kwam.
In die tijd beschouwde men het als een halszaak, dat de vader bekend werd. De vroedvrouw had scherp bevel, de kraamvrouw het
eventuele geheim te ontfutselen. Antonette Spilgaarts, ook Blankers genoemd, diende nog in 1686.
202 De weduwe van Marcus Noode volgde haar op; na haar overlijden werd in 1693 Sara de Ronde aangesteld.
203 Voor Nieuw Vossemeer is in 1705 Anna Jans benoemd, huisvrouw van Pieter Vroegop.
204 Na haar overlijden is Agnieta Meertens toegelaten; zij moest alsnog voor een dokter en een chirurgijn examen afleggen.
205 Waarschijnlijk is zij niet geslaagd; in 1724 werd Antonette Crols benoemd.
206 Deze bleef tot omstreeks 1732 in functie; toen en in 1762 werd voor Nieuw Vossemeer een nieuwe vroedvrouw gezocht.
207 Een vroedvrouw van Oud Vossemeer heette Janneke Teuter, die tot 1736 in functie was.
208 Na haar overlijden is Daatje Cornelis aangesteld, de vrouw van Cornelis Roggeband, die nog een attestatie van bekwaamheid moest inleveren. De vroedvrouw Susanna van Dijke overleed in 1793; in haar plaats werd Catarina Oostdijk gesteld, vrouw van Adriaan van Dijke.
209
De verhouding tussen de heerlijkheid en de stad Tholen is niet altijd even hartelijk geweest. Min of meer onweerstaanbaar dringt zich zelfs de woordspeling op, dat de eendracht tussen de beide plaatsen dikwijls ver te zoeken was, al zijn zij door de Eendracht aan elkaar verbonden. In het begin van de 16e eeuw voerde de stad een proces tegen de heren over de veerrechten.
210 Ofschoon hierover in concreto weinig bekend is, kan wel vermoed worden, dat de stad Tholen het overzetveer aan het Botshoofd met lede ogen heeft aangezien. De stad bezat inderdaad het veerrecht met Brabant. De heren van Vossemeer gevoelden zich echter door hun uitgiftebrief zo sterk in hun veerrecht gesteund, dat zij de pretenties van de stad op dit punt met vastberadenheid hebben weerstaan.
Enige decennia later lagen de verhoudingen nog scherper. In 1536 bleek de baljuw van Tholen lastig te zijn voor de inwoners van Vossemeer over de invoer van bonen, die volgens hem geen graan waren. De heren namen het besluit, dat als hij voortging zo formeel en onhebbelijk te zijn, de wet volgens de letter en niet volgens de geest toe te passen, zij de inwoners zouden verbieden graan naar de markt van Tholen te brengen.
211 Dit schijnt geholpen te hebben. Doch hoogst verontwaardigd
waren de heren, toen zij in 1555 het plan hadden opgevat de Eendracht af te dammen, en het vooral aan de stad Tholen te danken was, dat zij dit moesten laten vallen.
212 Het is lang in het geheugen van de heren van Vossemeer blijven hangen, al hebben zij er nadien niet meer over gesproken.
Een directe conflictsituatie is overigens zelden ontstaan. Af en toe zelfs hadden de tegenstellingen meer de schijn van een operette. In 1572 hebben soldaten in Vossemeer een pomp ontvreemd, die zij naar Tholen sleepten, waar zij ze weer opstelden en gebruiksklaar maakten. Nadat de soldaten afgetrokken waren, beschouwde de stad de pomp als een aardig cadeautje van het leger! De heren van Vossemeer vroegen de pomp terug; toen Tholen daarop niet reageerde, eisten zij de betaling ervan. Na ongeveer zeven jaren vergeefs hierom gevraagd te hebben, lieten de heren in 1579 die van Tholen met hun pomp naar de pomp lopen.
213 In 1574 had de stad een arrest op de gemeente Vossemeer laten leggen. De aanleiding of de motieven zijn niet bekend. De heren van Vossemeer namen het voor de gemeente op; zij zegden de stad aan het arrest op te heffen, of zij zouden de zaak voor de Grote Raad te Mechelen brengen.
214 In 1575 beweerde
Naar een gravure uit het Rijks Prentenkabinet te Amsterdam.
de stad, dat haar de accijns over het gehele eiland toekwam.
215 In verband met de oorlog en de daaruit volgende kosten van inkwartiering, leverancies en contributies, wilde de stad zich min of meer garant stellen voor het gehele eiland. Er was wel iets voor te zeggen, omdat in deze zaken de stad het eerst en het zwaarst werd aangesproken. Bij de Staten van Zeeland had zij inzake deze accijns al een bepaald octrooi verkregen. Doch de heren van Vossemeer en de baljuw gingen hier fel tegenin.
Haatdragend waren de heren niet. Die van Tholen vroegen in 1619 om de dijk van Slabbecorne voor het trekken van de schepen te mogen gebruiken, die vanuit het noorden naar Tholen kwamen. Dit werd hen toegestaan.
216 Voor het bevorderen van een goede verstandhouding besloten de heren in 1622, dat de magistraat en de commandeur van de stad eenmaal per jaar in Vossemeer genood en getracteerd zouden worden.
217 Volledigheidshalve moet worden opgemerkt, dat daar in de practijk niet veel van gekomen is.
In 1631 verbood de magistraat van Tholen de timmerlieden van Vossemeer om in de stad te werken. De heren riposteerden prompt met eenzelfde verbod voor de timmerlieden van Tholen.
218 Dit zou van kracht blijven zolang
Tholen zijn verbod handhaafde. Nu was het lange tijd mis. In 1656 ging de baljuw van Tholen zijn boekje te buiten door te trachten een vonnis, door schepenen van Tholen gewezen, in Vossemeer te laten uitvoeren; de heren gaven strenge orders voor het handhaven van de eigen jurisdictie.
219 Lange tijd hadden alle dorpen van het eiland twee stuivers per gemet aan de stad betaald, die in naam bestemd waren voor het onderhoud van de landwegen. In 1657 vroegen de heren van Vossemeer dat hiervan rekening zou worden afgelegd;
220 zij wilden wel eens weten, waar die penningen gebleven waren. Toen zij geen bevredigend antwoord kregen, verboden zij de magistraat van Vossemeer die gelden nog langer te betalen. Nadere maatregelen werden genomen, dat de inwoners zelf door Tholen niet aangesproken konden worden. Tevens zou men de andere dorpen tot eenzelfde houding aansporen. Tegen het midden van de 18e eeuw blijkt deze bijdrage toch weer geheven en betaald te zijn.
In 1674 ontstond er een hevige ruzie tussen Johan en Lieven van Vrijberghe met de pensionaris van Vrijberghe, figuren uit de
magistraat van de stad Tholen. Zij geraakten zelfs op de vuist. Daar de “veldslag” op Vossemeers grondgebied had plaats gehad,
opende de baljuw van Vossemeer een onderzoek, met de bedoeling tot strafrechtelijke vervolging over te gaan. Men kan zich voorstellen,
dat hij van deze zaak genoten heeft! De gerechtsboden van Vossemeer werden naar Tholen gezonden, om Johan en Lieven van Vrijberghe de dagvaarding over te reiken, doch zij werden gegrepen en gevangen gezet. De Staten van Zeeland verboden het proces. De heren van Vossemeer protesteerden tegen deze ongehoorde inmenging in hun jurisdictie.
221 De rentmeester vond het ’t toppunt, dat de ambachtsheerlijkheid ook nog de kosten der gijzeling van de boden moest betalen.
222 De heren van Vrijberghe hadden uitgebreide en belangrijke relaties. Kort nadien gelastte de prins van Oranje het proces stop te zetten en de stukken erover te vernietigen.
223 Dit laatste is niet volledig gebeurd. Er zijn nog getuigenverklaringen bewaard gebleven, die een boeiend relaas geven van het gevecht.
In 1681 verbood de magistraat van Tholen de ingezetenen, die buiten de stad woonden, in Vossemeer te laten malen; hij zette een oud gebruik opzij. De maatregel was duidelijk tegen de molens van Vossemeer gericht. De rentmeester kreeg van de heren opdracht bij het Hof van Holland een request in te dienen.
224 De afloop van deze zaak is niet bekend. In 1710 herhaalden de heren van Vossemeer het verbod voor vreemde timmerlieden in de heerlijkheid te werken; nog altijd werden die van Vossemeer in Tholen geweerd. Van deze regel mocht alleen bij publieke aanbestedingen worden afgeweken.
225 In 1742 hadden de werkbazen van de stad Tholen, timmerlieden, metselaars en strodekkers, zich in een gilde verenigd; het bewerkte, dat de ambachtslieden van Vossemeer niet in de stad mochten werken. De heren herhaalden de uitsluiting voor die van de stad Tholen.
226
In 1751 kwamen de heren van Vossemeer weer terug op het gemetgeld, dat nu vier stuivers per gemet bedroeg en dat voor het onderhoud van de landwegen was bestemd. Daar was evenwel al heel lang geen stuiver aan ten koste gelegd. De heren wilden eindelijk wel eens weten hoe het hiermee stond, en een request aan de Staten van Zeeland verzenden, als zij zich met de motivering van de heffing niet konden verenigen. Doch ook van deze zaak wordt niets meer vernomen. Tegen het einde van de 18e eeuw trouwens leidde de stad Tholen en de ambachtsheerlijkheid ieder voor zich zo’n gezapig leventje, dat zij het nog teveel moeite vonden een eventueel meningsverschil uit te vechten.
OUD VOSSEMEER
Met enige trots beschrijft Ermerins het dorp Oud Vossemeer aldus:
227 “Het gehele dorp, met cingel, een achterstraat en zijstraten, is geheel bestraat. Er loopt een steenstraat van de molen tot aan het veer, die goed wordt onderhouden en aan weerszijden met bomen is beplant.”Blijkens een kohier van de 10e penning uit het jaar 1543 telde het dorp toen slechts 16 huizen.
228 Van de oorsprong af heeft de kerk het middelpunt van het dorp gevormd; rond de kerk lag het kerkhof. Het geheel was omgeven door een gracht, die men de kerkgracht noemde. De eerste huizen werden rondom de kerk gegroepeerd, zodat vanzelf een ringstraat ontstond, nog de Ring genoemd. Deze straat diende door de ingezetenen onderhouden te worden.
In 1605 weigerden de bewoners van het platteland hieraan mede te werken; toen gelastten de heren, dat het werk uit het inkomen van het dorp betaald zou worden, waaraan alle inwoners
Ring te Oud Vossemeer, ca. 1910. Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer.
toch bijdroegen.
229 De kerkgracht was door een kade beschermd, die diende om bij een eventuele overstroming de kerk vrij van water te houden. In 1655 is deze kade vernieuwd; de kosten hiervan zijn door de gemeente en ambachtsheren betaald.
230 Enige jaren nadien is in de kerkgracht een stenen “drenk” gemaakt, een plaats waar de beesten dronken.
231 Het is een teken, dat het dorp overwegend agrarisch was ingesteld; in het dorp zelf lagen verschillende kleine boerderijen.
De bewoning heeft zich geconcentreerd op het dorp en op enige daar dichtbij gelegen buurten, zoals de Kalisbuurt, het veer aan Vogelenzang en het Botshoofd. De twee eerste zijn van lieverlede min of meer aan het dorp vastgegroeid. Sommige van deze dateren al uit de tijd van de Tachtigjarige Oorlog en hebben misschien hun ontstaan te danken aan het feit, dat er lang kwartieren van soldaten gelegen hebben, die de Eendracht en het eiland Tholen te bewaken hadden. Een kwartier lag aan het Botshoofd; een ander in de Leguitpolder. Dit heette de Papenmuts. Een derde bevond zich bij het Nieuwe Veer; de plaats heet heden ten dage nog “Het Kwartier”. De gemeente werd van oudsher onderscheiden in hoeken: Zandhoek, Welhoek; Molenhoek; Stelhoek; Bonenblok en Mare. Deze namen zijn zo oud als de landen zelf; zij werden al in de 15e eeuw gebruikt.
Buiten het dorp, verspreid over de polders van Oud Vossemeer, liggen de boerderijen. Opmerkelijk is, dat er wel grote hoeven bij zijn, doch dat men er geen kapitale boerenbedrijven vindt. De grootste hadden een areaal van 120 tot 130 gemeten land, de meeste waren middelgrote bedrijven. De juiste redenen of oorzaken hiervan zijn niet moeilijk te gissen. Aanvankelijk hebben de heren van Vossemeer er wel naar gestreefd hofsteden en landgoederen in hun heerlijkheid te stichten of te bezitten, doch na de 16e eeuw verlegden de meesten van hen hun interesse en hun investeringen in een andere richting. Zij hadden nu functies en bezittingen in andere streken van Zeeland. Op een enkele uitzondering na heeft geen van hen in Vossemeer gewoond. Het land hebben zij vrijwel geheel aan vreemden uitgegeven. Van deze is niemand zo kapitaalkrachtig geweest, dat er grote hofsteden konden ontstaan. Men ziet integendeel meermalen gebeuren, dat een vrij groot bedrijf in
de loop van de tijden in meerdere kleine is uiteengevallen. Wel licht is het beleid van de ambachtsheren er op gericht geweest (al kan dit in concreto niet uit het archief bewezen worden), dat er geen grote concentratie van land in één hand zou voorkomen; zij mochten terecht vrezen, dat een grootgrond bezitter teveel noten op zijn zang zou hebben. Wat van de hoeven van Oud Vossemeer bekend is, wordt in het kort samengevat:
232
De laatste stuiver. In 1598 zijn de landerijen van deze boerderij in een acte beschreven, evenwel nog niet onder deze naam. Michiel van Oorlo, sergeant-majoor van het eiland Tholen, verzocht in Oud Vossemeer een huis te mogen zetten, dat vermoedelijk het begin is geweest van de hofstede. De naam komt in 1709 voor het eerst op. Uit een acte van 1674 blijkt, dat er al een boerderij stond. De naam kan misschien hieruit verklaard worden, dat ter plaatse een herberg heeft gestaan; “de laatste stuiver” was een geliefde naam voor herbergen. In 1929 is uit deze hoeve een nieuwe voortgekomen, aan de Langeweg gelegen, die geen naam draagt.
Welgelegen. Deze hoeve wordt al in 1668 genoemd. De hofstede zelf is vermoedelijk enige jaren later gesticht door Jaques Dallens, kleinzoon van een rentmeester der heerlijkheid. Bij de stichting kwam zij voort uit een bedrijf, dat toentertijd door Sempel was bewoond. De naam is van jonge datum.
Dijkzicht. De hofstede is voor het eerst in de notulen der ambachtsheerlijkheid van 1598 genoemd. De eigenaar en bewoner Melchior Huijbrechtse de Bonte verzocht toen een belendende dijk te mogen beplanten. De naam is van jonge datum.
Torenhoeve. Reeds in 1577 wordt een hofstede vermeld, die onder de naam ’t Hof is verpacht; de acte zegt, dat er een toren bij stond. In 1775 is de toren gedeeltelijk afgebroken; het materiaal werd door de rentmeester aan de veerdammen gebruikt. De toren was voor 15 pond door de ambachtsheren gekocht.
233 Het volgend jaar is hij verder afgebroken en zijn de fundamenten uitgegraven.
234 Van deze toren en zijn juiste betekenis is niets bekend; mogelijk is hij een onderdeel geweest van een ridderhofstede.
Hoogkamer. Deze boerderij, waarvan alleen een gedeelte van een oude schuur is overgebleven, wordt voor het eerst in 1580 genoemd, wanneer Lam Geerts borg is voor Aert Dielen voor de pacht van een hoeve, die in het bezit was van de weduwe van Joachim Jacobs van Couwerve. Zij was meer dan een boerderij; in 1707 kocht Dallens het “herenhuis” met boerenhuis en schuren.
Kouwenberg. In 1813 was deze hoeve in het bezit van P.C. du Bois Couwenbergh. De naam van de boerderij is kennelijk van hem afgeleid. De hoeve zelf is ouder.
De Kleine Puit. Aan de overzijde van de dijk ligt het poldertje de
Het huis Hoogkamer te Oud Vossemeer, 18e eeuw. Naar een tekening van A. Schoenmaker.
Collectie: Zelandia Illustrata in het Zeeuws Museum te Middelburg.
Puit met een boerderij van dezelfde naam op het gebied van de gemeente Tholen. Voorheen heette deze hofstede “De Verbrande Hoeve”. De brand moet vóór 1598 hebben plaats gehad, want in dat jaar komt deze naam al in een acte voor. Op een kaart uit 1766 komt de boerderij nog onder de naam van “Verbrande Hoeve” voor.
Molenzicht is waarschijnlijk al in 1594 in de archieven beschreven als eigendom van Jhr. Huijbrecht van Wissenkerke. In 1706 was deze hoeve in pacht bij Leendert van Rosevelt. De naam is duidelijk als men weet, dat vlak vóór de hoeve op de dijk de molen van Oud Vossemeer stond.
Lapperskot. Tussen de voorgaande hoeve en de dijk staat een klein bedrijfje, van vóór 1614 bestaande, dat bij enkele oude inwoners nog bekend is onder de naam Lapperskot. De naam is oud. In 1782 wordt het huis beschreven als “van ouds genaamd het Lapperskot”. Waarschijnlijk is het een overblijfsel van de oude H. Geestof armenhuisjes, die ter plaatse onder de molen stonden.
Splitshoeve. Van deze boerderij worden de gronden in 1632 genoemd. De naam dateert pas van omstreeks 1870, toen de bewoner Maris het bedrijf overgaf aan twee zoons, een tweede huis aan de westzijde bijbouwde en de hoeve gesplitst werd. Mogelijk heeft de boerderij vroeger “Landzicht” geheten.
Duivekeet. De hofstede is voor het eerst in 1631 beschreven, toen Jan Marinus Leuter pachter was. In 1658 verbond Jhr. Dierik van den Werve zijn land, gelegen in de Oud Vossemeerse polder, “waar de Duivekeet in staat”. De heren van Vossemeer hebben echter aan meerdere personen verlof gegeven, om duiveketen of kotten te zetten, zodat het niet zeker is, of de vermeldingen in de bronnen op deze hoeve slaan. Vrijwel zeker stamt de hoeve uit de 16e eeuw.
De Wouter is pas in 1855 gesticht. De naam is afgeleid van een blok land, de Wouter genaamd. Andere blokken heten de Grote en de Kleine Wouter.
De Boschhoeve vindt men in 1731 beschreven onder de naam van “De Tonge”. Zij lag op een blok percelen, dat tongvormig was; de toponiem is oud. In 1512 werd Adriaan van de Tonge door de baljuw gelast een sloot te maken aan de weg achter zijn hoeve. Op te merken is, dat de bewoner of eigenaar zijn naam van de hoeve heeft afgeleid. De naam van Tonge is in onbruik geraakt en vervangen door die van Boschhoeve, toen veel geboomte het erf ging overheersen.
Luizeknip. De hoeve is in de eerste helft van de 18e eeuw ontstaan door samenvoeging van twee kleine hoefjes tot één, waarna de gebouwen van het eerste boerderijtje verdwenen. De naam schijnt pas in het begin van de vorige eeuw te zijn
ingevoerd.
Zwaanhoeve of Zwanenkot. Deze hofstede komt al in 1594 voor. Het houden van
zwanen was slechts aan de ambachtsheren toegestaan, of kon met hun verlof door een particulier geschieden. In 1525 kreeg de rentmeester van St. Maartensdijk van de heren verlof, een paar zwanen te houden. Misschien is deze hoeve door hem bewoond.
Begijnhoeve. In 1578 worden landerijen van deze hoeve vermeld als afkomstig van het St. Margrietenklooster van Bergen op Zoom. In 1582 deden de zusters pogingen dit bezit van de hand te doen; zij verkochten het aan Pauwel Janss, die het niet in gebruik wilde nemen als hij er niet zeker van was, dat hij het ongestoord kon houden. In 1633 werd gesproken van landerijen, genaamd de Begijnhoeve. In die tijd heeft er misschien geen hofstede meer bestaan. De boerderij zelf is vermoedelijk gesticht door Mr. Daniël Ockerse, raad en schepen van Zierikzee.
Kraaienkot. Deze hoeve wordt al in 1592 beschreven, doch de naam treffen wij voor het eerst aan in een acte van 1761: “van ouds genaamd het Kraaienkot”. Het achtervoegsel -kot duidt aan, dat het toentertijd slechts een kleine bedoening was.
Boerderij te Oud Vossemeer. Foto: Ad Vermeeren, 1968.
De Mare. Op 25 maart 1586 zijn huis, schuur en pachtland van deze hofstede verkocht; zij heeft derhalve al enige tijd vóór dit jaar bestaan. De H. Geest en later de Grote Armen hebben lang gronden op de Mare gehad. Het huis van de hofstede dateert van 1737.
Welgelegen. Deze hofstede is vroeger en nu “Het Speelhuis” genoemd. In 1696 wordt de laatste naam al aangetroffen. Hoewel beschrijvingen van 1569 al duiden op een boerderij, is de hoeve misschien als buitenverblijf of speelhuis gebruikt door de Van Vrijberghe’s, die eigenaar werden in 1647.
Onverwacht. De landerijen van deze hoeve zijn al vermeld in de domeinrekening van 1749/50. De schuur met rieten dak dateert van 1799, in welk jaar het bedrijf nieuw is gesticht en de naam aangenomen schijnt te zijn.
De Hikke. De hofstede is genoemd naar de polder, waarin zij ligt. Zij is vermoedelijk omstreeks 1796 gesticht; een bijgebouwtje draagt het jaartal 1799 in muurankers. De plaats, waar de hoeve aan de dijk ligt, wordt “De Batterij” genoemd. Daar is de kruin van de dijk onregelmatig afgegraven. Men vertelt, dat ter plaatse ten tijde van de slag op het Slaak (1631) een batterij heeft gestaan.
Vrijberghe. Deze boerderij genoemd naar de voormalige heerlijkheid van Vrijberghe, ligt in de Hikkepolder. Mogelijk is, dat de hofstede op oorspronkelijk gebied van Vrijberghe is gesticht, dat bij een latere limietscheiding onder Vossemeer kwam.
West-Leguit. De hofstede wordt al in 1581 genoemd als eigendom van Anna van Couwerve, weduwe van Mr. Jacob van Gelre.
Oost-Leguit. Deze boerderij is in 1615 in een acte beschreven.
De Juffer. De hofstede is in 1911 gesticht door Mej. de Wed. A. van Tilburgh. De naam is door de volksmond gegeven en van de stichtster afgeleid.
Karnemelkpot. De boerderij is in 1618 vermeld en in 1624 onder deze naam bekend. De naam is afgeleid van het voormalige Karnemelksland, een polder, die omstreeks 1475 werd bedijkt, in 1570 overstroomde, en nadien in Oud Kijkuit werd opgenomen.
Westhoef, Middelhoef en Oosthoef zijn drie hofsteden, na de bedijking van de Hollarepolder door de heren van Vossemeer gesticht. Aanvankelijk hebben zij deze hoeven in eigen beheer gehouden, doch in 1875 met de polder verkocht.
Mariahoeve. In de Van Haaftenpolder is na de bedijking een hoeve gesticht, die tussen 1903 en 1914, toen A.A. van Nieuwenhuijzen haar bewoonde, de naam kreeg van diens vrouw.
De Enige Dochter. In dezelfde polder is op 10 mei 1858 voor deze hofstede de eerste steen gelegd door Pieternelle Jacobs Kramer, enige dochter van B.A. Kramer, die met Van Haaften verschillende bedijkingen ontwierp en voltooide.
NIEUW VOSSEMEER
Op 6 october 1567 zijn de eerste erven van het nieuwe dorp, meteen Nieuw Vossemeer geheten, door de heren uitgegeven.
235 Als eeuwige
en erfelijke grondcijns werd een halve stuiver per roede vastgesteld, welke cijns na de bouw van een huis of hofstede op het huis overging. Voor het plan van het dorp gaven de heren voorschriften, o.a. voor de termijnen van het bouwen, de rooilijnen en het afbakenen van de erven.
236 De cijnzen zijn voor de eerste maal vervallen op Bamis (1 october) 1569 en in de rekening verantwoord. Er waren 17 kavels ingenomen; zes waren wel verkocht, doch de candidaten verschenen niet.
237 Hieruit blijkt wel, dat de 17 huizen in het jaar 1568 zijn gezet. De grond voor het dorp hadden de heren gekocht van Jan Jansse van Couwerve, de dijkgraaf.
238 Enige tijd later waren de meeste kavels verkocht; in totaal waren er 42 erven uitgegeven. In 1583 brandde het nieuwe dorp voor het grootste deel af; door een direct daarop volgende overstroming ging alles verloren.
239 Een lange tijd verantwoordden de rentmeesters geen ontvangsten meer van de cijnzen op de erven van Nieuw Vossemeer.
Bij de herdijking van het jaar 1609 is de grond van het voormalige dorp buiten de dijkage gevallen.
240 In dat jaar besloten de heren bij de sluis in het Boerengors een nieuw dorp te stichten; daarvoor werd dezelfde oppervlakte van 17 gemeten gereserveerd.
In 1610 waren er nog geen erven uitgegeven.
241 De landerijen van Vossemeer waren toen weer volop in gebruik. Het volgend jaar werd de rentmeester aangespoord om te trachten de erven uit te geven.
242 Een deel van ruim 6 gemeten kon in 1612 aan de man worden gebracht; waarschijnlijk zijn er kort na de uitgifte huizen gebouwd; het restant werd voorlopig als bouwland verpacht.
243 Een tiental jaren later blijken 25 kavels van verschillende grootte ingenomen te zijn;
244 weer een andere tijd later 29 kavels uitgegeven.
245 Zelfs toen had men de oorspronkelijk gereserveerde 17 gemeten niet nodig.
Met de bewoners van de hofsteden in de onderscheiden polders was de bevolking in 1612 al zo zelfbewust, dat zij aan de heren een subsidie vroeg voor het aantrekken van een schoolmeester.
246
Als erfpacht of cijns hadden de heren een grote per roede bedongen. Voor de meeste inwoners was dit luttele bedrag nog een te zware last. In 1615 vroegen
Plan van verkaveling van het dorp Nieuw Vossemeer (1567). Archief Ambachtsheerlijkheid.
zij kwijtschelding of vermindering, wat de heren voor één jaar toestonden.
247 Enige jaren later deden zich nieuwe moeilijkheden voor. Verschillende inwoners waren reeds vertrokken, mede omdat volgens hun zeggen enige ambachtsheren toezeggingen hadden gedaan, die niet in vervulling waren gegaan. De vervolging van de onwillige betalers was niet gemakkelijk. In 1617 hernieuwden die van Nieuw Vossemeer het vroegere verzoek om kwijtschelding; de heren stelden hen voor één jaar vrij, doch voegden er aan toe, dat zij het volgend jaar wel moesten betalen.
248 De herstichting van het dorp en vooral de economische ontwikkeling van de bevolking zijn zeer moeilijk van de grond gekomen. Nieuw Vossemeer ressorteerde weliswaar onder Zeeland, doch het was in feite Brabants grondgebied, dat voortdurend blootstond aan de dreiging van de Spaanse troepen. De Zeeuwen dachten er niet aan daar enige investering te doen. Bij de heren van Vossemeer
was Jhr. Nicolaas van Boshuijse vrijwel de enige, die iets in Nieuw Vossemeer zag. Zijn medeheren hebben hem in veel opzichten de vrije hand gelaten. Hij zorgde voor sauvegardes van beide zijden en liet daarin de namen opnemen van de heren en de officieren, zodat het bestuur ongehinderd toegang had tot het dorp.
249 Ook in ander opzicht heeft Van Boshuijse zich voor Nieuw Vossemeer en de Heen verdienstelijk gemaakt; de cultivatie van de nieuwe polders heeft hij voortdurend energiek aangemoedigd.
Toch is de ontwikkeling van het dorp niet gunstig geweest. In 1622 verklaarde de magistraat, dat de polders van Nieuw Vossemeer, Mattemburg, Schuddebeurs en Boerengors onder de heerlijkheid hoorden. Er was een “klein dorpke” ontstaan, met 6 of 7 huizen en enige keten. Alles was er van “kleine importantie”. Uit een lijst van 1626 blijkt, dat er 19 hoeven waren, waarin evenzoveel gezinnen woonden. In het dorp waren 11 huisgezinnen, die ongeveer 40 arbeiders telden. In totaal had Nieuw Vossemeer ongeveer 200 inwoners.
250 Tegen het einde van de 18e eeuw telde het dorp 401 inwoners boven de 3 jaren.
251 Inzonderheid onder Nieuw Vossemeer, zegt Ermerins, worden de landerijen goed bebouwd; “daar blinkt de kiesheid der landslieden in het zuiver houden van hun akkers bijzonder uit”.
De verhouding tussen de heren en de dorpsbewoners is altijd goed geweest. Toch waren die van Nieuw Vossemeer geen makke schapen. In 1699 ontstond er in het dorp een waar oproer over de invordering van de landsbelastingen. De Staten van Zeeland moesten zelfs door een afzonderlijk plakkaat orde op zaken stellen; zij loofden een premie uit voor het ontdekken en aanbrengen van de schuldigen.
252 In het archief van de ambachtsheerlijkheid is hierover niets te vinden.
Waarschijnlijk hebben de heren het als een zaak opgevat, die geen afbreuk deed aan hun autoriteit.
Meer last hebben de ambachtsheren gehad met de ingelanden van Nieuw Vossemeer. Deze accepteerden de heren wel als hun overheid, doch als het op geld aankwam,
Zicht op Nieuw Vossemeer. Foto: A. Delahaye, 1968.
of wanneer het zaken betrof met directe financiële consequenties, waren zij op en top boer. In 1626 wilden zij de 17 gemeten van het dorp in de polderlasten aanslaan, doch de heren wezen dit af omdat het vroonland was.
253 De ingelanden bleven er echter over bezig. Wel stonden de heren achter hen, toen zij door de Generaliteit benadeeld werden, omdat zij moesten bijdragen aan de nieuwe dijk van het
Westland van Steenbergen, een werk dat door de Raad van State nodig was geacht voor de verdediging van Steenbergen en Bergen op Zoom.
254 Doch in 1631 moesten de heren met kracht hun recht opeisen tot het benoemen van een penningmeester voor de polders; de ingelanden wilden dit zelf doen.
255 Een hoogtepunt bereikte de wrijving tussen de ingelanden en de heren tegen het midden van de 18e eeuw, toen de kwestie van de eigendom der dijken en het plantrecht vooral door Nieuw Vossemeer op de spits werd gedreven. Bij de bedijking van de Eendrachtspolder deden zich nieuwe moeilijkheden met de ingelanden voor; zij tastten zelfs het recht van de ambachtsheren op de ambachtsgevolgen in de wortel aan. Doch de Staten van
Zeeland deden op 24 mei 1698 uitspraak, dat de pretenties van de heren met recht waren gesteld.
256 Tegen het midden van de 18e eeuw wordt in de kohieren van de huisschatting
257 Nieuw Vossemeer onderscheiden in de volgende delen. Het Dorp, Onder de Molen, Pelsendijk, Rollaff, Achter de Wip. Toen telde het 27 hofsteden, die in de polders verspreid lagen.
26. KEUR: “Waer men in Vosmaer recht houden sal naer twee mael de clocke geluyt”
Keur noemt men de verordening of het samenstel van de rechtsregels, die aan het bestaan van een gemeenschap te gronde ligt. Het octrooi van een gilde, de stichting en het daarbij gegeven reglement, vormde de keur. De grondwet van de steden bestond uit de stedelijke keur.
Vanaf het eerste begin der heerlijkheid heeft een keur voor Vossemeer bestaan. Daar de uitgiftebrieven de heren van Vossemeer opdroegen een bestuur in het nieuwe land in te stellen, spreekt het vanzelf, dat dit niet willekeurig geschiedde, doch volgens de regels, die in de streek van kracht waren. Die eerste keur, waarvan de inhoud niet bekend is geworden, kan zeer eenvoudig zijn geweest. Waarschijnlijk werden de in het overige Zeeland geldende regels toegepast, zonder dat deze in een voor Vossemeer eigen vorm gegoten waren. Tegen het einde van de 15e eeuw kan er reeds een geschreven keur hebben bestaan. In 1496 besloten de heren, dat de keur aangevuld moest worden. Alle heren zouden er een afschrift van krijgen, om dat met de algemene keur van Zeeland te vergelijken.
1 Zeer goed mogelijk is overigens, dat pas rond deze tijd de keur, een samenstel van
regels uit het gewoonterecht, voor het eerst is neergeschreven. Hierop wijst ook het feit, dat reeds kort nadien, in 1501, de behoefte werd gevoeld, deze keur te verbeteren en aan te vullen. Tot dat doel werd een commissie uit de heren benoemd.
2 De commissie is tot een resultaat gekomen; in 1505 schreef Pieter de Scoelmeester de “nieuwe” keur in een perkamenten boek.
3
De keur werd opgesteld, aangevuld of nader verklaard door de heren van Vossemeer. Er zijn verschillende gevallen bekend, dat zij een aanvulling
maakten, of een interpretatie gaven, hoe een bepaald artikel diende te worden opgevat.
4 Die bevoegdheid was hun uitdrukkelijk in de eerste uitgiftebrief van 1410 verleend: “keuren en geboden daarin te leggen, en rechten daarin te maken met toestemming van de ambachtsheren of het merendeel van hen, om- er de heerlijkheid en de lieden, daarin wonend, mee te besturen en te berechten over alles wat er geschied: die te “minderen” of te “meerderen” zoals het hen nuttig of passend zal voorkomen, zonder van ons (de graaf van Holland) of van iemand van onzentwege op enigerlei wijs te bevelen of richtlijnen te krijgen.” De originele tekst drukt de autonomie eigenlijk sterker uit: “in eeniger wijs des te bewinden”. Het betekent, dat de heren van Vossemeer zich in deze door niemand iets behoeven te laten influisteren.
In 1537 besloten zij een nieuwe keur te doen schrijven. Waarschijnlijk zijn bij deze gelegenheid geen nieuwe bepalingen toegevoegd, doch werd er alleen een nieuw net exemplaar gemaakt. Men wilde de keur niet in vreemde handen laten komen. Daarom moest Aert de Sanger uit Bergen op Zoom zich naar Vossemeer begeven, teneinde het werk ter plaatse te doen.
5 Van deze keuren zijn geen afschriften bewaard gebleven. Haar substantiële inhoud vinden wij zonder twijfel in de latere keur terug.
In 1569 vroeg de hertog van Alva van alle steden en dorpen de privileges en keuren op.
Deze maatregel werd algemeen met het grootste wantrouwen begroet. Volgens Alva was het nodig, in de al te grote verscheidenheid van bestuur orde op zaken te stellen; tevens vond hij, dat de keuren de koninklijke goedkeuring nodig hadden. In werkelijkheid zijn de meeste op korte termijn geretourneerd met het koninklijk “non obstat”. Aanvankelijk hadden de meeste bestuurders gevreesd, dat de oude privileges ingetrokken zouden worden. De heren van Vossemeer protesteerden bij de rentmeester van Beoosterschelde, die in december terugschreef, dat hij er ook niets aan kon doen, doch dat het een bevel van de hertog van Alva was. Nu droegen zij hun rentmeester Jacob van Gelre op, de keuren te schrijven en in te leveren. In november 1570 droeg hij persoonlijk een afschrift af bij de Secrete Raad van de koning te Brussel.
6 Deze keur is in diverse afschriften bewaard gebleven en in extenso door Ermerins uitgegeven.
7
Het werk van Jacob van Gelre is geen simpel afschrift van een in 1569 geldende keur, welke min of meer identiek zou moeten zijn aan die van 1537. Hij heeft integendeel de keur aangevuld met de rechtsregels en de gebruiken, die in zijn tijd bestonden, wat hij trouwens aan het einde van zijn relaas met zoveel woorden zegt. Bij zeer nauwkeurig onderzoek kan men er zelfs drie min of meer gescheiden
delen in aanwijzen, die het waarschijnlijk maken, dat Van Gelre een compilatie heeft gegeven van enige oudere keuren, aangevuld met regels, die tot dan toe misschien niet eens in extenso neergeschreven waren. Het geheel is verdeeld in 168 artikelen, waarin niet veel logische volgorde te onderscheiden is. Juister zou men moeten zeggen, dat er wel enige volgorde in de materie te onderscheiden is, doch dat deze zich enkele malen herhaalt, wat er weer op wijst, dat de keur van 1570 een compilatie is van oudere keuren en voorschriften.
De keur was voor de heren en de dorpen een belangrijk stuk; er werd dan ook bepaald, dat zij bij de archieven van de ambachtsheerlijkheid bewaard moest worden, terwijl de baljuw en de schepenen een afschrift kregen, om daarop het recht te handhaven.
8 Na 1570 zijn er betrekkelijk weinig aanvullingen en interpretaties op gegeven; tot aan het einde van de 18e eeuw werden het bestuur en de rechtspraak volgens deze keur toegepast. Dit toont aan, dat er in bestuurlijk
opzicht geen ingrijpende veranderingen zijn voorgevallen.
Hier een daar draagt de keur een christelijke en katholieke signatuur. Als zij over de zondagsheiliging spreekt, gebruikt zij de term “hoogmis”; in een artikel over de tappers staat echter “predicatie”. Enkele malen wordt de pastoor genoemd. Dit toont aan, dat de heren en de officieren op het punt van de religie geen scherpslijperij hebben gepleegd, anders waren in de loop van de eeuwen deze “roomse” termen wel weggewerkt. Het heeft zin de voornaamste inhoud van de keur in het kort te geven, niet zozeer om de belangrijkheid van de voorschriften zelf, doch eer omdat de keur een vrij goed inzicht geeft in het dagelijks leven van de inwoners. Ter wille van de overzichtelijkheid volgen wij de artikelen niet op de voet, doch worden de onderscheiden onderwerpen samengevat.
Zij bevat vanzelfsprekend veel voorschriften over de rechtspraak zelf. De rechter en de schepenen moesten vastgestelde rechtsdegen houden, tevens vijf jaargedingen. ’s Zondags wordt door de rechter (d.i. de baljuw) en de schepenen beslist, op welke dag in de komende week zitting is. Op de morgen van die dag wordt tweemaal een “redelijke poos” de klok geluid; na het tweede luiden is de bank gespannen. De gehele dag door wordt rechtsdag gehouden zolang er partijen verschijnen, hetzij om te procederen in civiele zaken, hetzij om acten van koop,
hypotheek, geldlening, enz. af te sluiten. De schepenen zijn verplicht te verschijnen, als het hun beurt is. Rechter en schepen kan eenieder uit het land van Vossemeer worden, mits hij van wettige geboorte is en van goede naam en faam. De schepenen leggen een eed af op de keur. Bij de beslissing over processen moeten drie en minstens twee schepenen aanwezig zijn. Uit meerdere bepalingen valt te lezen, dat alléén schepenen vonnis velden; zij hadden het recht uit te spreken, dat evenwel door anderen werd uitgevoerd.
Buiten de gewone rechtsdagen behoeven de schepenen niet te verschijnen dan in enkele nader omschreven gevallen. Is een zaak volledig toegelicht en behandeld, dan moeten zij binnen zes weken uitspraak doen of vonnis wijzen. Zijn zij binnen die termijn niet klaar gekomen, dan kan de rechter hen op een rechtsdag citeren en hen opleggen vonnis te geven. Zijn zij vóór de middag niet tot een oordeel gekomen, dan mag de rechter hen in een herberg in gijzeling zetten en hen daar niet uit laten gaan tot zij vonnis hebben gegeven. Na de tijd van zes weken kunnen zij zich tot de heren van Vossemeer wenden, die een uitstel van twee weken mogen verlenen; voor zaken van dijkage en ander algemeen belang zal slechts een
De oude smidse met het “smidsklokje”, ca. 1900 . Naar een prentbriefkaart uit de collectie van de gemeente Oud Vossemeer.
week uitstel gegeven worden. Overigens kan alle schade, die door hun tekort aan besluitvaardigheid ontstaan zou, op hun persoon verhaald worden. Een schepen mag niet beraadslagen of vonnissen in zaken, waarin hij zelf “winnen of verliezen” kan, of waarin iemand van zijn familie betrokken is.
De verplichtingen van de schepenen zijn in de keur uitvoerig omschreven; aan de andere kant werden zij goed beschermd. Een zware boete stond op het in twijfel trekken van het oordeel en de onpartijdigheid van de schepenen in het algemeen of van een met name genoemde. Het maakte geen verschil, of dit gebeurde in de gespannen vierschaar of daarbuiten. Minder zwaar werd gestraft het betwijfelen van een afgelegde eed van een getuige. Ook de mindere functionarissen, zoals de landmeesters, de knechten en de boden, waren in hun functie beschermd. Wie de rechtbank stoorde liep een boete op; eveneens wie schimpte op een schepenvonnis. Zonder verlof van de rechter mocht niemand in de vierschaar spreken. Het is een blijk van de niet geheel logische opbouw van de keur, dat vlak hierna een artikel volgt over kijvende vrouwen.
Of is het misschien een weldoordachte opzet van Jacob van Gelre geweest, dat artikel juist hier te plaatsen?
Wie de baljuw bij het uitoefenen van zijn taak slaat, zal 25 pond verbeuren of zijn hand. Als de baljuw bloedt, wordt zonder pardon de hand van de dader afgeslagen. Wie de heren of hun officieren bedreigt, verbeurt 40 pond. Met stokken en wapens mag men niet binnen twee roeden afstand van de gespannen vierschaar komen.
Meerdere regels zijn gegeven voor de verkoop van landerijen en huizen; die verkopen geschiedden voor schepenen. Wie huizen of erven verkopen wil, moet daarvan eerst drie zondagen afkondiging laten doen. Op de eerstvolgende rechtsdag daarna moet hij zweren, dat het te verkopen goed zijn eigendom is. Hierna dient hij een behoorlijke omschrijving van het goed te geven, zonodig wat de maten betreft door een landmeter bevestigd. Dan zal de rechter de verkoper en de koper een stokje in de hand geven, en wordt de daartoe opgestelde formule van de overdracht luidop uitgesproken. Alle opdrachten (overdrachten) moeten door de schepenbank van Vossemeer geregistreerd worden; voor het opmaken van de acten zullen de schepenen en de secretaris legesgelden ontvangen.
Een ander merkwaardig rechtsgebruik is uit een rekening bekend. Toen Corstiaen Thoniszoon in 1577 heel arm gestorven was, legde zijn weduwe bij de begrafenis de sleutels van haar huis op het graf. Hierdoor verklaarde zij zich insolvent. Doch dit gebruik heeft nog een diepere symbolische betekenis. Zij erkende daarmede wel de schulden van haar man en nam die op zich, doch wie haar nu, na het overlijden van de kostwinner, daarvoor wilde aanspreken, moest dan ook maar haar huis, haarzelf en de kinderen op zich nemen.
Alle goederen in Vossemeer vallen onder het heersende buurrecht; zij zullen alle lasten dragen, die de buurlieden van de heerlijkheid hebben. Dit artikel wordt
nader toegelicht door andere details over de buurman. Wat de burger in de stad was, dat was de buurman in het dorp. Buurman is een
ieder, die in Vossemeer geboren is, of die zich zes weken nadat hij er gekomen is, voor rechter en schepenen vertoont en verzoekt buurman te worden. Hij belooft de buurrechten en privileges van de heerlijkheid te onderhouden en alle zaken van de keur in acht te nemen. Bij zijn aanneming geeft hij drie schellingen aan de armen, daarna zal de secretaris hem in het kerkboek inschrijven. Enkele malen vinden wij deze posten in de armenrekeningen vermeld:
“Simon Ingelss, toen hij zijn buurrecht ontving” 10 Van juni 1593 tot juni 1595 zijn 27 personen buurman geworden.
11 Als een man buurman geworden is, wordt zijn vrouw vanzelf als buurvrouw beschouwd; als zij weduwe wordt, behoudt zij deze titel zolang zij in de heerlijkheid woont. Een vreemde vrouw, die zich alleen in Vossemeer vestigt, kan het buurrecht op dezelfde manier als een man verkrijgen. Kinderen, geboren vóórdat de ouders of een der ouders het buurrecht verwierven,
kunnen het recht op dezelfde manier krijgen; werden zij na het buurrecht geboren, dan bezaten zij het vanzelf. Wie het merendeel
van het jaar in Vossemeer slaapt, eet en drinkt, wordt als een inwoner beschouwd. Wie om zijn brood te winnen langer dan een half jaar afwezig is, zal toch zijn buurrecht niet verliezen. Dit is bepaald, zegt de keur met nadruk, om te bereiken, dat de inwoners zich niet te licht elders verbinden. Een schepen, die buiten de heerlijkheid woont, wordt toch als buurman beschouwd. Wie zich in een der dorpen vestigt, moet binnen zes weken het buurrecht aanvragen. De buurlieden van Vossemeer mogen elkander buiten Vossemeer niet in rechten aanspreken. De niet-inwoners van Vossemeer worden in dit verband “buitenlingen” genoemd. Als een buurman uit de heerlijkheid vertrekt of overlijdt, en zijn roerende goederen naar elders vervoerd worden, moet van deze de 20e penning worden betaald. Dit noemde men het recht van exue (weggang of uitgang).
De keur bevat zelfs bepalingen over het arbeidsrecht. De arbeider heeft elke zondag recht op zijn loon; dit kan zonodig verhaald worden op het werk, dat hij heeft gedaan, of op de “lijfelijke” goederen van zijn meester. Daarentegen is de arbeider verplicht te komen werken voor het loon, dat werd bedongen. Blijft hij in gebreke, dan mag de meester of baas het werk op zijn kosten laten doen. Als de meester zijn knechts niet laat werken of hun geen werk aanwijst, zal hij het loon toch moeten betalen. Knechten en meiden moeten hun taak aannemen en vervullen, als zij eenmaal accoord hebben gemaakt; doen zij dit niet, dan mogen zij nergens anders in de heerlijkheid werken.
Over het handhaven van de orde in de breedste zin van het woord bevat de keur veel bepalingen. Toch kunnen zij moeilijk,vergeleken worden met de moderne politieverordeningen. Naast ons Wetboek van Strafrecht gesteld, doen zij slechts aan als een summier ontwerp. Toch heeft een practijk van enige eeuwen uitgewezen, dat de primitieve wetten afdoende waren.
Een “kwade eed”, een meineed, was heel erg; hij werd bestraft met een boete van 25 pond. Kon of wilde de dader niet betalen,
dan verloor hij de twee voorste vingers van de rechterhand. Het recht huldigde in veel gevallen het beginsel van “idem per idem”, d.w.z. men werd bestraft
in het lid, waarmede het misdrijf was gepleegd. Een diefstal beneden de waarde van een pond werd door de schepenen bestraft; boven een pond tot drie pond toe met het verlies van een oor: boven vier pond of meermalen gepleegd met verlies van lijf en goed. Overtredingen en misdrijven, gepleegd tussen zonsondergang en- opgang, konden dubbel bestraft worden. Wie goederen onder panding, arrest of beslag verduisterde, werd als rover beschouwd en als zodanig berecht. Kijvende vrouwen zullen 6 groten vlaams betalen, tenzij zij elkander ernstige blamage toeschreeuwen. In het laatste geval zullen de schepenen naar bevinding en overeenkomstig de ernst van de beledigingen vonnissen. Doen zij elkaar smart aan of dienen zij “bolslagen” uit, dan wijst de keur de straf aan. Wie spreekt: “die lust, die plukt”, de gewone uitdagingskreet van een vechtersbaas, die met getrokken mes gereed stond, werd in hechtenis genomen,
op water en brood gezet en overeenkomstig de ernst van de zaak gestraft. Wie een
ander met de vuist, een stuk hout of ander “ongemaakte” ruwe dingen slaat zonder een wonde toe te brengen, krijgt een boete. Erger is het slaan met een stok of een ongeslepen wapen, als er “gekante” wonden ontstonden. Ongehoord was het
vechten met “geslepen” wapens. Wie met een ongespannen boog of een ongeladen geweer slaat, verbeurt 10 pond; kwetst hij tot
bloedens toe, dan is de boete van 20 pond. Zijn de wapens gespannen of geladen, dan gaat de boete omhoog tot 40 pond en eist het feit strafrechtelijke vervolging.
Wie van buiten de heerlijkheid in Vossemeer komt bedelen en lediggang plegen en toch gezond van lijf en leden is, wordt gevat en met de oren aan de kaak gespijkerd; daarna “strengelijk” gegeseld en voor eeuwig uit de heerlijkheid verbannen op straffe van verlies van zijn lijf. Alle dorpelingen hebben de bevoegdheid “rabauwen, spekhalers en bedelaars” te pakken en aan de officier over te leveren, die de plicht heeft hen in scherp examen te verhoren. De veerlieden van het Botshoofd en het Nieuwe Veer mogen geen bedelaars en landlopers uit Brabant overzetten.
De kinderen moeten in Vossemeer gedoopt worden en de doden moeten in het dorp begraven worden. Hiervan kan de pastoor dispensatie verlenen. Wie zonder verlof tegen de bepaling ingaat, loopt een boete op van 5 pond en zal toch het normale kerkrecht moeten betalen.
Herberg mag alleen in de beide dorpen gehouden worden en bij de beide veren. ’s Zondags of op heilige dagen mag onder de predikatie niet getapt worden. Het sluitingsuur viel in de zomer om negen, in de winter om zeven uur. Daar drank door middel van de daarop geheven accijns de belangrijkste post van inkomsten was voor de gemeente, bevat de keur uitgebreide bepalingen over de heffing en inning van deze belasting.
Het spreekt vanzelf, dat in een polderland aandacht moest worden geschonken aan het maken en onderhouden van de kunstwerken en de waterstaat. De keur bevat over deze stof veel bepalingen, waarvan de details hier niet belangrijk zijn. Enkele ervan zijn wel een memorie waard. Het was verboden bij de sluis of in de sluisvlieten met netten en kuilen te vissen. Varkens, de eeuwige wroeters, mochten niet op de zeedijk lopen. In de uitergorzen mocht niemand kreken of geulen graven.
Op de laatste dag van april moest elke eigenaar of pachter van land de kraaien- en eksternesten uitsteken en de beesten verhinderen opnieuw te nestelen. Mest, gemaakt binnen het land van Vossemeer, mocht niet uitgevoerd worden; uitgezonderd was de afval van de schapen, die buitendijks grazen.
De keur eindigt met enige algemene bepalingen. Niemand van de heren, van de onderdanen of iemand anders mag nieuwe opvattingen huldigen of regels uitdenken of trachten in te voeren, die tegen de keur ingaan. Veel concrete voorschriften zijn gegeven; mochten de schepenen desondanks op zaken stoten, die niet helder of expliciet in de keur omschreven zijn, en waarover de heren geen uitspraak hebben gedaan, dan zullen zij zich in deze zaken richten naar de keur van Zeeland. En wat niet in de keur van Zeeland staat, dat zullen zij beslissen naar hun beste wetenschap. Krachtens hun uitgiftebrief behouden de heren zich het recht voor, deze keur te “meerderen of minderen”, d.w.z. de bepalingen te verzwaren of te verzachten.
27. RECHTSPRAAK
Krachtens de eerste uitgiftebrief van 1410 waren de heren van Vossemeer verplicht een schepenbank in te stellen in hun land.
1 De schepenen spraken in naam van de heren recht over alle zaken, met uitzondering van enige aan de graaf voorbehouden gevallen, zoals doodslag binnen vrede en zoen,
2 moord, veeroof en verkrachting. De ambachtsheerlijkheid had hoge, middelbare en lage jurisdictie. Het blijkt niet expliciet uit de stukken, dat direct of kort na de stichting van de heerlijkheid de schepenbank is begonnen te functioneren. In een oorkonde van 1433 worden de schepenen van Vossemeer voor het eerst genoemd;
3 toen bestond in elk geval een schepenbank.
Tegen het einde van de 15e eeuw werden nog schepenen uit de stad Tholen aangesteld. In 1492 kwamen er twee uit de stad; het volgend jaar zouden er drie uit Tholen komen en vier uit Vossemeer.
4 Het jaar daarna zijn zeven schepenen benoemd,
6 het normale aantal van een schepenbank. Dat in deze periode schepenen uit Tholen zijn aangesteld, wijst geenszins op enige bestuurlijke relatie met de stad. Voor het uitoefenen van het ambt van schepen was enige wetskennis wel vereist. Waarschijnlijk leverde Vossemeer in deze tijd zelf nog niet genoeg onderlegde mannen op.
Het zwaard, symbool van de rechtsmacht en het halsrecht, nog aanwezig in het ambachtsherenhuis. Foto 1968.
De verhouding tussen de schepenen en de heren was zeer gecompliceerd. Zij spraken recht in naam van de heren; in eigentijdse termen heet dit, dat hun vonnissen “voor de heren gewezen” werden.
7 Zuiver juridisch beschouwd, konden de schepenen aan de heren zelfs opdrachten geven; dit viel bijvoorbeeld in 1499 voor, toen de heren op een “klacht” van de schepenen een nadere uitleg gaven over enige punten van de keur. Strikt genomen,
hadden de heren geen directe bemoeienis met de rechtspraak. Dat zij af en toe de schepenbank opdroegen of gelastten, recht te spreken volgens de keur van Vossemeer of die van Zeeland,
9 mag men nog beschouwen als een algemene
supervisie over de rechtspraak zelf; daarin behoeft men nog geen inmenging in een bepaalde zaak te worden gezien. Toch zijn er gevallen bekend, dat de heren een vonnis hebben uitgesproken, waardoor de schijn wordt gewekt, dat zij zich de bevoegdheid hadden voorbehouden, een vonnis te verzwaren of te verlichten. Of en in hoeverre zij hier de schepenbank gepasseerd hebben, is moeilijk te zeggen. Misschien waren het netelige gevallen, die de schepenen maar al te graag aan de heren overlieten. In 1495 spraken de heren een vonnis uit tegen Cornelis Lemsen.
10 Zijn misdrijf is niet bekend; gezien de zware straf moet het wel ernstig geweest zijn. Cornelis moest publiek vergiffenis vragen. ’s Zondags na Sacramentsdag zou hij in de processie lopen, gekleed in een linnen gewaad, met een kaars en in de linkerhand een “bandereel”, vermoedelijk een banderolle met opschrift. Aan de kerk zou hij een
offer van 8 schellingen geven. In 1497 deden de heren uitspraak in het geschil tussen Jan Willems Suete en Gillis Claesse;
11 misschien kan hieruit blijken, dat zij niet alleen in strafrechtelijke doch ook in civiele zaken recht spraken. Het geval is echter niet duidelijk, daar Jan Willems Suete heer van Vossemeer was.
In 1515 verleenden zij remissie (vermindering van straf) aan Jan Cornelis Poppe voor zijn zoon Pieter Janszoon en aan Werninck Claeszoon, die de zoon van Claes Symons doodgeslagen hadden.
12 De heren brachten de boete terug tot 12 philippus guldens, in twee jaren te betalen. Het doet enigszins vreemd aan, dat in een tijd van vrij primitieve rechtspraak, toen dikwijls zware en zeer wrede straffen werden opgelegd, een doodslag met een geldboete werd afgedaan. Lem Lem Both had in 1530 met de baljuw getwist. De heren legden hem als straf op, een raam aan de kerk van Vossemeer te schenken. In het raam moest in het kort de reden en aanleiding van de twist vermeld worden.
13
Eén voorschrift van de keur heeft nogal eens moeilijkheden opgeleverd tussen de heren en de schepenbank, namelijk dat van de “hooveerdigen wille” (hovaardige wil of opzet). Hovaardige wil was bijvoorbeeld: het beledigen van de
heren; het bespotten van de schepenbank; het helpen vluchten van een verdachte; het verduisteren van goederen onder beslag. Sommige punten waren in de keur als zodanig aangewezen. Voor “hooveerdigen wille” was de
hoogste boete van 40 pond bepaald. Over het algemeen zijn de schepenen zeer voorzichtig geweest met het doen van een uitspraak op dit punt. De heren integendeel beschouwden een vergrijp gemakkelijker als een aantasting van hun primair heerlijkheidsrecht. In 1537 had Adriaen Claeszoon zich “zeer lelijk” gedragen door de baljuw in de gespannen vierschaar tegen te spreken;
14 hem werd een boete opgelegd. In hun vergadering van dat jaar verlangden de heren echter, dat de schepenen een vonnis van “hooveerdigen wille” zouden geven.
15 Aanvankelijk weigerden de schepenen, doch toen droegen de heren hun op “binnen den dag zonnenschijns” naar hun beste weten en geweten uitspraak te doen. Nu gaven zij wel het verlangde vonnis doch legden een boete van slechts 5 pond op.
Datzelfde artikel, naar alle kanten rekbaar, hanteerden de heren van Vossemeer in hun geschil met Heyndrik Anthonis, die wederrechtelijk een dam op de Plaat had gelegd.
16 Ofschoon zijn ongelijk apert was, verzette hij zich nog tegen de heren; dit beschouwden zij als “hooveerdigen wille”. Onmiskenbaar hebben de heren hier vanuit een alleszins begrijpelijke geprikkeldheid gereageerd. Een vrij lange tijd later verklaarden de heren, dat ook als “hooveerdigen wille” beschouwd zou worden, als iemand zichzelf of goederen aan een gerechtelijk beslag onttrok; dit werd bestraft met een geldboete van 40 pond, in 1675 verhoogd tot 50 pond.
17 Daarna spreken de archieven er niet meer over; waarschijnlijk hebben de heren en de schepenbank dit artikel niet meer gehanteerd.
De baljuw Claes Crompvliet liet de schepenbank ’s morgens om 8 uur beginnen, opdat de schepenen, die ook landlieden waren, nog hun werk op het land konden doen.
18 De officier en de schepenen mochten geen vierschaar of zaak spannen tegen de heren.
19 Van lieverlede traden de schepenen ook voor de gemeente op; in 1539 geschiedde dit voor de eerste maal in duidelijke bewoordingen
20, al is het zeker dat de schepenen al langer een deel van het eigenlijke bestuur der gemeente in handen hadden. In 1582 vaardigden zij zelfstandig een ordonnantie uit.
21
Van de heren was het voorschrift afkomstig, dat er in de gespannen vierschaar geen drank mocht worden geschonken.
22 Hendrik de Zwaardveger van Tholen leverde in 1594 een doornen roede, die hij aan het rechtshuis van Vossemeer schonk als versiering en rechtssymbool.
23 In 1609 droegen de heren aan de dijkgraaf en de gezworenen van Nieuw Vossemeer de jurisdictie op over de dijkmeesters, arbeiders en zoetelaars, die bij de herdijking betrokken waren.
24 Dit was bij vrijwel alle bedijkingen gebruikelijk. Er kwam veel vreemd volk; het was dus wel zaak de orde en het recht te handhaven. Dit kon het beste geschieden door de functionarissen, die altijd ter plaatse waren en de macht hadden terstond op te treden, als zich iets voordeed.
Vanaf 1619 werd op voorschrift van de heren elke dinsdag rechtsdag gehouden.