EERSTE HOOFDSTUK
I DE AMBACHTSHEERLIJKHEID
I. HEERLIJKHEID VOSSEMEER
“Willem, bider genaden Goids palensgrave upten Rijn, hertoge in
Beijeren, greve van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant,
ende heer van Vrieslant, doen cond allen luden, dat wij wtgeven
ende vercoft hebben, wtgeven ende vercopen mids desen
brieve onsen lieven ende getruwen rade ende vrienden: heren
Philips van den Dorp; heren Jan die bastairt van Bloys,
heer van Treslongen; ridder Guij den bastairt van Bloys;
Helmich van Doernik, Pieter van Botland ende Loureijs
Damais zoen, te bediken tot enen corenlande tot horen
oirbair ende wille, alle alsulke gorze, schorre, sliclant,
aenworp mit horen toebehoren, als leggen benoirden
der Tholen...............”
Met deze woorden begint de oorkonde van hertog Willem van Beieren,
graaf van Holland, waarin hij op 3 november 1410 het eerste deel van de heerlijkheid Vossemeer ter bedijking uitgaf.
1 De begrenzing van het grondgebied, in deze brief uitgegeven, werd als volgt aangeduid: van de Noortkeeten
2 van Tholen, die op de dijk van de Dalemse polder staat; vandaar in een rechte lijn naar Hazershil;
3 vandaar naar de Kerkamer ;
4 recht door de Vosvliet
5 en zo naar het nieuwland van de Broekpolder. Met uitzondering van het gebied tussen de Eendracht en Hazershil, valt de eerste uitgifte van Vossemeer geheel samen met de Oud Vossemeerse Polder. Men dient zich van meet af aan duidelijk te realiseren, dat de heren van Vossemeer het gebied van hun heerlijkheid niet ineens, doch in verschillende etappes verkregen hebben. Dat men de uitgiften van 1410, 1415 en 1433 niet voldoende uit elkaar hield, heeft tot veel misverstanden aanleiding gegeven
Van de eerste heren van Vossemeer is slechts weinig bekend. Philips van
Dorp, geboren uit een geslacht van Delfland, dat te Schipluiden zijn kasteel had,
was in het jaar 1407 thesaurier van Holland. In Gorcum stond hij aan het hoofd
van een bezetting van 500 man. Hij was gehuwd met Beatrix, een natuurlijke dochter van hertog Willem van Beieren.
Jan en Guij van Bloys waren bastaarden van Jan van Bloys, pandheer van
Tholen, verwekt bij Sophia van Dalem uit het huis van Arkel. Jan ontving van zijn
vader aanzienlijke bezittingen, waaronder de heerlijkheid Treslong in Henegouwen.
Aanvankelijk opgeleid tot geestelijke, trad hij in de orde der Karmelieten. Na de
dood van zijn vader begaf hij zich naar Rome, om er dispensatie van zijn geloften
te verkrijgen. In 1376 keerde hij tot de wereldlijke staat terug en huwde hij. Uit hem is het bekende geslacht Bloys van Treslong voortgekomen.
Zijn broer Guij, bijgenaamd de Grote Bastaard van Bloys, werd in 1398
aangesteld tot baljuw van Tholen. Later was hij tevens rentmeester van de domeinen op het eiland. Hij bezat uitgestrekte goederen onder Poortvliet. Hij was
gehuwd met de vrome Maria van Botland, die tot een van de voornaamste families
van Tholen behoorde. Vermoedelijk was zij een tante van Pieter van Botland, een
andere heer van Vossemeer. Guij was tevens heer van Haaften, naar welke heerlijkheid zijn nazaten zich ook wel Bloys van Haaften noemen. Hij stierf in 1421; zijn vrouw in 1435. Beide zijn in de kerk van Tholen begraven, waar hun graftombe nog aanwezig is.
5a Helmich van Doornik, vermoedelijk stammend uit het bekende Gelderse geslacht, ontving van hertog Willem een uitgors, Nataers geheten. In die brief wordt hij kamerling van de graaf van Holland genoemd. In 1424 werd hij verbannen en zijn z’n goederen verbeurd verklaard.
Pieter van Botland is met zijn broer Alsten van Botland in het jaar 1426
door Philips van Bourgondië verbannen, omdat hij de partij van Jacoba van Beieren
gekozen had. Hun goederen werden verbeurd verklaard. Toch treedt een Pieter van
Botland in 1433 als heer van Vossemeer op. In 1458 is Jan van Botland Pieters zoon
heer van Vossemeer. Hierdoor is wel aan te nemen, dat de verbeurdverklaring kort
na 1426 ongedaan is gemaakt. De familie is genoemd naar de heerlijkheid Botland
onder Duiveland. Pieter van Botland was de zoon van Jacob van Botland en Maria
Suis. Hij huwde met Sapientia van Viersele; daarna met Dierik van Thuijl. Als zijn
zonen zijn Arnold en Joost bekend. Deze komen niet als heren van Vossemeer voor,
zodat wellicht aangenomen mag worden, dat het aandeel van Pieter in een zijtak
terecht is gekomen.
Van Laureys Damais zoon is niets naders bekend. De zes personen, die het land ontvingen, hadden er 2000 gouden Gelderse guldens voor betaald. Als het land bedijkt was, zouden zij het als een ambachtsheerlijkheid bezitten; voor de leenkamer zou het als een onsterfelijk leen verheven worden tegen de jura van een paar witte handschoenen, wat blijkens een latere valuatie gelijkstond met de som van drie stuivers.
6 De ambachtsheerlijkheid hield het genot in van bepaalde heerlijke rechten: tienden, vogelarij, visserij, wind, brand, accijns, veer en kerkrecht. De bedijkers waren verplicht een baljuw, schout en dijkgraaf, schepenen en andere officieren aan te stellen; keuren en geboden uit te vaardigen; de rechtspraak uit te oefenen, zowel de lage als de hoge jurisdictie, met uitzondering
van enige door de graaf van Holland voorbehouden zaken, zoals doodslag binnen vrede en zoen, moord, veeroof en verkrachting. De bewoners van het nieuwe land genoten vrijheid van alle grafelijke tollen. Na het eerste koren zouden zij zeven jaren vrij zijn van alle beden en schoten, doch daartegenover het derde deel betalen van wat de andere polders in Zeeland voor de grafelijkheid op te brengen hadden. Blijkens de volgende uitgifte van 1415 is het eerste deel van de heerlijkheid kort na de oorkonde van 1410 ingepolderd en werd het bestuur er geregeld zoals in de brief was voorgeschreven.
EERSTE UITGIFTE VAN HET JAAR 1410
Willem, door de genade van God paltsgraaf op de Rijn, hertog van Beieren, graaf van Henegouwen, van Holland en Zeeland, en heer van Friesland, doen aan alle lieden kond, dat wij door deze brief uitgeven en verkopen aan onze
lieve, trouwe raden en vrienden: heer Philips van den Dorp; heer Jan de bastaard van Bloys; heer van Treslonge; ridder Guy de bastaard van Bloys; Helmich van Doernick; Pieter van Botlant en Loureys Damais zoon, om tot een korenland te bedijken tot hun nut alle gors, slikland, aanwas met toebehoren, dat ten noorden van Tholen ligt. De grens er van wordt als volgt vastgesteld: van de Noortketen die staan op de dijk van de Dalemse Polder naar Hasershille; vandaar op de Kerkamer lijnrecht door Vosvliet tot aan het nieuwe land van den Broek.
Willem IV. hertog van Beieren, graaf van Holland en Zeeland, 1404-1417
Fantasieportret uit: Vossuerus Principes Hollandiae et Zelandiae, enz. (1578). Naar
een gravure van Zelandia Illustrata in het Zeeuws Museum.
Zij en allen, die met hen dit land op hun kosten zullen bedijken of het later van hen door koop of gunst verkrijgen, ongeacht of dit veel of weinig is – ook hun nakomelingen - zullen hebben en gebruiken: de heerlijkheid, het ambacht, de ambachtsgevolgen en alle ambachtsrecht met de tienden, vogelarij, visserij,wind, brand, accijns, veren, kerkgift en alle andere normaal profijt en nut, dat daarmede verbonden is, met de middeldijken, die nu zeedijken zijn, en met de heerlijkheid van de dijk van den Broek met toebehoren vanaf de heerlijkheid van Vossemeer tot aan den Cattenweel toe. Zij zullen daar een baljuw, een schout, een dijkgraaf, schepenen en andere officieren aanstellen; keuren en geboden uitvaardigen en rechten bepalen, die door de heren of het merendeel van hen moeten worden vastgesteld, om het land van de heerlijkheid en de mensen, die daarin wonen, daarmede te besturen en te berechten in alle zaken, die er voorvallen.
Zij mogen die rechten minderen of meerderen al naar hun goed dunkt, zonder dat zij zich door ons of door iemand van onzentwege iets behoeven te laten voorschrijven. Diefstallen, doodslagen en de zaken, waarover niets bepaald is, mogen zij berechten; uitgezonderd zijn de aan ons voorbehouden zaken, zoals doodslag binnen vrede en zoen, moord, veeroof en vrouwenverkrachting. De zeevonderij, die er voorvalt, zal de door hen aangestelde baljuw met het plaatselijk gerecht wel mogen uitoefenen, doch hij zal hiervan rekening en bewijs moeten afleggen aan onze rentmeester van Tholen.
Bovendien verlenen wij door deze brief aan de ambachtsheren en aan allen, die hierna in dit nieuwland zullen wonen, het recht om met hun schepen en goederen tolvrij te varen op al onze tollen, die wij nu hebben of in de toekomst krijgen. Daartoe zullen zij op onze tollen een verklaring meebrengen en tonen, die door de baljuw van het land afgegeven en gezegeld is en elk jaar op Nieuwjaarsdag vernieuwd moet worden.
Onze goede lieden van Tholen en die onder de ban van Tholen wonen, mogen in Vossemeer laten malen; omgekeerd mogen die van Vossemeer ten eeuwigen dage in het land van Tholen laten malen zonder daarin iets tegen ons te misdoen.
Dit nieuwe land zal vrij zijn van alle bede, schot, heervaart en diensten, die vallen op ons land van Zeeland, gedurende zeven jaren nadat het ‘t eerste koren gedragen heeft. Daarna zullen wij en onze nakomelingen daaruit het derde deel aan schot, bede en heervaart hebben van hetgeen de andere polders in Tholen geven, wanneer die door het gehele land van Zeeland gegeven worden. Dit betekent: als wij van elk gemet uit de polders van Tholen drie groten krijgen, zullen wij van elk gemet land uit dit nieuwland één grote hebben, en zo voorts over de totale oppervlakte gelijk het gebruikelijk is, met dien verstande dat dit ingaat nadat het land bereden is en niet eerder.
Verder verlenen wij de ambachtsheren met deze brief, dat ingeval zij of een van hen hierna tegen ons in overtreding komen en wij of iemand van onzentwege hen volgens het recht van ons land in lijf en goed mochten aanspreken, zij hun ambachtsheerschap met het bezit en de goederen aan ons en onze heerlijkland mogen inlossen met twintig ponden tournoois, te weten twintig groten voor een pond gerekend, zoals wij in ons land zullen doen slaan. Die boete zal de baljuw van het land innen en afleveren aan onze rentmeester van Tholen. Op deze voorwaarden zullen zij hun goederen binnen het land gebruiken volgens hun vrije wil, daarin rustig en vredig wonen, daarvan naar lijf en goed de vruchten en profijten genieten zonder door ons of door iemand van onzentwege daarin gehinderd of gemoeid te worden.
Tenslotte erkennen wij, dat wij voor de koop van het land en de heerlijkheid onder de genoemde voorwaarden door onze trouwe raden
en vrienden geheel en al betaald zijn, de laatste penning met de eerste. Wij erkennen, dat onze trouwe tressorier heer Philips van den Dorpe in onze naam daarvoor ontvangen en met ons verrekend heeft twee duizend gouden Gelderse guldens, zodat wij voor ons en onze nakomelingen onze trouwe raden en vrienden ten eeuwigen dage kwijting geven. En als dit land bedijkt is, zullen wij onze trouwe raden en vrienden en allen, die hen bij de bedijking helpen of die mede bekostigen, en hun erfgenamen, naargelang en voor zover zij daarin deelgenomen hebben, zo spoedig wij door hen hierom gevraagd worden, de genoemde heerlijkheid en het ambacht verlenen, om deze van ons en onze opvolgers te houden als een onversterfelijk leen. Dit sterft in de rechte lijn niet uit en wordt, als het rechtens overgaat, verheergewaad met een paar witte handschoenen. Hiervan zullen wij aan elk van hen een bezegelde brief geven. Dit land en erf, in de genoemde heerlijkheid gelegen, zal vrij eigen goed zijn. Zij mogen het gebruiken volgens
hun vrije wil en daarmede doen gelijk met hun andere goederen.
Om deze koop en alle punten en voorwaarden, daarin begrepen, vast en onverbrekelijk te doen houden door ons en onze nakomelingen voor onze raden en vrienden en allen, die dit land zullen helpen bedijken en bekostigen, of die het van hen verkrijgen zullen zoals omschreven staat, hebben wij, zonder argelist en met uitsluiting van de mogelijkheid tot afwijkende spitsvondigheden, tot getuigenis hiervan zes gelijkluidende brieven doen maken, met ons zegel bekrachtigd, waarvan elk van hun zessen een exemplaar zal hebben voor zichzelf en zijn deelgenoten.
Gegeven in Den Haag op de derde dag van November in het jaar Ons
Heren duizend vierhonderd en tien.
Wat is een ambachtsheerlijkheid? In 1795 publiceerden de ”Provisionele Representanten” van het volk van Zeeland enige plakkaten, waarbij zij de ambachtsheerlijkheden opdroegen aan te geven, waarop hun rechten en voordelen steunden. Deze feodale instellingen hadden zij gaarne met één pennestreek opgeruimd, doch terecht vreesden zij een storm van protest. Nu vroegen zij eerst uitvoerige exposés van de heerlijkheden zelf, teneinde nauwkeurig te toetsen, op welke punten deze in strijd waren met de “Rechten van de Mens”. Dat dit zo was, stond immers al vast!
De heerlijkheden in Zeeland (101 in getal!) droegen Johan Canter de Munck uit Serooskerke op, een betoog ter verdediging van hun bestaansrecht op te stellen. Dit uitvoerig verweer, een heel boekwerk geworden, is in 1795 in Middelburg in druk verschenen.
7 Het behandelt het ontstaan en het wezen van de ambachtsheerlijkheid zo uitvoerig als een betoog van die tijd maar kan zijn.
Ambacht betekent de uitoefening van het gezag door een ondergeschikte leennemer voor en namens zijn leenheer. Het woord op zichzelf duidt de jurisdictie aan, de rechtsmacht, het ambt of het officie; in overdrachtelijke zin wordt het tevens gebruikt voor het grondgebied, waar dit gezag werd uitgeoefend. Een ambacht kon op verschillende manieren tot stand komen; een heer kon zijn eigendom aan de landsheer overdragen, om het van hem in leen terug te krijgen. De landsheer kon een ambacht schenken of verkopen. Een reeds bestaande ambachtsheerlijkheid kon haar jurisdictie en haar grondgebied vergroten door aanwassen of bedijkingen. Het wezen van de ambachtsheerlijkheid bestond in de eigendom van alle land in de heerlijkheid; hiervan waren alle andere
rechten afgeleid.
Titelblad van het verweer der Zeeuwse ambachtsheerlijkheden tegen de aantasting
van hun rechten, door Johan Canter de Munck, 1795
Vanzelfsprekend zijn de heerlijkheden om economische en andere redenen gedwongen geworden de landerijen geheel of voor het grootste deel aan anderen over te dragen of te verkopen. Soms reserveerden zij zich de blote eigendom van de grond door hem in cijns of erfpacht uit te geven.
Daartegenover hadden de ambachtsheren bepaalde plichten aan de landsheer. Zij moesten hem in persoon of door middel van een aantal mannen uit hun ambachtsheerlijkheid herendiensten leveren, bijvoorbeeld door mede ten strijde te trekken, als zij opgeroepen werden. Naast de eerste koopsom had de landsheer meestal nog een jaarlijkse cijns bedongen voor de heerlijkheid in haar geheel of voor de ingenomen gronden. Het sprak vanzelf, dat de ambachtsheerlijkheid, haar heren en haar inwoners, bewilligen moesten in de gewone en buitengewone beden, die de graaf aan zijn landen oplegde.
Er werd onderscheid gemaakt tussen hoge en lage ambachtsheerlijkheden, naargelang zij hoge of lage jurisdictie kregen. De hoge jurisdictie omvatte de berechting van de zwaarste misdrijven, die gewoonlijk met de dood werden gestraft; wat daaronder lag, meestal uitlopend op lijfstraffen en boeten, behoorde tot de lage jurisdictie. Vossemeer was een hoge ambachtsheerlijkheid. De rechtspraak werd uitgeoefend door een door de ambachtsheren ingestelde schepenbank, aan welke niet alleen de berechting was toegewezen van misdrijven en overtredingen, doch die ook een werkzaam aandeel had in het zuiver administratieve bestuur van de gemeente, en bovendien alle soorten van akten passeerden. Deze uitgebreide bevoegdheden van de schepenbank onderscheidde men in criminele, civiele, administratieve en volontaire jurisdictie.
In hun gebied regelden de ambachtsheren het gehele administratieve en rechterlijke bestuur. Van ouds maakten zij een vereniging uit van edelen, die als zodanig ná de edelen in de Staten van Zeeland werden beschreven. Deze vertegenwoordiging is in 1571 teniet gedaan, vermoedelijk omdat er inmiddels al velen als ambachtsheer optraden, die niet tot de oude adel behoorden.
In die tijd en later ziet men trouwens veel regentenfamilies als ambachtsheren optreden.
Het ambacht van Vossemeer is door hertog Willem als een onversterfelijk of goed leen uitgegeven. Dit betekent, dat bij het overlijden van een leenman het leen in zijn geheel op de erfgenamen overging, zonder dat een van hen, bijvoorbeeld de oudste zoon, het exclusief verwierf.
Een kwaad of versterfelijk leen daarentegen viel aan de graaf terug, indien er geen zoon was als opvolger. Bij vererving van een onversterfelijk leen had het ”naaste bloed” voorrang, of onder gelijke conditie de
oudste in jaren; de man had altijd voorrang boven de vrouw.
Dit wordt uitgedrukt in het oude Zeeuwse gezegde:
De oudste op straat,
De naaste in graad,
Mans voor vrouwen,
Ziet men altijd een leen behouwen.
Eigenlijk kon een onversterfelijk leen niet worden gesplitst, doch dit voorschrift is in Vossemeer niet altijd onderhouden, misschien omdat de ambachtsheerlijkheid van de oorsprong af reeds uit zes aandelen bestond. Er zou ook gesteld kunnen worden, dat Vossemeer in werkelijkheid één leen is gebleven en dat slechts de aandelen daarin zijn gesplitst.
Op 9 februari 1415 volgde de tweede uitgifte.
8 Graaf Willem van Holland breidde de heerlijkheid
uit met een groot gebied. Om de getrouwe diensten, hem en zijn vader bewezen, gaf hij aan de heren: het water van Vosvliet naast
het land van de Broekpolder en de daarbij gelegen uitergorzen; vandaar naar Maarlo;
9 vandaar naar Greveningen;
10 vandaar naar Strijen;
11 vandaar naar de Vertrisen Vaart,
12 vandaar naar Hazershil langs de Eendracht tot de Noordkeet van Tholen toe, en zo terug langs de vrijheid van Vossemeer naar het eerste punt. Dit was een heel wat groter gebied dan dat van de eerste uitgifte. De koopsom is niet genoemd; in zijn brief verklaart de graaf, dat hij ontvangen heeft “in ons selfs handen soo veel dat het ons genoegt”. Waarschijnlijk is het zoveel geweest, dat de juiste som maar verzwegen werd. Het nieuwe gebied was minstens viermaal zo groot als het land van de eerste uitgifte. Met enige voorzichtigheid is de koopsom van de tweede uitgifte dan te schatten.
Later mogen de heren van Vossemeer met recht stellen, dat zij hun land niet cadeau gekregen hebben, maar dat zij het voor flinke sommen kochten.
In de namen van de heren zijn in de oorkonde van 1415 enige afwijkingen te vinden met die van 1410. Guij van Bloys komt in 1415 niet meer voor. Toch is het waarschijnlijk dat hij samen met Jan van Boys nog deelgenoot was. Tegen het midden van de 15e eeuw noemden getuigen het land van Vossemeer zelfs het land van de heren van Bloys,
13 waaruit blijkt, dat toentertijd meerdere personen uit het geslacht van Bloys deelgenoot waren, doch tevens, dat deze familie in de
ambachtsheerlijkheid al een bepaald overwicht had, wat trouwens ook aan andere details is te zien. De vraag mag zelfs gesteld worden, of de zes heren bij de uitgifte van. 1410 en 1415 wel geheel gelijkberechtigd waren, met andere woorden: of zij wel gelijke sommen voor de aankoop van de heerlijkheid beschikbaar hebben gesteld.
Het geval is niet ondenkbaar, dat de heren van Bloys meer dan twee aandelen bezaten en dat andere heren samen één aandeel hadden. Dit zou ook beter verklaren, dat er reeds in 1415 andere namen voorkomen.
Philips van Dorp en Laureys Damaiszoon worden in 1415 niet meer genoemd. Nieuwe namen zijn: Gerart van Zeijl, Jan Heerman en Laureijs van Overvest. Gerard van Zeijl behoorde tot de Hollandse adel, was ridder, raad en kamerling van Phlips van Bourgondië, en huwde met Aleid Eggertsz, zuster van de heer van Purmerend. Hij overleed op 11 maart 1453.
Jan Heerman was raadsman geweest van hertog Willem van Beieren. Laureys van
Overvest, eveneens raadsman van hertog Willem, is pachter geweest van de tol van Yersekeroord. Opvallend is wel, dat in beide akten telkens zes personen zijn genoemd. Wat hiervan de opzet of de bedoeling was, is niet meer te achterhalen; misschien vond de graaf een getal van zes het maximum voor het gezamenlijk bezit van een heerlijkheid. In 1492
14 en 1505
15, toen de aandelen van Vossemeer reeds in meer dan zes parten versnipperd waren, werd het goede slot van de jaarrekening toch nog berekend en uitgekeerd naar de oorspronkelijke zes delen.
Het nieuwe land, dat na de uitgifte van 1415 ter bedijking was uitgegeven, mochten de heren van Vossemeer bij hun heerlijkheid voegen. De eerste uitgifte had dus wel degelijk vrucht gedragen.
Uit de omschrijving van de nieuwe grens blijkt afdoende, dat de Oud Vossemeerse Polder inmiddels was bedijkt. Dit gebied werd al als een ambacht beheerd en het droeg de naam van ”vrijheid van Vossemare”.
Deze naam is afgeleid van de Vosvliet, die zich na de eerste bedijking vrijwel geheel rond de Oud Vossemeerse Polder slingerde. Mare heette een water of gors op de grens tussen Vossemeer en het land van Steenbergen.
16 De naam van Vossemeer is waarschijnlijk uit de twee toponiemen gevormd. De volksetymologie heeft de samenstelling van het woord begrepen als een vos, die een “mare” (dat men als een soort worst opvat, of als een maretak) in de bek hield. Afbeeldingen van deze strekking ziet men wel eens op het wapen van Vossemeer. Van die naam maakte een vreemdeling ”Vosmore” of “Foxoirt”, zoals blijkt uit getuigenverklaringen van 1429 en 1467.
17
In dit nieuwe land mocht ”gemoerd” worden, d.w.z. turf gestoken of daring gedolven voor de zoutbereiding. Over het algemeen trachtte de landsregering
dit tegen te gaan, daar het in waterstaatkundig opzicht riskant was al te diep en te uitgestrekt te moeren. Misschien moest het in Vossemeer worden toegelaten, omdat anders voor een inpoldering geen gegadigden te vinden waren.
TWEEDE UITGIFTE VAN HET JAAR 1415
Willem, door de genade van God paltsgraaf op de Rijn, hertog van Beieren, graaf van Henegouwen, van Holland, van Zeeland, en heer van Friesland, maken aan alle lieden bekend, dat onze trouwe raden en vrienden, zoals heer Jan de bastaard van Bloys; heer Gerrit van den Zeyl; Helmich van Doornick; Pieter van Botlant; Jan Heerman en Louwerijs van Overvest aan onze lieve heer en vader zaliger gedachtenis en ook aan ons menigmaal vele trouwe diensten bewezen hebben en als God wil nog zullen doen. Hun land van Vossemeer, dat zij met hun gezellen van ons gekocht hadden, hebben zij tot een korenland bedijkt. Om dat te beveiligen en des te zekerder ten eeuwigen dage te doen instandhouden, verkopen wij hen en allen, die met hen in het land van Vossemeer in de heerlijkheid delen en daarin geambacht zijn, middels deze brief een ander stuk land, te weten:
Alle schorren, slikland en aanwassen, met alle heerlijkheidsrecht en toebehoren, die gelegen zijn binnen de hierna beschreven grenzen, te weten: het water van Vosvliet naast het land van den Broek, en de daaraan gelegen uitergorzen; vandaar naar Marlo; van Marlo naar Greveninge; van Greveninge naar Greven; van Greven naar Strien; van Strien langs de vliet tot aan de Couveringse Vaert; vandaar naar de Vertrisen Vaert en vandaar voor Hasershille langs het diep van Heendrecht tot aan de Noortketen van Tholen toe en zo verder langs de vrijheid van Vossemeer.
Die gorzen, schorren, sliklanden en aanwassen zullen onze trouwe raden en vrienden en allen, die met hen in het land van Vossemeer geambacht zijn, gemeenschappelijk hebben en gebruiken, eenieder overeenkomstig zijn aandeel daarin en volgens het beloop, waarin hij nu ter tijd geambacht is. Zij zullen dit land volgens hun vrije wil en tot hun eigen profijt mogen gebruiken met de heerlijke rechten, tienden, visserij, moeren, brand en wat tot het recht van moerdijken behoort, en met alle ander nut en profijt, die daartoe behoren en die zij van ons in leen houden met de heerlijkheid en het ambacht van Vossemeer overeenkomstig alle rechten en lenen, volgens welke die van Vossemeer deze heerlijkheid en ambacht van ons hebben, overigens in alle manieren als hun brieven en handvesten bevatten, die zij voor het land van Vossemeer reeds van ons hebben.
Wel is verstaan, dat zij en hun nakomelingen ten allen tijde, als hun dit goed dunkt, mogen uitgeven of tot hun eigen nut mogen gebruiken alle moeren of een deel daarvan, die binnen de genoemde grenzen liggen. Zij mogen die tot moerdijken bedijken en uitmoeren, of zonder moerdijken met overdrachten of op een andere wijze doen uitmoeren met het recht van brand en alles wat tot het moerdijkse recht behoort, zonder hierin door ons of onze opvolgers of iemand van onzentwege in enigerlei wijze gehinderd te worden.
Indien zij of hun nakomelingen te eniger tijd binnen de genoemde grenzen korenland bedijken of ter dijkage uitgeven, dan zullen zij de daarin gelegen landerijen hebben, houden en gebruiken als hun andere vrije en eigen goederen, met alle rechten en vrijheden, die genoemd en begrepen zijn in de handvesten en brieven, die zij over het land van Vossemeer reeds door ons bezegeld hebben.
Hiervoor hebben wij in onze handen zoveel ontvangen, dat het ons genoegt, voor welke koop wij hen bij deze kwijting geven. En alle bewijs dat wij al deze punten en elk in het bijzonder door middel van deze brief beloven te onderhouden door ons en onze nakomelingen ten opzichte van onze trouwe raden en vrienden en hun deelgenoten, die met hen in het land van Vossemeer geambacht zijn, en al hun nakomelingen, onverbrekelijk en ten eeuwigen dage, hebben wij deze brief open doen bezegelen met ons zegel er aan gehangen. Van deze brief zijn zes woordelijk gelijkluidende gemaakt, waarvan elk zesdedeel een exemplaar krijgt, daar het land van Vossemeer door hen voor het eerst bedijkt werd.
Gegeven in Den Haag op de negende dag van februari in het jaar Ons Heren duizend vierhonderd en veertien, volgens de jaarstijl van ons hof.
OORKONDE VAN HET JAAR 1433
Gillis van Wissenkercke, regent van het land van Vossemeer, doe kond aan alle lieden, dat ik uit naam van de heren van Vossemeer heb uitgegeven om tot een korenland te bedijken de gorzen van Oud Vossemeer, zo groot of zo klein als het hun believen zal, die dit land op hun kosten zullen bedijken. Hiervoor worden de volgende voorwaarden vastgesteld:
Het land zal men aannemen en beginnen te dijken met half maart eerstkomend. Verder wordt nadrukkelijk bepaald, dat alle erven, die men als God wil binnen dit land bedijken zal, voor eeuwig onder het gerecht van Vossemeer blijven, ongeacht of zij later in handen komen van geestelijke of wereldlijke heren, al dan niet geprivilegieerd. Alle dijken, watergangen, sluizen, wegen en alle andere
gemeenschappelijke werken, die in het land volgens de keur gemaakt zullen worden, en tevens alle breuken, misdrijven en andere zaken, die in dit land geschieden of mochten voorvallen, hoe die ook genoemd worden, zullen altoos staan onder het gezag van de regent van Vossemeer, van zijn dijkgraaf of schout, en van de schepenen en gezworenen van het land van Vossemeer. Dit is overeenkomstig de handvesten, die de heren van Vossemeer van de grafelijkheid van Holland en Zeeland gekregen hebben om uit te voeren.
Mocht het gebeuren, dat iemand van hen, die dit land ter bedijking aannemen, nu of later een van deze voorwaarden op enigerlei wijze schendt of zich beroept op een voorrecht of een andere zaak om tegen deze bepalingen te handelen, dan zal zulke handeling van geen enkele waarde zijn. Zo dikwijls hij de overdracht overtreedt, verbeurt hij tien ponden tournoois aan de heerlijkheid.
Verder wordt bepaald, dat de heren van Vossemeer voor zich en hun nakomelingen ten eeuwigen dage het vierde gemet vrij en vroon zullen hebben van al het land, dat nu bedijkt zal worden. De andere drie delen van het land, dat men als God wil bedijken zal, moeten altijd de kosten en lasten dragen en blijven dragen, die op dit land zullen vallen. Deze kosten en lasten zullen gemetsgewijze omgeslagen worden onder de voorwaarde, dat de vronen gelijk als de andere erven in het land van Vossemeer tienden moeten betalen, en dat de landerijen onder het schot vallen, als het land bereden is, dit alles overeenkomstig de handvesten.
Een andere voorwaarde is, dat de heren van Vossemeer en hun nakomelingen voor altijd in het bezit blijven van alle binnen- en buitendijken, vogelarij, visserij, malerij en alle heerlijke rechten, die de heren rechtens bezitten uit kracht van hun handvesten. Verder zullen de heren ten eeuwigen dage hun tiendrecht behouden, dit is het tiende lam en de elfde schoof, voorts de elfde maat van het zaad, dat met Gods hulp in het land van Vossemeer zal groeien.
In het land van Vossemeer zal geen daring gedolven mogen worden, zelfs niet in het klein of in omheinde percelen; dit dient zonder argelist onderhouden te worden.
Allen, die dit land op hun kosten bedijken, en allen die in dit land zullen wonen en hun nakomelingen zullen altijd de privilegies en vrijheden genieten, die hun toekomen als onderzaten onder de handvesten, vrijheden en privilegies; die de grafelijkheid aan de heren van Vossemeer en de inwoners van Vossemeer gegeven heeft, zoals die hierna woordelijk zijn opgenomen:
(Hier geeft Gillis van Wissenkerke de gehele tekst van de uitgiftebrief
van 1410, waarna hij vervolgt:)
Verder wordt nadrukkelijk bepaald, dat alle erven, die in Vossemeer bedijkt zullen worden, nooit vrijer zijn of zullen zijn dan zij nu bedijkt worden ongeacht in wiens handen zij komen. De schepenen en gezworenen moeten lieden uit het land van Vossemeer zijn. Zij zullen door de regent van Vossemeer of zijn dijkgraaf of schout worden aangesteld in naam van hen, die het land bedijken of bekostigen.
Afbeelding van een zoutnering of het daring-delven. Naar een gravure uit de collectie Zelandia Illustrata van het Zeeuws Museum te Middelburg.
Als het land, dat men met Gods wil bedijken zal, weer door een overstroming verloren gaat - wat God verhoede! - dan mogen zij, die het land ter bedijking aangenomen hebben, of hun nakomelingen het overstroomde land weer aannemen binnen veertien dagen nadat het ingevloeid is, en alsdan weer bedijken zonder argelist. Doen zij dit niet, dan mogen de heren van Vossemeer na afloop van die veertien dagen het overstroomde land tot zich nemen en daarmede doen wat hun goed dunkt.
Ik Pieter van Botlant, nu ter tijd regent van het land van Vossemeer, heb ter nadere verklaring van dit handvest er in toegestemd, dat men van elk gemet tienden van de mede per jaar twee Engelse nobels fijn goud zal geven, elke nobel vijf halve Engelse wegend, of een andere gelijkwaardige munt.
Nu alle zaken aldus besproken en geregeld zijn, heb ik Pieter van Botlant tot getuigenis deze brief met mijn zegel bezegeld. En ik Gillis van Wissenkerke heb mijn zegel niet bij de hand en heb de eerbare Hendrick Olaertsen gevraagd, deze brief voor mij te zegelen. En ik Hendrick Olaertsen heb deze brief bezegeld op verzoek van de voornoemde Gillis. En wij, Pieter en Gillis, hebben tot meerdere zekerheid deze brief vanwege de heren doen zegelen met het zegel van het land van Vossemeer. Tevens hebben wij de schepenen van Vossemeer gevraagd, dat zij deze brief en dit handvest ook bezegelen zouden. En wij, Clais Symons zoon, Henrick Janssen, Clays Willems zoon, Jan Danckaerts zoon en Jan Huygense, nu ter tijd schepenen in Vossemeer, hebben deze brief mede bezegeld. Tot getuigenis van de waarheid gedaan in het jaar duizend vierhonderd en drieëndertig, op de zestiende
dag in juli.
Onbekend is het juiste tijdstip, waarop in Vossemeer een kerk is gesticht. In het archief bevindt zich wel de minuut van een (eerste?) overeenkomst tussen het kapittel van Tholen en de heren van Vossemeer inzake de aanstelling van een pastoor, de regeling van diens inkomsten en de rechten van het kapittel. De kerk van Vossemeer was een hulpkerk van Tholen; als pastoor fungeerde er een priester van het kapittel. De minuut is niet gedagtekend.
18 Bij de ordening van het archief is zij op ca. 1430 gesteld, voornamelijk omdat uit 1431 andere stukken van het kapittel bekend zijn,
19 die waarschijnlijk verband houden met de overeenkomst tussen het kapittel en de heren over de kerk van Vossemeer. De kerk en het dorp van Oud Vossemeer liggen niet in de oudste polder van de heerlijkheid, doch in de Kerkpolder, die vermoedelijk pas ná 1433 is ingedijkt. Ook dit wijst er op, dat vóór ca. 1430 nog geen kerk in Vossemeer heeft bestaan.
In 1433 gaf Gillis van Wissenkerke, die optrad als “regent” van het land van Vossemeer, de gorzen van Vossemeer ter bedijking uit. Een andere regent, Pieter van Botlant, stelde een nadere bepaling vast over de tienden op de meekrap, en bezegelde de brief mede. Heynrick Olartssen, vermoedelijk een heer van Vossemeer, zegelde eveneens op verzoek van Gillis van Wissenkerke. De brief werd
ten overvloede bekrachtigd met de zegels van de heerlijkheid en van vier schepenen van Vossemeer. Vooral uit het verschijnen van de laatsten blijkt, dat er reeds een schepenbank bestond en fungeerde. Onjuist is derhalve de veronderstelling van sommigen, dat de uitgiften van 1410 en 1415 pas in 1433 resulteerden in de vorming van een bestuur door Gillis van Wissenkerke, al besteedt hij veel aandacht aan de omschrijving der rechten en plichten van de onderzaten.
Misschien niet geheel en al, doch zeker voor een belangrijk deel wordt de akte van Gillis van Wissenkerke duidelijk, als wij haar plaatsen tegen de politieke achtergronden van het ogenblik. In 1433 was Philips van Bourgondië graaf van Holland en Zeeland geworden, nadat Jacoba van Beieren in april van dat jaar haar hopeloze strijd had opgegeven en volledig afstand van haar rechten had gedaan. Enige heren van Vossemeer waren trouwe vazallen geweest van het huis van Beieren, waaraan zij de totstandkoming van hun heerlijkheid dankten. Sommigen van hen waren al eerder in ongenade gevallen; met name is dit van Helmich van Doornik en Pieter van Botland bekend. Merkwaardig is in ieder geval, dat de beide heren uit de akte van 1433 zich “regent” van het land van Vossemeer noemen; waarschijnlijk zijn zij door de nieuwe graaf van Holland aangewezen, om in Vossemeer orde op zaken te stellen. Van Philips van Bourgondië is bekend, dat de details hem niet raakten; die liet hij aan anderen over.
Zeer goed mogelijk is, dat door de Hoekse en Kabeljauwse twisten, waarin sommige heren van Vossemeer ijverig partij gekozen hadden, nog niet veel terecht was gekomen van de effectieve inpolderingen, voorzien in de oorkonde van 1415, en zat achter de brief van Gillis van Wissenkerke de bedoeling, de rechten en aanspraken van de heren van Vossemeer veilig te stellen. Dat hij de grafelijke oorkonde van 1410 in extenso in zijn akte opnam, wijst ook in deze richting.
Het is echter niet uitgesloten, dat er een andere, zeer prozaïsche aanleiding aan ten grondslag ligt. Door de St. Elisabethsvloed van 1421 , die in het Hollandsch Diep en de Zuid Hollandse Waard catastrofale gevolgen had, en vooral veel jonge bedijkingen vernielde, kan in Vossemeer een reeds bestaande inpoldering zijn vernield, die in de brief van 1415 was voorzien. Hierop wijzen enige andere gegevens. De akte van Gillis van Wissenkerke was er op gericht, (al zegt zij dit niet
met zoveel woorden), aan anderen dan de heren van Vossemeer land ter bedijking uit te geven, dat uiteraard onder het aan hen
gegeven octrooi viel. Het is niet te ver gezocht te veronderstellen, dat de heren van Vossemeer financieel niet bij machte waren
nieuwe inpolderingen aan te vatten of de oude te herstellen. De meeste van hen hadden zich arm gevochten!
Daarom wilde Gillis van Wissenkerke ingelanden tot de bedijkingen overhalen. Voor een goede uitbouw van hun ambachtsheerlijkheid
wilden de heren hun land met een dorp verrijken, waarvoor zij vanzelfsprekend mensen en gezinnen moesten aantrekken. In 1443 sloten de heren met het kapittel van Tholen een overeenkomst
20 waarvan slechts de vermelding bewaard is gebleven, doch niet de nadere inhoud. In 1450 gaf de graaf van Holland de heren van Vossemeer verlof, de gevangenen in een van zijn kerkers op te sluiten omdat zij zelf wegens de
pas voltooide dijkage nog geen geschikte plaats hadden.
21 Een en ander wijst er wel op, dat de uitgifte van gronden, door Gillis van Wissenkerke in 1433 gedaan, niet terstond door een nieuwe inpoldering is gevolgd, doch dat deze pas kort voor 1450 tot een resultaat leidde. De opeenvolgende bedijkingen, die successievelijk het land in bezit namen en in cultuur brachten, in de brief van 1415 bedoeld, worden elders behandeld.
Alvast moge er op gewezen worden, dat de bedijkingen, globaal en ongedetailleerd in 1415 voorzien, pas tegen het einde van de 19e eeuw zijn voltooid.
Volgens een kwitantie betaalden de heren van Vossemeer in 1470 een som van 1200 pond aan de hertog van Bourgondië, als graaf van Holland, voor de aankoop van hun heerlijkheid.
22 Daaruit trekt Ermerins de conclusie, dat de heren hun grond en hun heerlijkheid dubbel en dwars hebben moeten betalen. Die conclusie is niet juist. In deze tijd beraamden de heren van Vossemeer nieuwe bedijkingen, zowel aan de westzijde van de Eendracht als in het zogenaamde Brabantse deel van hun heerlijkheid. Kort na 1470 zijn uit die plannen verschillende nieuwe dijkages voortgevloeid. Ook in 1415 hadden de heren opnieuw moeten betalen voor de uitbreiding van hun gebied. Dit is in 1470 vermoedelijk geheel normaal geweest; hoogstens zou er een vraag kunnen worden gesteld over het juiste gebied, dat in de uitgifte van 1415 begrepen was. Overigens is er voor deze betaling nog een geheel andere verklaring te vinden, waardoor nog minder aannemelijk is,
dat het een afpersing was vanwege de hertog van Bourgondië. Enige weken na de afgifte van de kwitantie kregen de heren van Vossemeer van het Hof van Holland verlof om, in afwijking van de andersluidende bevelen van de graaf van Holland, in hun gebied moer te steken en zout te branden.
23 In feite was het de erkenning van hun reeds bestaand recht. Dit verlof moeten wij eveneens zien in het licht van de voorgenomen bedijkingen; het werd gegeven voor rijpe en waarschijnlijk bezomerkade
gorzen, wier definitieve dijkage in het verschiet lag. Het spreekt vanzelf, dat de graaf van Holland voor zo’n uitzondering een betaling vroeg.
In de eerste twee eeuwen van haar bestaan werd de ambachtsheerlijkheid, ofschoon in Zeeland gelegen, toch als een Hollands leen beschouwd. Dit gaf geen aanleiding tot moeilijkheden, toen de graaf van Holland tevens als heer van Zeeland optrad. Bij en na de vrijmaking van de Nederlandse gewesten van Spanje ontstond de opvatting, dat Zeeland van oudsher een autonoom gewest was - sommigen spraken zelfs van een afzonderlijk graafschap - dat toevalligerwijs ook door de graaf van Holland in leen werd gehouden. Mede om deze reden hebben de Staten van Zeeland tegen het einde van de 16e eeuw een begin gemaakt met een intensievere bemoeiing met Vossemeer. Hieraan was door de territoriaal afgebakende bevoegdheden van de provinciale besturen niet te ontkomen, al hebben de heren van Vossemeer wel pogingen gedaan om zich met een beroep op hun “Hollands” leen aan een te ver gaande bevoogding van Zeeland te onttrekken. Deze ontwikkeling was echter niet meer tegen te houden.
Overigens grepen de heren van Vossemeer dat motief bij voorkeur aan, als zij bepaalde moeilijkheden met Zeeland hadden. In 1597 bevalen de Staten van Zeeland, dat alle ambachten, heerlijkheden, tienden en lenen, in de “grafelijkheid” van Zeeland gelegen, voor de leenkamer van Zeeland verheven moesten worden.
24 Reeds in 1589 hadden de Staten een eerste maal deze pretentie gesteld.
24a De heren van Vossemeer hadden hier in principe geen bezwaar tegen, doch eisten wel, dat zij tegenover de leenkamer van Holland gevrijwaard zouden worden.
25 In 1609 herhaalden de Staten van Zeeland nogmaals hun bevel.
26
Van enige heren, die spaansgezind waren, hadden de Staten van Zeeland al jaren tevoren de aandelen in de heerlijkheid in
beslag genomen. Door de Staten was een vertegenwoordiger aangewezen, die in de vergaderingen de belangen van de geconfisqueerde
aandelen te behartigen had. Vanzelfsprekend gingen de aspiraties van de Staten verder, en wilden zij op deze manier tevens medezeggenschap krijgen in de bestuurlijke zaken van de heerlijkheid. Tijdens het Twaalfjarig Bestand zijn enige aandelen naar hun oorspronkelijke bezitters teruggekeerd; bij de Vrede van Munster werden de laatste. confiscaties ongedaan gemaakt. Nadien hadden de Staten van Zeeland zoveel andere zaken aan hun hoofd, dat zij de penetraties in de heerlijkheid van Vossemeer een tijdlang uit het oog verloren. In 1703 werd Nicolaas Duurcant, baljuw van Tholen en rentmeester van de domeinen, door de Staten van Zeeland aangewezen om de vergaderingen bij te wonen. De heren van Vossemeer durfden hem niet de toegang weigeren, doch zich beroepend op een oude resolutie van 1635 stonden zij hem alleen inzage toe van het “beloop” der rekening van 1702.
27 Het afhoren van de rekening en de aanwezigheid bij de beraadslagingen werden zonder meer geweigerd.
Enkele jaren nadien trachtte Duurcant een voet tussen de deur te krijgen door middel van een leenverheffing in een deel der
tienden van Oud Vossemeer, doch dit gevaar wist de rentmeester tijdig te keren.
28
Een der heren van Vossemeer, de Mauregnault, had zitting in de Staten. Regelmatig hebben er persoonlijke banden bestaan tussen de heren van Vossemeer en het gewestelijk bestuur; veel heren hadden tevens andere functies in Zeeland of in de steden van het gewest, zodat de al te ver gaande aspiraties van het gewestelijk bestuur of van diens functionarissen gewoonlijk al bij de eerste besluitvorming in goede banen kon worden geleid.
In 1773 besloten de heren, hun privileges te laten registreren door de Gecommitteerde Raden der Staten van Zeeland
of bij de Leenkamer van Zeeland,
“opdat bij alle onverhoopte ongelukken men des te meerdere zekerheid hebbe”, 29
In 1774 werd medegedeeld, dat de rekenkamer van Zeeland de stukken in haar copulaatboeken had opgenomen.
30 Als het ware op de valreep van het oude tijdperk heeft de ambachtsheerlijkheid tenslotte de volle consequenties getrokken, dat zij een Zeeuws leen was.
In 1709 is voor het eerst van een “president” gesproken; in zijn handen moest de rentmeester de eed afleggen.
31 Gedurende de eerste eeuwen heeft de oudste heer in jaren of de langstzittende het voorzitterschap van de vergadering bekleed. Daarna werd de voorzitter door de vergadering aangewezen; samen met de commissie of de raad van beheer handelde hij de lopende zaken af. In 1763 werd Mr. Johan Willem van Rosevelt voor het leven tot gecommitteerde aangesteld; elk jaar zou hem een andere heer worden toegevoegd.
32 Wie hem opvolgde, zou ook voor het leven benoemd worden.
33 Wegens zijn hoge ouderdom trok Van Rosevelt zich in het jaar 1789 terug.
34 In organisatorisch en bestuurlijk opzicht heeft de ambachtsheerlijkheid tot aan het jaar 1795 geen veranderingen ondergaan. Verschillende nadere details van de interne organisatie en het optreden naar buiten worden in de andere afdelingen van dit hoofdstuk behandeld.
DE OMWENTELING VAN 1795
Meerdere malen heeft de geschiedenis geleerd, dat een instelling haar einde nabij is op het moment, dat er hoog van opgegeven wordt. Toen in 1794 een schone hand een prachtig geschreven lijst maakte van de magistraat van Oud en Nieuw Vossemeer,
35 kondigde het einde van het instituut zich reeds aan.
De Franse legers, die in 1794 een mislukte inval in de Nederlandse gewesten hadden gedaan, keerden in 1795 terug, om er bijna 20 jaar te blijven. Onder deze bescherming werd de revolutie ingezet. In de vergadering van de heren van Vossemeer van 1795 kwam een brief binnen van het “Comité Revolutionair” van Oud en Nieuw Vossemeer.
36 Ongetwijfeld zal hij de heren geschokt hebben; hij was trouwens in zulke duidelijke en krasse bewoordingen gesteld, dat de heren niet konden beweren zijn strekking niet te begrijpen. Het nieuwe tijdperk voor de ambachtsheerlijkheid werd als volgt aangekondigd:
“Wij hebben de eer uw kennis te geven, dat de burgerij zoo te Oud als Nieuw vossemeer, in navolging van vele steden en plaatsen in ons vaderland hun verlangen om aan de Revolutiedeel te nemen hebben begonnen uit te werken, door alhier zeven, te Nieuwvossemeer vier personen tot hunne provisionele representanten aan te stellen, met magt en last, om de als doe fungerende regenten van hun posten te ontslaan en eene door het volk benoemde regeering te installeren, aan welk begeren ook is voldaan, zijnde voorlede zaturdag de oude regering bedankt en de nieuwe aangestelde door ons in den eed genomen ..............”
Verder deelde de brief mede, dat in Vossemeer alle regenten herkozen waren, wat volgens de schrijver bewees,
dat er geen haat of partijschap had geheerst, doch dat de burgers slechts hun recht van zelfbestuur hadden uitgeoefend.
De revolutie was zonder één wanklank verlopen. Algemeen verwachtte de burgerij; dat de heren zich met hen over de omwenteling zouden verheugen. Het volk van Vossemeer,
“nu op zich zelf staande evenals een jong doch teffens welvaarend kind”, verlangde naar een scheiding tussen de goederen, rechten en inkomsten van heerlijkheid en gemeente. Op het einde klinkt de brief heel wat minder aanmatigend, als het Comité Revolutionair de heren vraagt te gedogen, dat het gemeente - bestuur van Oud Vossemeer gebruik mag blijven maken van het rechtshuis.
37 Opmerkelijk nuchter is het advies, dat Mr. Corn. Caen naar aanleiding van deze brief aan zijn collega’s gaf. Hij was vanaf 1762 heer van Vossemeer, had als burgemeester, schepen en raad van Vlissingen gefungeerd en was derhalve een regent van de oude stempel, van dat “vervloekte” feodale tijdperk.
“Wij weten wel van elkaar”, zo schrijft hij,
“hoe wij over de revolutie denken en over de onrechtmatigheid,
die in naam van de Rechten van de Mens wordt gepleegd. Het zal wel niet te keren zijn; wat komt, moeten wij maar aanvaarden”. Doch vlug wordt hij zakelijk. Het ambachtshuis is en blijft van de heren; het kan aan de gemeente worden verhuurd. De aanstelling van de magistraat is een flagrante schending van de rechten der heren van Vossemeer, doch hieraan zal wel niets meer te doen zijn. Caen adviseerde met klem, in de schikking over de heerlijkheids- en dorpsmiddelen toe te stemmen, daar dit voor de ambachtsheerlijkheid voordelig was. De Heren Caen, Huyssen van Kattendijke en Ermerins werden aangewezen om met de gemeente te onderhandelen. De rentmeester deelde nog mede, dat de landlieden van Oud Vossemeer en bloc geweigerd hadden hout en mutserd voor de heren te vervoeren. Voor herendiensten was in de nieuwe orde geen plaats meer!
In deze tijd heeft het ten voordele gewerkt, dat de heren van Vossemeer slechts eenmaal per jaar vergaderden.
Zodoende kwamen de aanspraken van de nieuwe gemeenten niet heet van de naald ter tafel, doch waren zij al aanzienlijk afgekoeld
vóór de herenvergadering. In 1796 bracht de commissie rapport uit.
38
In feite had zij niets kunnen doen; het comité revolutionair van Oud Vossemeer was inmiddels ontbonden.
Alom hadden de revolutionairen onderling zoveel onenigheid, dat er niets tot stand kwam.
Enige leden van het voormalig comité ontkenden zelfs, dat zij opdracht hadden gegeven aan de heren pertinente eisen te stellen, doch dat hun bedoeling slechts was geweest de zaak van de revolutie in principe uit te spreken, en op een gunstig tijdstip met de heren te onderhandelen over de details. De rentmeester meldde, dat de ingelanden der polders van Oud Vossemeer bij het afhoren van de rekening het oude polderbestuur afgezet en een nieuw, geïnstalleerd hadden, doch dit was, als het ware per kerende post, door de Provisionele Representanten van Zeeland ongedaan gemaakt. De katholieken vanNieuw Vossemeer hadden verzocht ontslagen te worden van de betalingen, zoals de opcenten bij verkopingen, voor de hervormde kerk en de predikant. Die gelden wilden zij besteden aan de roomse armen. Het hoger gezag oordeelde hun grief rechtmatig; zij werden van die betalingen ontslagen, doch moesten wel voor de school blijven bijdragen,
die een algemene zaak was.
39
Op 17 september 1797 overleed secretaris Quist, die door de heren van Vossemeer was benoemd. Hij was door de revolutionairen niet aan de dijk gezet, omdat hij zijn ambt voor een niet geringe som had gekocht. Na zijn dood werd Samuel Abraham Catshoek door het gemeentebestuur aangesteld. De jaarlijkse recognitie van 30 pond, die de secretaris aan de heren moest betalen, eiste de gemeente op. Zo werd een ander oud recht van de heerlijkheid opzij geveegd, waartegen de heren zonder succes protesteerden. In de rechtszaal van het ambachtshuis wilde het gemeentebestuur de wapens van de schoorsteen doen halen, die verfoeilijke emblemen van het feodalisme! Met het dreigement, dat hij de gemeente uit het huis zou zetten, heeft de rentmeester dit kunnen verhinderen. De kroon boven het wapen op de gevel was er in een onbewaakt ogenblik reeds afgekapt; het litteken werd zo goed en zo kwaad als mogelijk was met kalk bedekt. De voorzitter van de raad van beheer vond het toch maar raadzaam de wapens
van de schoorsteen te laten afhalen en veilig op te bergen. De verdeling van de inkomsten en goederen wilden de heren hoe eer hoe liever afwerken.
40
Op 12 augustus 1798 confereerde de commissie uit de heren met de vergadering der gehele burgerij en maakte zij bekend, hoe de heren van Vossemeer de scheiding der goederen en gelden wilden regelen. De commissie kreeg de wind van voren; zij beklaagde zich over
“verscheidene zeer odieuse en ongepaste reflexiën”. Enige weken later diende het gemeentebestuur zijn eisen schriftelijk in; het vroeg in volle eigendom te krijgen:
1. het rechtshuis;
2. de waag met toebehoren, het brandspuitenhuis, de brandspuit en het daarbij behorend gereedschap;
3. de beide pontveren;
4. de 1200 gulden, onlangs door een pachter van het veer als waarborg gestort en bedoeld om een veerdam te herstellen;
5. de sloten der huisschatting vanaf 1796;
6. de verpachting van de dorpsmiddelen;
7. de bomen en het plantrecht op de weg van de molen tot aan het veer;
8. de erfpacht of cijns van de molens;
9. de directie over de ledige of beplante erven in het dorp;
10. de nieuwe of oude straatstenen in het dorp en de voorraad stenen.
Hierop antwoordden de heren, dat zij niet eens wensten te praten over het ambachtshuis, de veren, de bomen en het plantrecht, de erven en de straatstenen. Op de rest hadden zij in principe hun toestemming al gegeven. Dit aanbod wilden de heren gestand doen; werden echter nieuwe pretenties gesteld, dan trokken zij het alsnog in en zou van hun kant elk overleg geweigerd worden. In de vergadering van 1799 werd medegedeeld, dat de gemeente hierop nog niet geantwoord had.
41 Toch had de magistraat van Vossemeer al op 30 september 1798 twee ontvangers voor de huisschatting aangesteld; tevens had zij het waag- en havengeld verpacht en
de collecte van de accijns. Tijdens de vergadering van de heren kwam een opmerkelijk onderdanige brief binnen van de gemeente; op sommige punten had zij het enigszins anders bedoeld dan de heren hadden verstaan. Deze hielden echter voet bij stuk en boden nogmaals aan het ambachtshuis aan de gemeente te verhuren. Er was nog maar één gemeente gevormd; de magistraat had zowel te Oud als te Nieuw Vossemeer bevoegdheid. Doch omdat de burgerij van Nieuw Vossemeer zich ook al over bepaalde zaken uitgesproken had, besloten de heren, dat eveneens de toestemming van Nieuw Vossemeer verkregen moest worden vóórdat een accoord kon worden gesloten.
In juni 1800 hadden die van Vossemeer zich nog niet uitgesproken.
42 De heren besloten om te zien
naar een middel om hen tot spoed aan te zetten. In Oud Vossemeer bleken de revolutionaire denkbeelden zelfs al bij de predikant
en de kerkeraad wortel te hebben geschoten; zij betwistten de heren het recht op de “herenbank” in de kerk. De predikant schreef een brief in deze geest. De heren droegen de rentmeester op, met alle wettige middelen hun eigendommen en hun recht te doen handhaven. Enige tijd nadien besliste het gemeentebestuur, dat de bank aan de ambachtsheren bleef. De burgerij van Nieuw Vossemeer meldde eindelijk in 1801, dat zij zich in alles aan Oud Vossemeer conformeerde.
43 De heren herhaalden hun voorstellen aan de burgerijen. Het antwoord liet lang op zich wachten. De gemeente had haar zin op het ambachtsherenhuis en de ledige erven in het dorp gezet, doch zij wist wel, dat de heren op deze punten nooit toe zouden geven. Zij wachtte derhalve op een nieuwe revolutionaire wind, die echter niet kwam, omdat inmiddels de scherpe kanten van de omwenteling afgesleten waren.
In 1804 werd de secretaris aangezegd, dat hij de recognitie van 30 pond aan de ambachtsheerlijkheid te betalen had.
44
Blijkbaar is er op dit punt een uitspraak van het hoger gezag geweest. Op de volgende jaarvergadering van 1805 kwam zijn diplomatiek antwoord binnen; hij wilde de recognitie best betalen, maar voelde er niet voor dat dubbel te doen, omdat ook de gemeente deze van hem eiste. De heren beloofden hem tegenover de gemeente te vrijwaren. Ermerins werd opgedragen nog eens met de gemeente te praten over de regeling van de hangende zaken. Ditmaal kwamen de partijen tot overeenstemming.
45 De gemeente kreeg de vrije beschikking over de dorpsaccijns, de plakke, de andere dorpsmiddelen, de waag met toebehoren, waaronder de brandspuit, het havengeld, de beurtschipperij, de veerdammen, de scholen en kerken, de asbakken, de straten en wegen, zelfs de straatstenen. Daartegenover moest zij alle tractementen overnemen. Het ambachtsherenhuis werd aan de gemeente verhuurd voor 10 pond of 60 gulden. Alle andererechten en eigendommen bleven aan de ambachtsheerlijkheid.
Het contract is op 15 augustus 1806 getekend.
46 Hierdoor kwam een definitief einde aan het publiekrechtelijk instituut van de ambachtsheerlijkheid, dat in feite al van 1795 af niet meer bestond.
Nieuw Vossemeer had reeds lang een min of meer tweeslachtige status gehad. Door de heren van Vossemeer en de Staten van Zeeland werd het als Zeeuws grondgebied beschouwd. In de tijd van de Republiek, toen Brabant nog tot de Generaliteit behoorde, heeft dit niet tot noemenswaardige moeilijkheden aanleiding gegeven. Bij de omwenteling van 1795 liet de burgerij van Nieuw Vossemeer zich wel horen, doch het dorp ressorteerde nog altijd onder de éne gemeente van Oud en Nieuw Vossemeer. In 1809 echter is Nieuw Vossemeer als een deel van Brabant aangewezen, en werd er een afzonderlijk gemeentebestuur ingesteld. Bij K.B. van 20 juli 1814 is deze gemeente voorgoed bij Brabant gevoegd. Sindsdien vertoonden de nog bestaande relaties met de ambachtsheerlijkheid en de oude rechten, die in 1814 deels zijn hersteld, er een ander beeld dan in Oud Vossemeer.
Bij de vorming van het koninkrijk der Nederlanden hebben de ambachtsheerlijkheden zich terdege laten horen. Ofschoon het de meeste ambachtsheren wel duidelijk was, dat niet meer gerekend kon worden op een volledige terugkeer naar de vroegere toestanden, die na een ontwikkeling van 20 jaar democratisering niet meer te herstellen waren,oordeelde de regering toch, dat men in de tijd van de Franse bezetting veel te ver was gegaan. Op 26 maart 1814 kwam een koninklijk besluit af, dat bepaalde rechten van de ambachtsheerlijkheden herstelde. Belangrijk was dit besluit voor sommige zakelijke rechten, waaraan inkomsten verbonden waren. In de bestuurlijke sector kregen de ambachtsheerlijkheden ook enige rechten of voorrechten terug, o.a. het toezicht op het vaststellen van verordeningen
46a, die evenwel niet veel om het lijf hadden.
In het nieuwe reglement op het bestuur der gemeenten van 21 juli 1816 legden Gedeputeerde Staten van Zeeland de rechten van de ambachtsheerlijkheden uitdrukkelijk vast. In hun gebied komt de heren de voordracht toe van de schout (burgemeester), de leden van de raad, de sustituut-schout, de secretaris en de ontvanger. Van elke vacature moet terstond aan de ambachtsheren kennis worden gegeven. Zij moeten gekend worden bij het opmaken van elke verordening; hebben zij bedenkingen, dan beslissen Gedeputeerde Staten over de laatste redactie. De schout moet de ambachtsheren oproepen voor het afhoren van de rekening.
47 Ingevolge deze bepalingen hebben de heren van Vossemeer inderdaad verschillende voordrachten opgesteld en ingediend. In 1838 stelden zij een nieuwe burgemeester voor; in 1839 een dijkgraaf voor de polders van Vrijberghe. Dit zijn de laatste
voordrachten geweest; nadien hebben de heren dit recht niet meer uitgeoefend, waarop zij blijkens hun passieve houding op de vergaderingen niet veel prijs stelden. Hun laatste band met de gemeente is bovendien geheel doorgesneden door de Gemeentewet van 1851.
In Nieuw Vossemeer zijn de zaken meer gecompliceerd verlopen. In 1818 vaardigde Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een publicatie uit, waarin zij de ambachtsheerlijkheden verzochten, opgave te doen van hun rechten en inkomsten, voornamelijk uit de secretarie van de vroegere gemeenten, teneinde een basis te vinden voor de schadeloosstelling. De ambachtsheerlijkheid diende haar memorie in. De benoeming van de functionarissen was in 1795 opgehouden, met uitzondering van die der dijkgraven en gezworenen, welke bevoegdheid door het keizerlijk decreet van 28 december 1811 aan de vroegere rechthebbenden was voorbehouden. Zij had haar rechten over Oud en Nieuw Vossemeer samen uitgeoefend, zodat het wel moeilijk was, de derving van inkomsten van Nieuw Vossemeer alleen te berekenen. De baljuw, die tevens dijkgraaf was, betaalde een jaarlijkse recognitie van 150 gulden. De secretaris, tevens penningmeester van de polders, griffier van de weeskamer en vendumeester, betaalde in totaal 180 gulden,
bovendien nog 150 gulden als ontvanger van de accijns en de huisschatting. In totaal kreeg de ambachtsheerlijkheid 480 gulden per jaar aan recognities binnen. In 1798 had Oud Vossemeer 876 en Nieuw Vossemeer 604 inwoners; het aandeel van Nieuw Vossemeer kon op 3/7 van het totaal gesteld worden. Dit vonden de heren een redelijke basis, die zij G.S. van Noord-Brabant in overweging gaven.
48 Pas in 1824 kwam de volgende stap: G.S. van Noord-Brabant vroegen meer gegevens om de schadeloosstelling te kunnen berekenen. In 1825 is de afkoopsom van de erfsecretarie voor de eerste maal betaald; voor de jaren 1821 tot 1823 bedroeg zij 111 gulden. In 1845 werd 37 gulden betaald.
49 De uitkering is tot 1847 gedaan,
50 daarna is er zonder nadere uitleg mee gestopt.
Met het gemeentebestuur van Nieuw Vossemeer heeft de ambachtsheerlijkheid na 1809 geen bemoeienis gehad. Wel stelde zij in 1830 een lid van de gemeenteraad ter benoeming aan G.S. voor, doch het provinciaal bestuur van Noord-Brabant wees dit resoluut af; de schadeloosstelling was in de plaats van het recht getreden. Het gemeentebestuur moest zelf de voordracht opmaken. Wel is dit recht van de ambachtsheerlijkheid nog een tijdlang erkend voor de polders van Nieuw Vossemeer. Vóór 1795 hadden deze onder de supervisie van de heren gestaan; toen fungeerde er een dijkgraaf en een penningmeester voor Oud en Nieuw Vossemeer; de gezworenen werden uit elke polder gekozen.
In 1827 stelden de heren van Vossemeer aan G.S. van Noord-Brabant een nieuwe dijkgraaf voor. G.S. vroegen, waarop dit steunde. De heren antwoordden, dat het een van hun oude rechten was, nadrukkelijk erkend bij het K.B. van 29 maart 1822. Het schijnt wel, dat de heren de uitoefening van dit recht hebben laten sloffen. Naar aanleiding van het geval in Noord-Brabant richtten zij op 21 april 1827 een schrijven aan G.S. van Zeeland, om deze in herinnering te brengen, dat de heren dit recht van voordracht van de dijkgraaf van Oud Vossemeer hadden, aan welk recht niet de hand was gehouden. Het provinciaal bestuur van Zeeland had weliswaar nog geen dijkgraaf benoemd, doch het bleek niet overtuigd te zijn van het recht der heren van Vossemeer. Het berichtte tenminste,
dat aan de regering de vraag ter beslissing was voorgelegd, of en in hoeverre het koninklijk besluit van 1822 in overeenstemming te brengen was met het bekende polderreglement van 1811.
51
In 1830 overleed de penningmeester van de polders van Nieuw Vossemeer. Het polderbestuur keerde handig de rollen om, maakte zelf een voordracht op, en verzocht de ambachtsheerlijkheid hierop “regard” te willen slaan. Sommige ingelanden waren het daarmee niet eens en dienden bij het provinciaal bestuur van Noord-Brabant een eigen voordracht in. De dijkgraaf was hierover zeer verbolgen en verzocht G.S. met die aanmatigende brief geen rekening te willen houden. De heren van Vossemeer namen de aanbeveling van het polderbestuur over; conform benoemden G.S. van Noord-Brabant.
Op 24 februari 1846 publiceerden G.S. van Noord-Brabant een nieuw reglement op het beheer van de dijken en polders in de provincie. Het was bedoeld als een straffe maatregel tegen de chaos, die er toen op waterstaatsgebied in Noord-Brabant heerste. Ofschoon het reglement als zodanig niet tegen de ambachtsheerlijkheden was gericht, lag er toch de duidelijke bedoeling in opgesloten alle vreemde invloeden te weren en de waterschappen uitdrukkelijker dan voorheen tot een verantwoording tegenover het provinciaal bestuur te verplichten. Het eerste gevolg van het reglement was, dat een geheel nieuw polderbestuur werd samengesteld.
De voordracht hiertoe ging uit van de ingelanden; de heren van Vossemeer kwamen er niet meer aan te pas. Op 30 september 1846 richtten zij een rekest aan de koning.
Reeds op 4 augustus 1846 had de minister beslist, dat het recht van voordracht der ambachtsheerlijkheden erkend moest worden. G.S. van Noord-Brabant voelden zich hierdoor in hun beleid inzake de waterschappen beperkt en gehinderd; zij vroegen om een herziening van de beslissing. Hun verzoek werd zeer kort daarna afgewezen, op grond van het feit, dat het recht in een algemene wetsbepaling was erkend, die door geen enkele provinciale verordening kon worden opgeheven. Weer kwamen Gedeputeerde Staten er op terug; ditmaal ging het ministerie door de knieën. Het “ei van Columbus” was, dat het recht van voordracht
weliswaar in 1814 was gehandhaafd, doch dat dit niet gold voor de zogenaamde vroegere Generaliteitslanden. Dit motief was kennelijk voor Brabant uitgedacht. Strikt genomen was het op Nieuw Vossemeer niet eens toepasselijk, daar het gebied van dit dorp voor 1809, in elk geval vóór 1795 onder Zeeland ressorteerde. Doch de heren van Vossemeer hebben er niet de minste behoefte aan gevoeld, tegen de geest des tijds in een recht af te dwingen, dat toch niets meer te betekenen had.
Zo zijn de laatste restjes van het publiekrechtelijk aspect van de ambachtsheerlijkheid, in 1814 als “doekje voor het bloeden” enigszins hersteld, tegen het midden van de vorige eeuw als een nachtkaars uitgegaan.
NIEUWE VORMEN
Ogenschijnlijk had de ambachtsheerlijkheid tegen het midden van de 19e eeuw alle grond onder de voeten verloren;
haar oude publieke rechten waren verdwenen; naar buiten trad zij slechts op als een min of meer verouderd instituut, welks reden van bestaan voor de buitenstaander twijfelachtig was. Des te merkwaardiger is het, dat de voormalige ambachtsheerlijkheid (het adjectief is van de regering van koning Willem I) sindsdien in financieel opzicht een veel bredere armslag kreeg dan voorheen. Waarschijnlijk heeft Cornelis Caen het in 1795 zeer goed gezien, toen hij adviseerde, de ambachtsheerlijkheid zo vlug mogelijk van de gemeenten los te maken. In de 2e helft van de 19e eeuw heeft zij enige grote bedijkingen volbracht, die nog respect afdwingen, en die de aandeelhouders geen windeieren hebben gelegd. Zou men alléén de financiële kant in ogenschouw nemen, dan kan men met enige grond tot de conclusie komen, dat de gemeenten en de dorpen voor de ambachtsheerlijkheid meer een blok aan het been hadden gevormd.
Toen het publiekrechtelijk bestanddeel van de heerlijkheid geheel verdwenen was, had met enig recht de vraag gesteld kunnen worden, of en in hoeverre de ambachtsheerlijkheid nog wel bestond. Eigenlijk stond alles op losse schroeven; het bestuur, de aandelen en het optreden naar buiten. Het kwam wel eens voor, dat
de heren van Vossemeer gezamenlijk moesten handelen. In de tweede helft van de vorige eeuw zijn de geschillen en de processen trouwens niet van de lucht geweest. Gelukkig heeft geen der partijen, die de heerlijkheid wel bepaalde rechten of eigendommen betwistten, genoeg inzicht (of kwaadwilligheid?) gehad om haar bestaan zelf te doen aantasten. Voor in de grond zeer eenvoudige zaken moest een dossier met volmachten worden overgelegd. Daar verschillende aandeelhouders in het buitenland woonden, werden die volmachten soms door nieuwe feiten achterhaald vóór zij gebruikt waren.
Meermalen is over een nieuwe organisatievorm gedacht en gesproken. In de vergadering van 13 october 1869 besloten de heren, de oude ambachtsheerlijkheid om te zetten in een zedelijk lichaam. Voor notaris Pieter van de Graft uit Middelburg werd op 2 december 1869 de akte van oprichting gepasseerd. Voor de aandeelhouders traden op: Mr. A. M. Becius, Mr. A. P. Snouck Hurgronje en Mr. C. J. Pické. De vereniging had ten doel: het bestendig uitoefenen van de rechten van de oude ambachtsheerlijkheid. Zij ging in op 1 januari 1870 en was voor de tijd van 29 jaren aangegaan. Alle aandeelhouders brachten hun aandelen in. Het oude onderscheid tussen de afzonderlijke aandelen van de tienden in Oud Vossemeer, dat voorheen, zij het slechts pro forma, had gegolden, was reeds langer verdwenen, toen er geen leenverheffingen meer geëist werden. Er bleken 181 gelijkwaardige aandelen te bestaan. Alle eigendommen en alle rechten vormden het kapitaal van het zedelijk lichaam.
52
Op het tijdstip van de omzetting waren de aandelen in handen van:
Mr. Adriaan Marinus Becius 12
Mr. Anthony Pieter Snouck Hurgronje 12
Mr. Carel Johannes Pické 12
Jhr. Willem Versluijs 18
erven Jhr. Johan Maria baron Huijssen van Kattendijke 18
Jkvr. Henriette Steengracht 12
Mr. Jan Jacob Slicher van Domburg 12
Mr. Willem Frederik baron van Doorn van Westkapelle 12
Jhr. Jacob Hendrik Lodewijk Quarles van Ufford 12
Boudewijn Boom 12
Dr. Francoys Zacharias Ermerins 12
erven Guillaume Frederik Godin 12
erven Isack de Crane 7
erven Jhr. Willem Johan Cornelis ridder Huijssen van
Kattendijke 18
Totaal 181
Het getal van 181 vraagt om een nadere uitleg. Wij weten niet zeker, of de eerste zes ambachtsheren in 1410 gelijke aandelen hadden (de successie is trouwens niet volledig meer te reconstrueren). Toch is het waarschijnlijk, dat er oorspronkelijk zes delen zijn geweest, al is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat één heer twee delen bezat en twee andere samen één. Als dan de latere aandelen voortgesproten zijn uit de eerste zes, verwacht men een getal,dat deelbaar is door zes. Nu zijn vóór de 19e eeuw de overzichten van alle aandelen zeer zeldzaam. Zij zijn bekend uit 1546 en 1629; een andere opgave van omstreeks 1784 geeft Ermerins in zijn boek.
Volgens de staat van 1629 waren er aandelen van 1/4, 1/6, 1/12 , 1/16, 1/24, 1/36 en 1/48. Omgerekend naar delen van 1/48 waren toen 48 1/2 aandelen te onderscheiden. Volgens deze basis waren in 1546 51 parten van 1/48; in feite iets minder, daar de markiezin van Bergen op Zoom 1/3 aandeel min 1/72 had. Berekent men de opgave van Ermerins op dezelfde manier, dan waren er omstreeks 1784 39 1/2 parten van 1/48 delen. Dit verschil kan verklaard worden, al kan het misschien niet exact worden nagecijferd, daar de heren tussen 1629 en 1784 verschillende aandelen en gedeelten van aandelen voor gemeenschappelijke rekening aankochten of genaast hebben. Deze zijn in feite opgelost; administratief of boekhoudkundig bestonden zij niet meer. Het kapitaal, dat zij vertegenwoordigden, was in de gemeenschappelijke pot verdwenen of was bij de aankoop daaruit genomen; soms is het door de heren in specie bijeengebracht geheel buiten de rekening om.
In 1863 maakte de toenmalige rentmeester een overzicht van de aandelen mét de successies vanaf omstreeks 1700. Zijn gegevens
dienen met voorzichtigheid te worden gehanteerd, daar het vrijwel zeker is, dat hij de gewone aandelen niet voldoende onderscheiden
heeft van de aandelen in tienden, die slechts pro forma op de naam van een heer werden gesteld. Hij rangschikte de aandelen in twee afdelingen: aandelen in gemeenschappelijke eigendom en aandelen in bijzondere eigendom. In de eerste afdeling vermeldt hij de delen, die de heren voor en na hebben aangekocht, derhalve teruggekocht. Problematisch is, of hier van werkelijke aandelen kan worden gesproken. In de tweede afdeling rangschikt hij de aandelen, die in zijn tijd en daarvoor in het bezit waren van de afzonderlijke heren van Vossemeer. Al deze aandelen telde hij bij elkaar op. Om de juiste gemene deler te krijgen voor sommige zeer versnipperde parten kwam hij op een totaal van 288 delen. Dit getal was in feite een verdeelsleutel. Als zodanig werd het gebruikt bij de berekening van de uitkeringen. Volgens deze opzet waren 107/288 delen in gemeenschappelijk bezit en 181/288 delen in het bezit van de onderscheiden leden. Deze opgave vindt men na 1863 meerdere jaren in de rekening terug,
zodat zij bij de oprichting van het zedelijk lichaam ingeburgerd was. Toen zijn er geen 1/24 of 1/48 delen meer onderscheiden, doch heeft de raad van beheer het getal van 181 aandelen aangehouden.
In de statuten, die tegelijkertijd met de akte van oprichting werden vastgesteld, waren de voornaamste bepalingen: de rechten en verplichtingen van de aandeelhouders gaan slechts in de rechte lijn op de erfgenamen over. leder lid kan een of meer van zijn aandelen vervreemden. Lid is, wie een aandeel door schenking, koop of op andere wijze verkrijgt. Het stemrecht is toegekend aan meerderjarige mannen, die minstens 6 aandelen bezitten. Meerdere kleine aandelen mogen zich tot een stem verenigen. Leden, die 6 of meer aandelen bezitten, mogen zich op de vergadering doen vertegenwoordigen. In een buitengewone vergadering van mei 1870 is tevens een huishoudelijk reglement vastgesteld.
53
Teneinde de rechtszekerheid te bereiken, die bij de oprichting van het zedelijk lichaam doel was, vroeg de ambachtsheerlijkheid op
25 maart 1870 erkenning als rechtspersoon aan.
54 Op 4 augustus beschikte de minister afwijzend.
Volgens de regering was bij de ambachtsheerlijkheid alleen sprake van een gemeenschappelijk eigendom, niet van enig eigen vermogen van de vereniging, afgescheiden van dat van haar leden. Het kapitaal is verdeeld in 181 aandelen, volledig in het bezit van de individuele leden. Het lidmaatschap is aan de aandelen verbonden, zodat de vereniging op zichzelf, zonder eigen vermogen, geen eigen belang heeft; het is derhalve geen corporatie, die aanspraak kan maken op de titel van rechtspersoon. De heren van Vossemeer waren zeer teleurgesteld over de afwijzing. De argumentatie van de minister vonden zij wel aanvechtbaar, doch zij legden zich bij de beslissing neer, omdat er in feite geen acute noodzaak aanwezig was, dat zij rechtspersoonlijkheid moesten of wilden bezitten. Kort nadien kwamen zij tot het inzicht, dat de omzetting in een zedelijk lichaam zonder verdere rechtsgrond net zo goed achterwege had kunnen blijven.
Op 21 december 1898 werd het zedelijk lichaam voor 29 jaren verlengd tot 31 december 1927, bij acte van notaris Antoni Martinus Tak te Middelburg. Nogmaals werd het tot 31 december 1956 verlengd door een acte, verleden voor notaris David van de Velde te Tholen op 25 mei 1927.
55 Toen de nieuwe termijn nog maar kort aan het lopen was, dezen zich grote moeilijkheden voor, die tot een geheel andere vorm dwongen.
Gezicht op Oud Vossemeer in 1784.
Naar de gravure uit het boek van Ermerins.
In 1917 hadden de Kamers der Staten Generaal een nieuwe wet op de
dividend- en tantièmebelasting aangenomen. In 1927 legde de inspecteur der belastingen de ambachtsheerlijkheid een aanslag in die belasting op. Ongeveer gelijktijdig deden zich moeilijkheden voor bij de overdracht van de aandelen van mevrouw Beboul aan de minderjarige dochter van ridder Huijssen van Kattendijke. De staat beschouwde deze aandelen als onroerend goed, waarvan het transport aan overdrachtsrecht onderworpen was. Al raakte dit punt alleen de bezitters van de aandelen, toch waren de heren van Vossemeer van oordeel, dat de Staat niet slechts op twee, doch op drie gedachten hinkte, door over eenzelfde zaak er drie tegenstrijdige opvattingen op na te houden. Tegen de aanslag in de belastingen dienden zij een verweerschrift in. Op 25 maart 1929 werd hun verweer verworpen door de Raad van Beroep voor de directe belastingen te Middelburg. In hoger beroep verwierp de Hoge Raad het op 15 januari 1930, al wijzigde hij het bedrag van de aanslag. De advocaten van de ambachtsheerlijkheid adviseerden,
het zedelijk lichaam zo spoedig mogelijk te ontbinden en een nieuwe organisatievorm te kiezen.
56 Na veel voorbereidingen en adviezen werd op 26 april 1935, ten overstaan van notaris van de Velde te Tholen, de akte gepasseerd van de oprichting der naamloze vennootschap “De Ambachtsheerlijkheid van Oud en Nieuw Vossemeer en Vrijberghe N.V.”, gevestigd te Oud Vossemeer.
57 (Bijvoegsel Ned. Staatscourant, 14 en 15 juni 1935, nr. 114).
Op 30 december 1958 werden bepaalde financiële belangen ondergebracht in een afzonderlijke dochtermaatschappij, de “N.V. Beleggingsmaatschappij Oud en Nieuw Vossemeer”.
58 Hiertoe moesten de statuten van de N.V. Ambachtsheerlijkheid op enige punten worden aangepast.
59 (Bijvoegsel Ned. Staatscourant, 27 februari 1959, nrs. 29 en 41).
2 HEREN EN AANDELEN
In de eerste eeuw van het bestaan der heerlijkheid is weinig bekend over de heren, de overgang van de aandelen en de regelen, waaraan de successie gebonden was. De weinige namen, die uit deze periode bewaard zijn gebleven, doen wel vermoeden, dat toen reeds dezelfde voorschriften als later zijn gevolgd, namelijk, dat het recht van de ambachtsheer normaal op zijn oudste zoon overging. Pas in het begin van de 16e eeuw zijn resoluties en andere stukken aanwezig, die een inzicht geven in de wijze waarop de aandelen vererfden. De heerlijkheid Vossemeer viel onder het Zeeuwse leenrecht. In principe kon een leen niet verdeeld worden. Dat aan deze vuistregel niet de hand gehouden is, bewijzen wel de talloze splitsingen van de aandelen; op een gegeven ogenblik mag zelfs van versnippering gesproken worden. Door dit feit, doch ook omdat de bronnen vóór de 19e eeuw op dit punt weinig exact zijn, zal het wel onmogelijk zijn, het juiste verloop van de aandelen te reconstrueren.
Evenmin was in het begin de verkoop van een aandeel aan een vreemde toegestaan. Doch dit schijnt al min of meer normaal te zijn geweest, toen de heren in 1506 bepaalden, dat bij een eventuele verkoop de “naaste magen” voorkeur hadden; wilden die niet kopen, dan hadden de gezamenlijke heren van Vossemeer preferentie.
1 Onder de naaste magen zal niet altijd de rechte lijn zijn verstaan; er zijn trouwens voorbeelden te over, dat een aandeel in een zijlinie terecht is gekomen, of door vererving in de familie van een weduwe, welke familie voorheen nimmer heer van Vossemeer was. Ook zijn er voorbeelden, dat een aandeel geheel werd vervreemd; dan kwam het in bezit van een persoon, die voordien geen enkele relatie met de ambachtsheerlijkheid had gehad.
De zes oorspronkelijke aandelen van 1410 en 1415 waren tegen het einde van de 15e eeuw reeds onderverdeeld. Later zijn zij door vererving, deling, verkoop enz. zover gesplitst, dat er tegen het midden van de vorige eeuw 181 parten te onderscheiden waren. In 1515 stelde de heer van Bergen op Zoom voor, alle aandelen tot de zes oorspronkelijke terug te voeren en voor de besluiten derhalve slechts zes stemmen te erkennen.
2 Het voorstel werd aangehouden en is kort nadien in de doofpot geraakt.
Toch zijn de heren van Vossemeer in een later stadium gedeeltelijk op de strekking van het denkbeeld teruggekomen. In 1635 bepaalden zij, dat voor het stemrecht minstens 1/24 aandeel op de naam van een persoon moest staan. De 1/48 parten werden voortaan uitgesloten, conform de voorheen genomen besluiten, zegt de resolutie.
3 Zulke besluiten zijn evenwel niet terug te vinden; misschien bestond die regel reeds als een gewoonte. Om meerdere redenen achtten de heren het wenselijk, dat er niet teveel stemgerechtigden waren, of dat de bezitters van kleine aandelen niet teveel zeggenschap uitoefenden.
In de vergadering van 1506 werd bepaald, dat de voogd of de gemachtigde van de vrouwe van Treslong ook voor het baljuwschap mocht
loten. Aan dit ambt waren inkomsten verbonden. In die tijd was het gebruikelijk, dat het onder de heren werd verloot.
Meestal oefenden zij het zelf niet uit, doch stelden zij een plaatsvervanger aan. De voogd, die kennelijk reeds de vergaderingen
bijwoonde en daar stemrecht had, werd hierdoor in feite als volledig heer erkend. Nadien zijn de heren van Vossemeer op deze te
ruime bepaling teruggekomen, en is aan voogden van vrouwen of minderjarige kinderen het lidmaatschap van de vergadering
categorisch geweigerd. Vanaf het begin van de 16e eeuw zijn strengere regels gehanteerd voor de toelating van de heren; voor het lidmaatschap en het bijwonen van de vergaderingen werd een genoegzaam aandeel op naam geëist. Vertegenwoordiging werd alleen geaccepteerd voor een man, die voor de aandelen van zijn vrouw wilde optreden. In 1722 besloten de heren, de rentmeesters van de vertegenwoordiging van hun principalen uit te sluiten.
4 In 1510 is bepaald, dat geen heer toegelaten zou worden, die zijn aandeel nog geen vol jaar in bezit had.
5 Hieruit blijkt, dat de vergadering de bevoegdheid had de heren al dan niet toe te laten; van gewoon zitting nemen was geen sprake. Deze praktijk heeft de ambachtsheerlijkheid altijd gevolgd. Zij hield onder andere in, dat de nieuwe bezitter van een aandeel aan de overige heren kennis moest geven van de overgang van een portie; hiertoe moest hij de stukken overleggen tot bewijs van zijn eigendom.
Dan beslisten de heren over zijn toelating. Viel deze gunstig uit, dan legde de nieuwe heer de eed af en mocht terstond zitting nemen. De bepaling van 1510 was wellicht bedoeld tegen mogelijke verrassingen. Na het jaar wachttijd bleek wel, of het aandeel inderdaad zijn volle eigendom was en op zijn naam stond, of dat het misschien werd betwist. Was dit laatste het geval, dan hielden de heren van Vossemeer zich afzijdig. Wanneer in een familie geschillen rezen over de juiste erfopvolging of de verdeling van een boedel, wachtten zij wijselijk de uitslag af. Aan de resolutie van 1510 inzake de wachttijd van een jaar is overigens niet lang de hand gehouden.
In 1530 luidde de eed van de heren:
6 “Dat sweerdij heerschap te zijne van den
lande en heerlijkheid van Vossemeer; goed ende getrouwe te zijne; hantvesten, keuren ende privilegien alle manieren van rechte te helpen stijven ende te sterkene; te vermeerderen ende niet te verminderen; hare secreten te heelen en niemand die te openbaren dan die van gelijcke eede; der heerlicheden recht te helpen defenderen tegens eenen ygelijcken, indien noot waert. Ende voorts generalijck ende specialijck te doene alle ‘t gene dat een goed mede heerscip sculdich es van doene. Zoe help u God ende alle zijne Heiligen”. Naar de strekking is de latere eed dezelfde, al is hij dan ontdaan van alle poëzie. In 1841 luidde hij:
7 “Ik beloof om zoveel van mij zal afhangen, de belangen der ambachtsheerlijkheid te zullen helpen bevorderen, voor de strikte handhaving en opvolging van derzelver rechten en privilegien te zullen helpen waken, en de nodige geheimhouding nopens de belangen der heerlijkheid te zullen bewaren jegens die genen welke in dezelve geen belang hebben”
Als de vrouw of de oudste zoon van een heer stierf, zou 30 dagen lang de klok van Vossemeer geluid worden op kosten van de familie; aldus bepaalden de heren in 1514.
8Dit zou er op kunnen wijzen, dat de vrouw (eventueel weduwe) en de oudste zoon gelijkgesteld waren. Uit een ander besluit van 1518 blijkt echter,
9 dat de weduwe van een overleden heer niet zonder méér in de rechten van haar man trad. Joost van Botland mocht “uit gratie” zijn vrouw, als zij weduwe zou worden, het vruchtgebruik van zijn vroonlanden geven, op voorwaarde, dat die landen na haar dood tot hun eigen staat terugkeerden. In de eerste tijd van de ambachtsheerlijkheid hadden de heren naast hun aandeel in de rechten en inkomsten van de heerlijkheid een bepaald grondbezit, bestaande uit vrije of vroonlanden (in ander verband kom ik hierop terug). Zij werden weliswaar als eigendom beschouwd, doch deze was inherent aan het aandeel.
In de loop der jaren zijn meerdere bepalingen vastgesteld, die de positie der heren onderling en hun verhouding tot de heerlijkheid regelden. De heren van Vossemeer hebben er angstvallig tegen gewaakt, dat een of enigen van hen het voor het zeggen hadden. Het eigenbelang voor allen was voldoende waarborg om er voor
te zorgen, dat de baten en inkomsten strikt eerlijk aan elke heer toevielen, uiteraard overeenkomstig de grootte van het aandeel.
In een rechtszaak, die voor de schepenbank van Vossemeer diende, mochten de heren geen partij of procureur zijn.
De schepenbank stond immers onder hun gezag; in hun naam sprak zij recht. Het was derhalve een juiste maatregel, die eigenlijk voor de hand lag. In 1521 stelden de heren van Vossemeer hem nog eens expliciet vast.
10 Indien de heren in rechte moesten optreden, kon dit pas geschieden na een gezamenlijk besluit. Vanzelfsprekend was het wel eens moeilijk, de privé-belangen en de gezamenlijke uit elkaar te houden. Over het algemeen hebben de heren van Vossemeer bereikt, dat geen heer van zijn positie misbruik kon maken, om het recht naar zijn kant te doen doorslaan. Daartegenover bakenden de heren ook zeer goed de bevoegdheden van hun functionarissen af; zo bepaalden zij in 1592, dat deze geen domeingoederen mochten huren.
11 In 1611 werd toegelaten, dat de heren dijken of tienden van de ambachtsheerlijkheid huurden.
12 Een doordacht beleid was dit niet, daar de meesten van hen die toch weer onderverhuurden.
Misschien is dit tijdelijk toegelaten, omdat er moeilijkheden met de verpachtingen waren. Tevens werd aan de heren vrijdom verleend op de veren van het Botshoofd en het Nieuwe Veer. Merkwaardig genoeg zijn dit de enige gevallen van een persoonlijk voorrecht. In 1616 werd de heren toegestaan een officie in de ambachtsheerlijkheid te bedienen.
13 Zover bekend, is hiervan weinig of geen gebruik gemaakt; de heren hebben hoogstens het baljuwschap geambieerd.
Voor zover is na te gaan, werd “de blijde inkomste” omstreeks 1529 ingevoerd; dan althans is zij voor het eerst in de rekening geboekt. Vanaf dat tijdstip moest elke nieuwe heer een bepaalde som betalen, die in feite neerkwam op een fooi. Vandaar de naam “blijde” inkomste. Enige recognitie mag er niet in worden gezien. Meestal werd de blijde inkomste op de dag van de vergadering door de aanwezigen verteerd; er zijn verscheidene bepalingen aanwezig, die aangeven welk deel ervan voor de maaltijd mocht worden gebruikt.
14Aanvankelijk bedroeg zij 1 pond (6 gulden). In 1544 werd zij vastgesteld op 8 pond en 10 schellingen,
15 op welk bedrag zij lang gehandhaafd bleef. De rekeningen zijn in dit opzicht niet altijd exact, daar zij dikwijls 1 pond als blijde inkomste vermelden, maar niet de 7 pond en 10 schellingen, die de heer als bijdrage in de maaltijd geven moest.
De heren hadden de plicht op de vergaderingen te verschijnen. In elk geval was voor hun toelating en het afleggen van de eed hun persoonlijke tegenwoordigheid vereist. In 1536 werden de heren van Botland en Jhr. van Renesse, heer van Malle per deurwaardersexploit aangezegd op de vergadering te komen en de eed af te leggen.
16 Voor Jhr. van Renesse moest deze krasse maatregel in 1544 nog eens herhaald worden,
17 met de toevoeging, dat hij een behoorlijk excuus moest indienen, als hij voor de zaken van de prins van Oranje, wiens raadsheer hij was, of voor zijn eigen zaken verhinderd was. Ook de markiezin van Bergen op Zoom ontving een reprimande; daar zij een vrouw was, behoefde zij niet in persoon te verschijnen, doch zij moest in elk geval een vertegenwoordiger sturen. In de resolutie en de rekeningen verschijnen dan ook regelmatig de boeten wegens “non
comparatie”, d.w.z. op het niet verschijnen ter vergadering.
In 1570 presenteerden zich twee gecommitteerden van de keizer, die de opdracht hadden op te treden voor de geconfisceerde
goederen van de markies van Bergen op Zoom, die in 1567 in Spanje overleden was.
18
De heren van Vossemeer lieten hen wel toe, doch zij behielden zich al hun rechten voor. De aandelen van de markies van Bergen op Zoom
zijn in 1580 verkocht,
19 zodat aan de zitting van de gecommitteerden een einde kwam. In 1586 werd Ferdinando Alleman door de Staten van Zeeland afgevaardigd om op te treden in de aandelen van Gillis van Wolffswinkel, Gregorio del Plano en andere heren, die zich buiten de Geunieerde Provincies ophielden en als vijanden werden beschouwd.
20 Ook ditmaal reserveerden de overige heren uitdrukkelijk hun rechten. Later trad de raadsheer Zuidland voor de Staten van Zeeland op.
21 Voor Jan de Pieters is de confiscatie in 1609 opgeheven of beëindigd.
22 Hij verzocht weer in zijn 1/24 aandeel te mogen verschijnen. Nadat hij zijn brieven getoond en deeed had afgelegd, werd hij weer toegelaten. De aandelen van Gillis van Wissenkerke zijn niet geheel duidelijk
meer te volgen. In 1620 wilden sommige heren van Vossemeer er een deel van aankopen;
23 in 1632 was er nog niets geschied,
24 doch in 1633 blijkt, dat het deel voor een hoge prijs is aangekocht.
25 Dan besluiten de heren meteen, in het vervolg aandelen voor gezamenlijke rekening aan te kopen.
Enigszins vaag is in de ambachtsheerlijkheid de positie van de vrouw geweest. Men sprak altijd van “heren” van Vossemeer;
natuurlijk was het iets geheel anders dan een taalkundig probleem, dat de heren er weinig voor gevoeld hebben een vrouw
als lid van hun vergadering toe te laten. Toch hebben meerdere vrouwen als stemhebbend lid zitting gehad. Het eerste geval is dat van Mayken of Maria van den Abeele, weduwe van Anthonis van Wissenkerke; tussen 1564 en 1577 treedt zij regelmatig in de vergaderingen op. Daar de resoluties ontbreken vóór het eerste jaar, kan niet precies worden nagegaan, op welke grond haar het stemrecht is toegekend. Waarschijnlijk is het verleend om de grote verdiensten van haar man, die zich in een moeilijke tijd zeer voor de ambachtsheerlijkheid had ingespannen. Maria van den Abeel heeft haar stem met ere laten horen; blijkens de resoluties was zij een kordate en zakelijke vrouw, met een goed inzicht in de problemen van de heerlijkheid. Wanneer later andere vrouwen zitting wilden hebben en de herenvergadering bezwaren maakte, werd door de vrouwen altijd naar Maria van den Abeele verwezen. Dan moesten de heren wel toegeven, dat zij een voortreffelijk
“heer” was geweest!
In 1597 werd Jkvr. Anna van Wolffswinkel toegelaten.
26 Zij kon twee titels aanvoeren. Van de ene kant trad zij op voor de aandelen van haar overleden vader Gillis van Wolffswinkel. Diens delen waren weliswaar door de Staten van Zeeland in beslag genomen, doch Anna en de heren van Vossemeer beschouwden dit niet als van blijvende aard. Misschien hebben de heren van Vossemeer haar gemakkelijk toegelaten, om zodoende het recht van de familie op de aandelen beter te handhaven. Van de andere kant trad Anna op als weduwe van haar man Jhr. Huijbrecht van Wissenkerke en als voogdes van haar kinderen. Zij werd echter bijgestaan door Jhr. Anthonis van Doornik als haar voogd. Toch is zij tot 1600 regelmatig op de vergaderingen als stemhebbend lid aanwezig geweest. Aan haar zittingsperiode kwam een einde door haar huwelijk. met Jhr. Nicolaas van Boshuijsen, die haar later vertegenwoordigde, ofschoon haar man samen met haar als lid was toegelaten.
In 1630 werd Helwich van Oostrum toegelaten, weduwe van Serooskerke.
27 De resolutie geeft geen nadere toelichting of motivering, zodat haar aanvrage en toelating als iets geheel normaals voorkomt. Bij de aanvrage van Livina Coopers, weduwe van Jhr. Marinus van Waerde, hebben de heren even beraadslaagd; toch werd ook zij in 1632 toegelaten na de “behoorlijke” eed te hebben afgelegd.
28 Tot 1635 heeft zij de vergaderingen bijgewoond. Als juffrouw N. van Wachtendonk, vrouw van Jhr. Jan Marnouw, in 1635 vraagt toegelaten te worden voor haar zoon
Jhr. Maerten van Waerde, wordt dit verzoek door de heren afgewezen, niet op grond van haar vrouw-zijn, doch omdat volgens aloud gebruik, herhaalde malen door resoluties bevestigd, slechts die personen toegelaten worden,die een aandeel op hun eigen naam hadden. Ten overvloede werd er nogmaals aan herinnerd, dat voor de toelating minstens 1/24 aandeel vereist was.
29Toch schijnt deze zaak de heren gealarmeerd te hebben. Het volgend jaar wordt in stellige bewoordingen besloten, dat “volgens het oude recht en de resolutien voor desen genomen” (zij zijn nergens te vinden!) voortaan geen vrouwspersonen, wie die ook zijn, in de vergadering mogen verschijnen. “Om goede consideratien” wordt voorlopig nog een uitzondering gemaakt, voor de vrouwe Van Serrooskerke.
30 De dames hebben dit niet genomen!
Jkvr. Anna Maria van Schore, weduwe van Jhr. Jacob van Boshuijse verzocht in 1642 om toelating.
31
Hierop antwoordden de heren met een nadrukkelijke herhaling en bevestiging van de resolutie van 1636; zij stelden zelfs,
dat het toen de bedoeling was geweest, hiermede zichzelf en hun opvolgers onherroepelijk te binden. Op haar nieuw verzoek in 1643 beslisten de heren, dat de weduwe van Boshuijse, als zij het dan persé wilde, wel bij het afhoren van de rekening aanwezig mocht zijn, maar er geen stem zou hebben.
32 Erg galant was het niet, dit onverbiddelijk mondje-dicht! Anna Maria was echter de overtuiging toegedaan, dat de aanhouder wint. Op haar herhaald verzoek lieten de heren haar in 1644 toe, wegens haar groot aandeel en om andere beweegredenen.
33 Zij verleenden haar dispensatie van het verbod, doch stelden vast, dat deze uitzondering geen precedent mocht worden. Toen de heren eindelijk door de knieën waren gegaan, konden zij niet nalaten fijntjes (?) op te merken, dat haar man zaliger de resolutie van 1636 zelf mee genomen had! Tot 1655 heeft zij de vergaderingen bijgewoond.
34 Johanna van Doornik, weduwe van
Jhr. Alexander Emanuel van Renesse vroeg in 1660 om toegelaten te worden.
35 Met verwijzing naar de resolutie van 1644, nota bene ook door haar man bevestigd, werd haar verzoek afgewezen, al vroegen de heren haar vriendelijk hun dit niet kwalijk te willen duiden, daar zij zich gebonden voelden door de genomen besluiten. Desondanks werd zij tot 1665 prompt elk jaar beboet, omdat zij niet verscheen. Die boete beliep weliswaar slechts een geringe som, doch geheel billijk was het niet die op te leggen. De heren waren reeds tot dat inzicht gekomen, toen zij in 1638 de boeten voor de niet-stemgerechtigden en voor hen, die niet mochten compareren (weduwen en minderjarigen),
tot de helft van het bedrag terugbrachten.
36
In Elisabeth van Berchen, weduwe van Jhr. Willen van de Rijt, troffen de heren geen gemakkelijke partij aan. In 1663 vroeg zij,
tot de vergadering of minstens tot het afhoren van de rekening toegelaten te worden, doch dit verzoek werd afgewezen,
op grond van de resolutie van 1660, die haar man zaliger meegenomen had.
37
Elisabeth was in Vossemeer aanwezig. Toen de rentmeester haar, het besluit van de heren mededeelde, vroeg zij kopie van de
resolutie van 1660, protesteerde tegen het besluit en dreigde er werk van te maken. De heren zegden haar de kopie toe, maar
lieten haar verzoeken het protest in te trekken, omdat het ongefundeerd was. Toch heeft haar verzet enig resultaat gehad.
In 1668 besloten de heren, geen voogden of weduwen toe te laten, doch van hen dan ook geen boeten meer te eisen wegens non-comparitie.
38 De boeten waren niet het grootste bezwaar van Elisabeth van Berchen. Haar interesseerde meer het financieel beleid, waar zij buiten gehouden werd. In 1670 wist zij de weduwe Van Serooskerke aan haar zijde te krijgen.
39 De dames eisten bij de afhoring van de rekening tegenwoordig te zijn, die te mogen tekenen en mede besluiten te nemen. De heren oordeelden, dat zij het niet konden toestaan, omdat er verschillende resoluties over waren, en omdat zij het aan andere vrouwen geweigerd hadden. De passage sluit met deze zin;
“Ende hebben de voorseide mevrouwen tegen hare non-admissie geprotesteert”. Nadien heeft geen vrouw het nog aangedurfd, zitting in de herenvergadering te vragen.
Even moeilijk waren de heren bij de beoordeling van aanvragen om toelating door voogden of vertegenwoordigers.
In 1602 wilde de dijkgraaf Dierick Heynricxs, gewapend met een procuratie van Juffr. Margarete Vaillant, weduwe van Jochum Jochumsen, in de vergadering zitting nemen, doch vlakaf weigerden de heren dit; ook het volgend jaar hielden zij voet bij stuk.
40 Erg consequent was dit niet, daar voorheen wel gevallen van vertegenwoordiging waren geweest. Men mag zich zelfs afvragen, of de weigering een wettige grond had. Overigens behoeft de beweegreden van de heren van Vossemeer niet ver gezocht te worden; zij wensten in hun ambachtsheerlijkheid elke vreemde invloed te weren. Hun opvatting was ook te verdedigen; wie niet genoeg belangstelling had in de zaken van de ambachtsheerlijkheid om zelf te verschijnen, moest zich dan ook maar niet door een ondergeschikte figuur doen vertegenwoordigen. Toch lieten zij in 1648 Jacob van Baerlant, die slechts 1/48 deel bezat, tot de vergadering toe,
doch alleen tot het afhoren van de rekening en onder uitdrukkelijk beding, dat hij zich van de andere zaken te onthouden had.
Nadat het besluit gevallen was, dat het stemrecht verbonden was aan een bepaald, niet te klein aandeel, hebben de heren daaraan streng de hand gehouden. In 1657 vroeg Corvincx om toegelaten te worden;
41 daar hij slechts een 1/48 aandeel bezat, werd zijn verzoek afgeslagen.
42 De stukken of brieven van investituur behoefden niet altijd overgelegd te worden; af en toe namen de heren genoegen met een mondelinge verklaring van de nieuwe heer. Laureijs Huijssen, heer van Weelde, verzocht in 1663 om zitting te mogen nemen. Hij had een 1/24 deel gekocht van de voogden van Jhr. Godart van Thuijl van Serooskerke. Misschien koesterden de heren argwaan, dat het hier een verkapte vertegenwoordiging betrof, en vroegen zij van Huijssen een verklaring, dat het aandeel werkelijk zijn eigendom was.
43
In 1679 werd Mogge het stemrecht niet toegekend, omdat hij via zijn vrouw slechts in een 1/36 deel gerechtigd was. Mogge had laten doorschemeren, dat hij over deze kwestie zou procederen;
de heren van Vossemeer wezen alvast een van hen aan om de zaak waar te nemen.
44 Johan Huijssen was in 1668, toen hij nog kind was, zijn vader in een 1/6 deel opgevolgd. In 1682 werd hij tot de vergadering toegelaten, ofschoon hij nog geen 24 jaar was.
45 Doch omdat hij reeds fungeerde als raad van Middelburg, meenden de heren hem als meerderjarig te moeten erkennen. De graaf van Corswaren had lange tijd zitting gehad voor de aandelen van zijn vrouw. Toen zij overleden was, werd de graaf in 1709 van zijn stemrecht vervallen verklaard totdat hij nieuwe brieven toonde, dat de aandelen op zijn naam stonden.
46 Het volgend jaar werd hij toegelaten.
In 1711 vroeg Jhr. Charel Bonaventura van der Noot, heer van Schoonhoven, admissie tot de herenvergadering.
47 Hij beweerde, dat hem een 1/24 aandeel was aanbestorven van Jkvr. Anna van Eijnatten, vrouwe van Schoonhoven. De heren wisten wel, dat zij in haar testament dat aandeel vermaakt had aan het kind van baron van Sprange, dat daarin na haar dood was erkend. Een ander 1/24 aandeel had zij niet in bezit gehad. De heer van Schoonhoven was bovendien niet als erfgenaam aangewezen. Evenmin bleek het de heren aannemelijk, dat Eduardus van der Noot, bisschop van Gent, als erfgenaam was aangewezen, en dat deze aan zijn broer de baron van Charloo zaliger vader van de heer van Schoonhoven, zoals deze voorgaf, het aandeel had afgestaan.
Zelfs als dit het geval was geweest, dan had de heer van Schoonhoven er nog geen recht op, want volgens Zeeuws recht kon alleen de oudste zoon in het aandeel opvolgen. De brieven van investituur voor Jhr. van der Noot, afgegeven door de Gecommiteerde Raden van de Staten van Zeelandlegden de heren van Vossemeer naast zich neer, want deze brieven, zo zeiden zij, werden altijd gegeven onder het voorbehoud “periculum pretentis” (recht van
andere aanspraken) en zonder prejuditie. Over de zaak van de al dan niet juiste vererving wilden de heren niet oordelen, doch zij weigerden Jhr. van der Noot toe te laten zonder de bewijzen, dat het aandeel rechtens en feitelijk op zijn naam stond.
Een geheel nieuw probleem deed zich voor in 1730.
48 De rentmeester van de heerlijkheid, Pieter van ‘t Rosevelt, verraste de vergadering met de mededeling, dat hij een 1/24 aandeel had gekocht; op grond hiervan verzocht hij zitting en stemrecht. Erg prettig is dit bij de heren niet gevallen; sommigen meenden, dat de twee kwaliteiten van heer en rentmeester niet verenigbaar waren; anderen hadden niet verwacht, al zeiden zij dit niet openlijk, dat de rentmeester zich op deze manier in de heerlijkheid zou dringen. De zaak van de toelating werd uitgesteld tot alle heren aanwezig zouden zijn. Een principiële uitspraak is niet gekomen. Het volgend jaar is Pieter van Rosevelt overleden; zijn aandeel ging op zijn zoon over, Mr. Johan Willem van Rosevelt, schepen en raad van Goes. Hij werd pas in 1733 als heer toegelaten.
49 Blijkbaar hebben de heren er nog even over moeten denken.
In 1834 vroeg Moens, die voorheen als vertegenwoordiger van zijn vrouw zitting had, als heer gecontinueerd te worden, omdat hij nu het vruchtgebruik van een aandeel had.
50 Dit werd hem toegestaan; het gold in het vervolg voor alle mannen, die het vruchtgebruik van een genoegzaam aandeel hadden. In 1842 werd het oude voorschrift nog eens nadrukkelijk herhaald, dat een nieuwe eigenaar van aandelen geen zitting mocht nemen, alvorens zijn stukken door de vergadering waren onderzocht en in orde bevonden. Hiermede zijn wij gekomen in de tijd, dat de ambachtsheerlijkheid niet meer als een publiekrechtelijk lichaam bestond. Aanvankelijk bleven de oude regels van het beheer en de overgang van de aandelen nog gelden; bij de nieuwe organisatievormen, die later zijn aangenomen, werden de overgang van de aandelen, de rechten en plichten van de aandeelhouders nader geregeld.
Voorbeeld van een beleenbrief. Franchoys van Aertssen volgt Mr. Jan van Borre op in een 1/12 deel der tienden van Vossenveer, 1610. Archief Ambachtsheerlijkheid.
Men kan over de ambachtsheerlijkheden wel eens meewarig oordelen, door ze af te schilderen als instituten, die elke nieuwe dag van hun bestaan uit de tijd waren, als conservatieve instellingen, die hun kracht maar hun nog grotere zwakheid vonden in een amechtige na-aperij, op een clowneske kleine schaal, van landsheerlijke verhoudingen. De heren konden in hun gebied, waar zij elke pottekijker wel buiten wisten te houden, hun meerderwaardigheidscomplex naar hartelust uitleven. Het ging hun toch maar om het eigen belang; het spekken van de eigen beurs was hun grootste zorg. Zulk een oordeel is onbillijk, omdat het niet objectief is. Veel dorpen en gemeenten in Nederland danken hun ontstaan en hun groei aan de ambachtsheerlijkheden. Aan hun over het algemeen zeer goede bestuur lag een sociale houding ten grondslag, die uiteraard, als elk menselijk handelen en streven, een product van haar tijd was, doch die bij lange na niet zo verderfelijk was, als wel eens wordt voorgesteld.
De mens van deze tijd gruwt bij het horen van het woord feodalisme; wij zijn nóg niet helemaal de hysterische exaltatie kwijt, waarmede de Revolutie op een inderdaad achterhaalde ontwikkeling van menselijke verhoudingen reageerde.
In Vossemeer valt een opmerkelijk feit te signaleren, dat tot een milder oordeel over de ambachtsheerlijkheid leiden kan.
De heerlijkheid werd bestuurd door meerdere personen; in de aanvang waren dit er zes; later groeide het getal door splitsing
van aandelen nog aan. Een deel van hen heeft zich nooit met het bestuur bemoeid; als hun aandelen te klein waren, hadden zij zelfs geen bevoegdheid om mee te besluiten. Zij streken alleen hun portie van het batig saldo op. Doch dit deel van de heren is betrekkelijk klein geweest. De meesten van hen verschenen regelmatig op de vergaderingen, waar niet alleen de gezamenlijke belangen behartigd werden, doch ook de bestuurlijke zaken van de dorpen. Van een aparte agenda voor beide afdelingen was geen sprake! De heren van Vossemeer behoefden er trouwens niet diep over na te denken om in te zien, dat de goede gang van zaken en de welvaart in de dorpen in de eerste plaats hun eigen belang was. Verreweg het merendeel van de heren woonde dan ook trouw de vergaderingen bij; meestal waren bij zes tot acht comparanten slechts een of twee afwezigen. Zulk een meerhoofdig bestuur bracht zijn aparte moeilijkheden met zich mee.
Voorbeeld van een aandeel. Archief Ambachtheerlijkheid
Des te merkwaardiger is het, dat in het bestuur nooit een ernstig conflict is geweest. Uiteraard hebben er meningsverschillen bestaan, doch deze werden in gezamenlijk beraad opgelost. Er zijn zeer weinig resoluties, waarin de heren zich tegen elkander moesten beschermen. In 1650 werd de rentmeester opgedragen de zaken van belang aan die heren voor te leggen, die hem de meeste assistentie gaven, niet meer aan hen, die de meeste belangen in Vossemeer hadden.
51 Doch in 1671 is dit in zoverre herzien, dat de zaken van belang, die geen uitstel gedoogden, met enige “naastgezeten” heren behandeld mochten worden.
52 In 1745 werd een commissie benoemd, die moest onderzoeken, of de besluiten van de heren wel werden
uitgevoerd;
53 waarschijnlijk sloeg dit meer op het bestuur der dorpen dan op de heerlijkheid zelf. In 1757 kreeg een andere commissie opdracht na te gaan, of er goederen van de heren verduisterd waren.
54 Dit zijn vrijwel de enige besluiten, waaruit misschien een zekere onderlinge waakzaamheid kan worden afgeleid.
De heren van Vossemeer hadden het recht van “naasting”. In het algemeen betekent naasten; “naderen” van een goed. d.w.z. er bij
een overgang van eigenaar aanspraak op maken. In de meeste gevallen was de naasting gebaseerd op de bloedverwantschap;
dan sprak men van naasting van bloedswege. Zij kon ook toegepast worden door een belendend eigenaar, voor wie een bepaald
goed onontbeerlijk of hoogst nuttig was, bijvoorbeeld als twee percelen land gezamenlijke lasten hadden, afkomstig van één oorspronkelijke cijns of erfpacht. Dan sprak men van een naasting van grondwege. Als de heren van Vossemeer een naasting toepasten, deden zij dit van deelswege. In zijn boek maakt Ermerins van het recht van naasting een afzonderlijk heerlijkheidsrecht. Dit is vermoedelijk niet juist, daar dit recht op zich zelf staat en het zelfs niet zonder meer kan worden afgeleid van het leenrecht. De heren van Vossemeer konden dit recht slechts uitoefenen bij de overgang van een aandeel, die niet strookte met het gangbare leenrecht, namelijk als een aandeel dreigde in een zijlijn of op een geheel vreemde familie over te gaan. De heren hebben van dit recht slechts zelden gebruik gemaakt, om geheel voor de hand liggende redenen. Als geen der heren er zich persoonlijk voor interesseerde,
moest een te naasten aandeel door de heren gezamenlijk worden aangekocht. Dikwijls vonden zij de prijs te hoog, of liet de kas van de ambachtsheerlijkheid de aankoop niet toe. Soms hadden de heren wel graag willen kopen, doch moesten zij toelaten, dat het aandeel in handen kwam van een persoon, die zij aanvankelijk liever niet in hun midden hadden gezien.
Indien een heer zijn aandeel wil verkopen aan iemand buiten de andere heren, mogen de heren van Vossemeer dit goed “vernaderen”, als zich geen “bloedvriend” van de verkoper meldt. Deze regel, die in de praktijk waarschijnlijk al langer gold, is in 1506 in een resolutie vastgelegd
55 en in 1627 nog eens herhaald
56. In 1537 drong de heer van Bergen op Zoom op de naasting van een aandeel aan, doch de andere heren voelden er niets voor.
57
In 1645 kochten de heren een 1/48 deel aan van de prinses van Salm als gezamenlijk bezit voor de som van 2750 ponden Vlaams.
58 De rentmeester moest uitrekenen, hoeveel elk van de heren te betalen had; die sommen zouden tegen 20 juli 1645 betaald moeten zijn, anders diende de rentmeester voor het ontbrekende maar een lening te sluiten.
In 1679 mocht Jhr. Albert Happert de Diegen zijn aandelen vrij verkopen; voor deze keer en “uit gunste” zouden de heren geen naasting toepassen.
59 Baron van Hovorst en Pellenberg wilde in 1758 zijn aandelen van de hand doen; hij was voornemens deze in publieke veiling te brengen. Enige heren vroegen die voor gezamenlijke rekening te mogen aankopen, doch de vraagprijs van de baron was te
hoog. Onverwacht verkocht hij zijn aandeel aan Gerrit ten Hage, burgemeester van de stad Tholen, voor de som van 5500 gulden, een prijs, die de heren nooit hadden gegeven. Ten Hage schijn bij de heren niet welkom te zijn geweest; desondanks pleegden zij overleg met hem. Een deel van het aandeel werd voor gezamenlijke rekening aangekocht;
60 op het overblijvende deel werd Gerrit ten Hage in 1759 als heer toegelaten.
In 1817 werd een 1/24 aandeel door M. N. Steengracht van Oosterland publiek verkocht; de heren besloten geen gebruik te maken van hun recht van naasting.
61 Toen echter in 1827 een aandeel van J. van Ysselstein en diens weduwe C. M. Isebree onderhands verkocht was aan Anna Maria Jacoba en Anna Elisabeth Schorer, pasten de heren van Vossemeer de naasting toe.
62
Later zijn nog meerdere gevallen voorgekomen van aankoop van aandelen door de gezamenlijke heren. Dan sprak men niet meer van naasting, ofschoon het principe nog hetzelfde was. Sinds het midden van de 19e eeuw zijn er geen aandelen meer voor gezamenlijke rekening aangekocht, doch werden deze bij een eventuele aankoop door de ambachtsheerlijkheid terstond overgenomen door een van de aandeelhouders.
Van de ambachtsheren en -vrouwen wordt in het volgend hoofdstuk een lijst gegeven. Al konden de overgangen der aandelen niet in alle details gereconstrueerd worden, toch zal men in die lijst gegevens vinden, die althans in de meeste gevallen de successie ophelderen.
3. HEERLIJKHEID VRIJBERGHE
De ambachtsheerlijkheid heet nu: van Oud en Nieuw Vossemeer en Vrijberghe. De laatste naam is een jonge toevoeging.
Tegen het einde van de 18e eeuw kwamen de heren van Vossemeer in het bezit van 2/3 deel van Vrijberghe en in 1845 kochten zij het resterende 1/3 deel aan. Deze heerlijkheid van Vrijberghe omvatte een betrekkelijk klein grondgebied, dat aanvankelijk omstreeks 200 gemeten telde, volgens een extract uit de steenrol van de rentmeester van Beoosterschelde,
1 waar het leen of een helft ervan (niet gedateerd) op naam staat van Willem Jacobssen van Vrijbergen. Voorheen werd het aangeduid met de namen van Jan Huijgens hoog landeken, Jan Huijgenshil en ‘s Gravengors, terwijl ook de naam St. Joostland zeker op een deel ervan betrekking heeft gehad. Volgens een akte van 1560 heette het laatste ook Vrijberghe; meestal echter wordt het geheel met de naam van Vrijberghe aangeduid. Toen de Oost Vrijberghe Polder, de West Vrijberghe Polder en de Nieuwenpolder ingedijkt waren, besloeg de heerlijkheid een oppervlakte van 183 gemeten.
Een klein deel van Vrijberghe heeft onder de ambachtsheerlijkheid van Vossemeer geressorteerd. Vanaf de oude Vosvliet liep de grens tussen de beide heerlijkheden recht naar het noorden. De gorzen buiten de Hikkepolder werden natuur- en waterstaatkundig tot Vrijberghe gerekend en aldus genoemd, doch het grondgebied ten oosten van de grenslijn behoorde aan de heren van Vossemeer. Vrijberghe heeft tot in het begin van de 19e eeuw als een afzonderlijke ambachtsheerlijkheid bestaan.
De heerlijkheid is lang in het bezit geweest van de familie van Vrijberghe. Daar volgens Ermerins deze familie in Zeeland niet bekend is geweest, neemt hij aan, dat zij haar naam van Vrijberghe afgeleid heeft. De latere feiten tonen aan, dat dit waarschijnlijk juist is.
Haar geschiedenis is verre van duidelijk. Voor een deel is dit hieraan te wijten, dat er van het archief van Vrijberghe maar weinig bewaard is gebleven; uit de oudste tijden is er zelfs geen enkel stuk aanwezig. De juiste oorsprong van de heerlijkheid ligt in het duister. Ermerins zegt, dat zij in het jaar 1418 door vrouwe Jacoba of hertog Jan van Brabant is uitgegeven;
2 de uitgiftebrief zou onder de
zogenaamde Vilvoordse charters berusten. Waarschijnlijk is dit slechts een gissing geweest, daar geen schrijver die oorkonde op het spoor is gekomen. In een archiefstuk van Vrijberghe, opgesteld tegen het midden van de 17e eeuw, wordt als bewijs van de “oudheid” der heerlijkheid het afschrift gegeven van de rekening van 1509/10;
3 op dat tijdstip was een ouder stuk al niet meer voorhanden.
Vreemd is in elk geval, dat de tweede uitgiftebrief van Vossemeer uit het jaar 1415 een gebied aan de heren gaf, al was het nog niet bedijkt en nog minder in cultuur gebracht, dat een deel van het latere Vrijberghe omvat moet hebben. Vanzelfsprekend was de juiste grensbepaling in een wadden- en gorzengebied, dat nog voor de zee open lag en aan veel geografische veranderingen onderhevig was, geen gemakkelijke zaak. De beide heerlijkheden hebben er dan ook veel onenigheid over gehad. Toch kan men zich niet aan de indruk onttrekken, dat de heerlijkheid Vrijberghe op een misschien merkwaardige manier met die van Vossemeer samenhangt. In de stukken, die duidelijk te onderkennen zijn als afkomstig van de voormalige heerlijkheid Vrijberghe, bevinden zich afschriften van de uitgifte van Vossemeer uit het jaar 1410.
4
De motivering hiervan is, dat de leenbrieven en de verheffingen van Vrijberghe altijd verwijzen naar de rechten van Vossemeer en de rechten van de graaf van Holland over Vossemeer,
die op dezelfde voet in Vrijberghe golden; daarom was het gewenst een afschrift van de oorkonde van 1410 te hebben. Dit geeft enige grond aan de opvatting, dat de heren van Vrijberghe zich misschien gerealiseerd hebben, dat de uitgifte van hun heerlijkheid in principe tot die van Vossemeer terug te voeren was, althans daar nauw mee samenhing.
Wanneer het gebied van Vrijberghe in de bronnen verschijnt, komt het onder een veelvoud van namen voor. Het eerste in gebruik genomen deel werd gevormd door het St. Joostland, tegen de Broekpolder gelegen. Reeds in 1423 heeft Pier Hanne de middeldijk in gebruik tussen dat land en het Broekland met een gors, dat buiten de polder was gelegen.
5
Dezelfde post verschijnt jarenlang in de rekening, al treedt in 1428 een nieuwe pachter op. Het gors zelf, nog altijd St. Joostland genoemd, is in 1438 in erfpacht uitgegeven aan Claas de Vriesse, die het omstreeks 1440 verkocht heeft aan Lodewijk van Bloys en Pier Willem Egge.
6 Beide eigenaren hebben het lang gezamenlijk in bezit, totdat het in 1463 overgegaan blijkt te zijn op de weduwe en erfgenamen van Jan Mont Goirts zoon.
7 In 1477 treedt Cornelis Adriaans zoon als erfpachter op; het jaar daarna Cornelis Claes zoon;
8 in 1487 is het verpacht aan Heijn Matthijs die Coninck.
9
Dit gors is omstreeks 1465 geheel of ten dele opgenomen in de bedijking van het Roland. In 1465/66 worden voor het eerst de tienden van dit nieuwland
vermeld, in het bezit van Deam Barthelemeuszoon en Claes de Vriese.
10
Deze tienden had Willem van Beieren in 1408 aan Jan bastaard van Bloys, heer van Treslonge, als een onversterfelijk leen gegeven.
Naast de normale betaling had hij voor de graaf van Holland een rente moeten overnemen, die de weduwe van Jan van Zevenbergen jaarlijks uit deze tienden had. Na de dood van de weduwe is de rente aan de graaf vervallen. In een brief van 1415 is de rente door de graaf vernietigd.
11 Waarschijnlijk is St. Joostland niet geheel in de nieuwe bedijking opgegaan.
Tussen St. Joostland en de Broekpolder lag een gors, dat de graaf zich lang had gereserveerd en daarom het ‘s Gravengors werd genoemd.
Het was in 1444 aan Cornelis Jan Pier Wissen zoon in erfpacht uitgegeven; in 1453 was het in bezit van Jan Ruychrock.
De middeldijk tussen het St. Joostland en de Broekpolder hoorde erbij, wat er wellicht op wijst, dat het gors zelf ook reeds
omkaad was.
12 In 1475 blijkt het ‘s Gravengors in het bezit te zijn van Reinier de bastaard van
Brederode en Gerrit van Heemskerk, beiden getrouwd met dochters van,de inmiddels overleden Jan Ruychrock, van de weduwe en erfgenamen van Mr. Jan Quevin en van Jacob Cruesinck.
13 De laatsten zijn waarschijnlijk ook naaste verwanten van Jan Ruychrock. Diens zaken schijnen niet eenvoudig te hebben gelegen. In 1475 deed de Grote Raad van Mechelen uitspraak in een proces tussen zijn erven onderling.
14 In het ‘s Gravengors treden in 1485 Hendrik de bastaard van Cralingen op, gehuwd met de dochter van Jan Ruychrock, de kinderen van wijlen Aernt van Hoydenpijl, eveneens met een dochter van Ruychrock gehuwd, de erven van Mr. Jan Quevin en Cornelis Cruesinck.
15
Een familie de Boet uit Reimerswaal afkomstig kwam in 1484 in het bezit van een deel van Vrijberghe door een huwelijk met Cornelia Cruesinck. Deze familie is in 1908 uitgestorven. Haar wapen was geheel gelijk aan dat van Vrijberghe.
15a
Toen de naam van Vrijberghe al was ingevoerd, is een, deel ervan nog als Jan Ruychrocksland bekend gebleven.
Een derde deel van het latere Vrijberghe was in het bezit van Jan Huigens zoon. Dit deel werd weer onderscheiden in Jan Huigens Hooglandeke en Jan Huigenshil. De plaats ervan is niet meer aan te wijzen, doch vermoedelijk heeft het met Jan Ruychrocksland gemeen gelegen. Na 1511 is het land verloren gegaan en
bleef het lang “met de zee gemeen” liggen. Vrijberghe bevindt zich op een punt, waar door verschillende samentreffende omstandigheden altijd een zeer moeilijke waterstaatkundige toestand heeft geheerst. Van toestand kan men zelfs nauwelijks spreken, daar de wateren er dikwijls op zeer korte tijd geweldige veranderingen in de verlanding teweeg brachten. Toen de heerlijkheid in de loop van de 17e eeuw door de nieuwe inpolderingen wat vastere vorm had gekregen, blijken de toenmalige heren ook geen concrete voorstelling te hebben gehad van de vroegere toestand; dit getuigen hun vage beschrijvingen.
Uit de rekening van 1509/10, door Anthonis Huijgens afgelegd, blijkt dat de vroonlanden ruim 75 gemeten telden.
16 Zij waren in hun geheel aan landbouwers verpacht. Eveneens waren de dijken verpacht van Vrijberghe en St. Joostland. De dijken lagen: van de Bree naar de Hikke; van de Bree naar de Sluis; verder was er nog de dijk van St. Joostland. De verpachting van de tienden verschaft ons enige gegevens over de in cultuur gebrachte landerijen. De rekening onderscheidt: de Oostvrone; de blok van Michiel Heijnen tot de Oostwege; vandaar tot Claes Jans land; vandaar tot heer Cornelis Croesinks land; vandaar tot de Westwege; de Westvrone tot heer Cornelis Goris; Spalant in de Westvrone met de Capelle Blok. Hier bevinden wij ons op het raakpunt van de polder Broekland, Vrijberghe en de Hikke, waar voorheen de St. Anthoniuskapel stond. Voor St. Joostland was een jaarcijns van drie gouden Henricus nobels aan de leenkamer van Holland verschuldigd. In dat jaar bracht de
heerlijkheid een batig saldo op van ruim 34 pond. De kinderen van Joris van Hodempil en Jan van Scengen kregen van
elke 40 penningen 21 1/2 penning: Cornelis Cruesinck en meester Joannes Conneweij van elke 40 penningen 18 1/2 penning.
Waarschijnlijk bezaten zij paarsgewijs de helft van de heerlijkheid; de verdelingsformule wijst aan, dat de twee aandelen niet even hoog genoteerd stonden. Blijkens een ander gegeven waren de vrouw en de kinderen van Mr. Josse Quevin nog gerechtigd in een vierde deel van de heerlijkheid, waarop echter tijdelijk beslag was gelegd, dat in 1511 door de Grote Raad is opgeheven.
17 Volgens enige mededelingen is kort nadien het land van Vrijberghe verloren gegaan; uit de rekening blijkt wel, dat het reeds bedijkt was. De vernieling van het land is vermoedelijk geschied bij de watersnood van 1510, die ook in het land van Vossemeer veel schade aanrichtte. Dat de heerlijkheid sterk vervallen was, valt ook uit latere gegevens op te maken. In 1547 verpachtte de baljuw van St. Maartensdijk de gorsettingen (de begroeide delen) van het gors van Vrijberghe.
18
Dat hoorde toen voor de helft toe aan Agniete van der Heijden, weduwe van Jasper van Everdinge. In 1556 gaf Pieter van Halmale, ridder en oudschepen van
Antwerpen, als gemachtigde van Maria Jacques, weduwe van Jan van Halmale, aan Pieter van Halmale uit den Haag volmacht en opdracht,
om het gors van Vrijberghe te verkopen aan Cornelis Berthels zoon, burgemeester van Tholen.
19
Blijkens latere gegevens is deze verkoop doorgegaan. In het jaar 1558 was Cornelis Baltens (of Berthels) reeds overleden en werd
diens neef Balten of Balthasar Jacobszoon voor de leenkamer van Holland in de helft van Vrijberghe verheven.
20 Balten droeg in 1560 zijn aandeel over op Jacob de Brammer, poorter van Tholen,
21 die er in hetzelfde jaar mee werd beleend.
22 Over dit aandeel rees een geschil tussen hem en Balten Jacobs, de zoon van de vroegere eigenaar, en de weesmeesters van Tholen. Waarschijnlijk is de transactie van de verkoop door een sterfgeval doorkruist of achterhaald; omdat tevens de weesmeesters optreden, waren er vermoedelijk moeilijkheden over het beheer van een boedel. Het Hof van Holland beval Balten Jacobs en zijn partij, af te zien van elke actie.
23 Omstreeks 1574 is het deel overgegaan op Cornelis de Brammer; in dat jaar verklaart de kamer van financiën te Brussel hem diligent ten aanzien van de leenverheffing, die hij vanwege de troebelen nog niet in persoon had kunnen doen.
24 Een gelijk uitstel werd hem nog in 1575 verleend.
25
De andere aandeelhouder kreeg moeilijkheden met de heren van Vossemeer over de bedijking van de Hikkepolder. Deze eigenaar was Marinus Jacobszoon, nog minderjarig, voor wie Cornelis Janszoon van Bergen, burgemeester van de stad Tholen, als voogd optrad. Marinus was door de dood van zijn vader, Jacob Willems zoon, in het aandeel van de helft van Vrijberghe opgevolgd, en in 1556 door de leenkamer van Holland in dit leen bevestigd. Dat